Gepubliceerd op: zondag 23 november 2025

Delphine Lecompte – Het reptielenverblijf

 

Ik had een heilige schrik van het reptielenverblijf. En dan vooral van de bedrieglijk stoïsche taaie kolossale monsterlijke krokodillen. Met krokodillen was geen verstandhouding mogelijk, ze hadden alleen maar vijanden en ze kenden geen genade. Enkel Paul Hogan kon ze de baas.

Met mijn vader bezocht ik vaak de zoo van Antwerpen. Hij was een typische gescheiden vader die niet creatief genoeg was om activiteiten te verzinnen voor zijn kind… Nee: hij was een miserabele meelijwekkende alcoholist die te beverig was om… Nee: hij bedoelde het goed, hij wist dat ik van dieren hield. De zoo was zijn geschenk. Een vergiftigd geschenk, want ik vond dieren in gevangenschap een schande, een onrecht. Ik werd somber en kwaad van al die prachtige kleurrijke primitieve utilitaire allesbehalve guitige snoetjes achter spijlen. Tegen mijn moeder zei ik al vanaf mijn vijfde woedend en stampvoetend dat ik alle dierentuinen ter wereld boycotte. Maar tegen mijn vader durfde ik geen grote mond op te zetten. Omdat ik bang was dat hij dan zou vertrekken en nooit meer zou terugkeren.

Het was een beruchte karaktertrek van vaders: het vluchtgedrag. Dikke Peter, Carolientje, Margot, Ahmed en Dimitri hadden vaders die waren weggelopen, voorgoed. Het was hun schuld: ze waren te kritisch geweest. De moeders dienden om uit te kafferen, de vaders waren de lichtgeraakte gehavende trotse verbolgen pineuten die je met zijden handschoenen moest behandelen.
Dus sprak ik mijn vader naar de mond en stemde ik in met alles wat hij voorstelde. Meestal zei hij: ‘Vanavond eten we droog brood met koolsalade, als je braaf bent krijg je een stripverhaal van Bollie en Billie.’ En hij stelde soms voor om naar de cinema of naar de zoo te gaan. Ik leek op een angstvallig Roemeens zwerfjongetje, veel jonger dan twaalf. Mijn moeder had een bijnaam voor mij: Ratschenko. Omdat ik op een verfomfaaid ratje leek, volgens haar.

Net voor mijn Plechtige Communie ging ik voor de allerlaatste keer naar de dierentuin met mijn vader. Ik had me voorgenomen om deze keer het reptielenverblijf te betreden en de krokodillen te trotseren. Ik zat goed in mijn vel net voor mijn Plechtige Communie. Ik was eindelijk verlost van mijn laatste melktand en ik had mijn eerste jachtmes gekocht. De puberteit lonkte: ik luisterde naar de Sex Pistols en ik schreef mijn eerste krasse blasfemische gedichten. Ik neukte beurtelings met een pedante ontslagen kraanmachinist, met een grimmige Bulgaarse laminaatverkoper, met een ietwat cynische bedlegerige Cobraschilder die in de Penitentenstraat woonde, en met een raadselachtige winderige lommerdhouder die gespecialiseerd was in antieke duikhelmen en bronzen mijnwerkers. Ik werd zelden betaald.

Die laatste keer in de zoo met mijn vader, deed mijn vader zijn best. Hij probeerde zelfs een gesprek op gang te krijgen. Hij vroeg: ‘Wat wil je later worden? Nog altijd koorddanseres?’
Ik antwoordde stug: ‘Vleermuizenteller.’
‘Vleermuizenteller?’
‘Ja, maar als dat niet lukt word ik gewoon pyromaan, wurgmoordenaar of treinrover.’
Mijn vader luisterde niet, hij keek naar een roedel kwetterende kostschoolmeisjes. Ze waren hooguit vijftien. Mijn vader was geen viespeuk. Of was hij toch een viespeuk en verdiende hij het om verslonden te worden door krokodillen? Groot was mijn opluchting toen ik merkte dat hij niet naar de kostschoolmeisjes keek, maar naar hun leerkracht die inderdaad erg knap was: knap als Kelly McGillis in Witness. Ik vroeg aan mijn vader of ik op eigen houtje de zoo mocht exploreren. ‘Doe maar, kind, ga je gang. We spreken af om 14u, aan de leeuwen.’ Ik hoorde Kelly McGillis vragen: ‘Hoe heet je zoon?’ Ik liep vlug weg zodat ik het antwoord van mijn vader niet moest horen. Plots miste ik mijn moeder die veel geestiger, slimmer, hartelijker, ruimdenkender en robuuster was dan mijn vader. Noch mijn moeder noch mijn vader hield van dieren. Ze associeerden dieren met stront, schichtigheid en bijtincidenten. Allebei droegen ze bont en leder, en ze verplichtten mij om vlees te eten.

Via de erg duidelijke wegwijzers vond ik het omineuze fabelachtige reptielenverblijf. De benaming klopte al niet: het eerste wat ik zag was een tarantula achter glas. Er werd druk getikt op het glas, zowel door volwassenen als door kinderen. Men wilde beweging krijgen in de tarantula, maar hij trok zich niets aan van het drukke agressieve getik op zijn glazen kooi. Hij leek op een decadente luxueuze geldbuidel die bijna kon doorgaan voor een handtas, ‘a purse’. Hij leek eveneens op de afschuwwekkende intimiderende harige vraatzuchtige schaamstreek van mijn moeder. Andere moeders deden hun kleren niet uit wanneer ze preiquiche of frambozenclafoutis maakten in de keuken. Mijn beste vriendin, pientere Margot, zei dat ik mijn moeder moest aanklagen, of dat ik op z’n minst moest bellen naar de jongerentelefoon. Het was een vorm van incest, het exhibitionisme van mijn moeder. Althans volgens Margot.

Na de tarantula werd ik getrakteerd op allerlei soorten slangen. Ik negeerde de ongevaarlijke slangen, ze hadden me niets te bieden. Ik raakte betoverd door een plompe amorfe chagrijnige tijgerpython. Hij kreeg levende witte muizen te eten. Hij zwolg ze naar binnen. Hij leek niet te beseffen dat de muizen een familie, een ziel en een gevoelsleven bezaten. Zijn morele kompas was stuk.

Dan opnieuw een dier dat niets te zoeken had in het reptielenverblijf: de schorpioen. De schorpioen zorgde voor spektakel: hij richtte zijn achterlijf op en viel de glazen wand aan. Hij had het op mij gemunt, er spoot gif uit zijn staart. Ik maakte me uit de voeten, ik voelde me duizelig en kortademig. Ik fantaseerde vaak over gedood worden door een dier, maar het was meestal een ijsbeer die mij de das omdeed. Af en toe een luipaard. Nooit fantaseerde ik over gedood worden door kruipende schuifelende slijmerige glibberige giftige gecamoufleerde schepselen waarmee je geen oogcontact kon maken.

Ik repte me naar de krokodillen. Zij waren de apotheose. Het was druk bij de reptielen. Iedereen scheen hitsig, giechelachtig en bevend van de anticipatie, zoals net voor een rockconcert. Absurd, alligatoren waren geen rocksterren. Een snoeverige stoere scheepshersteller gooide geldstukken op de krokodillen om een reactie uit te lokken. Een simpele bijgelovige knopenverkoopster gooide geldstukken op de krokodillen om geluk af te dwingen. Er kwam geen reactie van de krokodillen, en geen enkele mens heeft recht op geluk. Plots ging het licht uit en er werd een jungleonweer gesimuleerd: bliksemschichten, donderslagen en verbijsterende psychotische kreten van ara’s of primaten. Het was huiveringwekkend, ik bevuilde mezelf. Iedereen wendde zich gedegouteerd van me af. Goed zo!

Nu had ik de krokodillen voor mij alleen. Ze lagen beneden, hun kleinste tanden waren groter dan de tenen van mijn aanbiddelijke driftige saterachtige grootvader van De Panne. Onder de grote tafel in de woonkamer had ik zijn tenen vaak bestudeerd: de scheve vergeelde demonische kalknagels intrigeerden mij het meest. Een wulpse Litouwse ex-garnalenpelster knipte ze soms met een tang waarmee je kon binnenraken in het Witte Huis. De tanden van de krokodillen stonden krom en scheef, dat was het enige meelijwekkende aspect aan hen. Ze hadden een weke witte buik, maar die kreeg ik niet te zien. Eén van mijn drollen glipte langs mijn broekspijp op de grond, plop. Ik raapte de drol op en liet hem vallen op de kop van de grootste krokodil. Hij bewoog kort, verward of geërgerd. Mijn stront was misschien in zijn oog terechtgekomen. Het onweer ging voorbij, de nagebootste jungle stopte. Het gewone licht werd weer aangestoken en iedereen zag dat mijn handen besmeurd waren met stront. Er werd geschaterd, gekokhalsd en gevloekt. Ik rende het reptielenverblijf uit en friste mezelf op in een toilethokje.

Toen ik eindelijk klaar was, was het reeds 14u22. Mijn vader stond zonder Kelly McGillis bij de leeuwen. Hij zei kwaad: ‘Je bent te laat!’ Ik maakte een woordspeling om hem te paaien, mijn vader was verzot op woordspelingen: ‘Ik was bij de rococodillen.’ Hij lachte niet. Ik ondernam een tweede poging: ‘Ik was bij de allezgatoren.’ Mijn vader reageerde niet. Ik zei: ‘Heb je het niet begrepen misschien? Allez, ga, toren, alligatoren.’ Mijn vader zei nukkig: ‘Het is geen geslaagde woordspeling.’ We namen de trein terug naar Gent, ik hunkerde naar mijn moeder. Mijn moeder hield altijd van mij: koorts, incontinentie, pyromanie, promiscuïteit, flauwe woordspelingen, Pretty Vacant te luid afgespeeld, … Nog bleef ze van mij houden. Onvoorwaardelijk.

Wanhopig maakte ik een derde woordspeling: ‘Alligator, allimater!’
Het was de slechtste woordspeling van de drie, maar mijn vader grijnsde eindelijk.

Over de auteur

Delphine Lecompte