Delphine Lecompte – Ouders en dolfijnen
Mijn eerste bezoek aan het dolfinarium zal ik nooit vergeten. De dolfijnen grijnsden, ze bleven maar grijnzen. Ze beleefden geen plezier. Mijn vader en ik beleefden evenmin plezier, maar wij moesten tenminste niet door hoepels springen. Mijn vader had een kater, hij had me meegenomen naar de zoo van Antwerpen omdat ik jarig was: elf jaar oud. Had mijn moeder mij meegenomen naar de zoo, dan had ik gezegd: ‘Ik hou niet van dieren in gevangenschap, je bent medeplichtig aan dierenleed, je bent een beul.’ Maar voor mijn vader was ik veel genadiger.
Ik had medelijden met hem: hij was een houterige bedeesde onbeholpen gebochelde drankzuchtige mislukte liedjesschrijver.
Hij was arm.
Hij had geen wasmachine en geen frietketel.
Hij had zelfs geen paraplu en geen abonnement op een krant.
Hij ging nooit op reis.
Hij verliet zelden Gent, maar speciaal voor mijn elfde verjaardag verlegde hij zijn grenzen. Ik moest hem dankbaar zijn, maar de vernederende uitbuitende potsierlijke show met de grimassende dolfijnen was niet om aan te zien. Ik keek naar de andere kinderen: ze kraaiden. Ze hadden het naar hun zin, de dommige gewetenloze onverlaten. Hun vaders waren eveneens zielig en alcoholistisch. De moeders waren kwetterend, dromerig, melancholisch, sarcastisch, bont, rumoerig, geestig en genereus.
De dolfijnen kregen een dode vis na elk kunstje. Ze namen de vissen gretig aan.
‘Doe dat niet!’
Het was sterker dan mezelf.
‘Wat scheelt er?’ vroeg mijn vader.
‘Ik moet braken.’
‘Ga dan naar buiten,’ zei mijn vader ongeduldig. Ik ging naar buiten, een gorilla was op zijn borst aan het trommelen. Omdat hij in gevangenschap leefde was het een zielig spektakel. Ik keek naar de ijsberen, ze waren zeer gevaarlijk. Als ik daar beneden in het koude water terechtkwam zouden ze me zonder aarzeling verslinden. Het was verleidelijk om in het bassin van de ijsberen te springen. Ik leefde niet graag. Ik was er onlangs achter gekomen dat de dood constant op de loer lag, en als ik hem te slim af was wachtten mij: eczeem, depressie, paranoia, woede, wrok, inhaligheid, pyromanie en alcoholisme. De kwalen van mijn familie, langs beide kanten.
Ik keerde terug naar het dolfinarium. De dolfijnen waren zijlings aan het zwemmen en ze begroetten zogezegd het publiek met hun vinnen. Ze wisten niet eens wat een begroeting was. Mijn vader zag er bleek en klam uit, hij dronk uit een ouderwetse heupfles. In Some Like It Hot haalde Marilyn Monroe zo’n heupfles uit haar jarretel, de als vrouwen verklede Tony Curtis en Jack Lemmon stonden erop te kijken. Het was de periode van de drooglegging.
Een kind werd uit het publiek gehaald: een blond meisje met een beugel en sproetjes. Ze mocht een dolfijn strelen. Mijn vader vroeg: ‘Ben je jaloers?’
‘Op haar sproetjes?’
‘Je weet wel wat ik bedoel. Zou je ook graag een dolfijn strelen?’
Ik aarzelde. Dat had ik beter niet gedaan. Mijn vader stormde naar beneden, we zaten precies in een arena. Hij struikelde, maar het was niet erg. Hij stond weer op, hij klampte de meest rondborstige dolfijnenverzorgster aan. Mijn vader deed altijd alsof vrouwelijk schoon hem onverschillig liet, maar het was hypocrisie. Hij was verzot op voluptueuze vrouwen. Hij vroeg regelmatig de weg in Gent aan ravissante piepjonge lankmoedige weerloze deernen. Hij kende de weg op zijn duimpje. De meeste deernen behandelden hem hooghartig, wantrouwig en minachtend.
Mijn vader wenkte mij, ik daalde nukkig de trappen af. Ik streelde de naar adem happende dolfijn die speciaal voor mij op het droge was gehesen. Hij was niet glad, niet zo glad als verwacht. Hij had de textuur van mijn pennenzak van Rataplan, de oliedomme hond van Lucky Luke.
Na het dolfinarium kreeg ik een kleine pluchen koalabeer. De winkel verkocht koala’s, er waren nochtans geen koala’s te bezichtigen in de zoo. We zochten ze tevergeefs. We aten boterhammen met kaas met onze rug naar een stel kamelen. Ik vroeg aan mijn vader: ‘Hoe heten kamelen in groep?’
‘Een kudde.’
Een kudde, een troep, een roedel, een zwerm, een school, een kolonie, een toom.
Mijn vader zei plots frivool: ‘Ik kan/ Kamelen/ Uw lucht/ Niet velen.’
Ik zei om hem te paaien: ‘Grappig.’
‘Ja, ik weet het.’
Hij deed alsof het zijn vondst was, maar ik wist dat de regels uit het gedicht ‘Naar Archangel’ van Jan Hanlo kwamen. Mijn belezen overheersende moeder ramde constant gedichten door mijn strot.
Een kameel kwam zodanig dicht bij ons staan dat ik zijn warme adem voelde in mijn nek. Ik draaide me kwaad om, de kameel schrok niet. Hij was loom aan het kauwen, hij blonk uit in onverschilligheid.
Mijn vader vroeg: ‘Wil je naar huis?’
‘Nee. Ik wil de okapi’s zien.’
We vonden de okapi’s niet, mijn vader kotste naast het verblijf van de condor. De rondborstige dolfijnenverzorgster verscheen, ze droeg normale kleren. Haar shift zat erop. Ze negeerde mij, ze speelde flirterig met haar lange bruine lokken en vroeg aan mijn vader of hij eens met haar naar de cinema wilde gaan.
‘Naar Jaws,’ zei ik. De volwassenen negeerden mij. Mijn vader sprak af met de dolfijnenverzorgster. Ik liep weg, ik liep het dolfinarium weer binnen.
Elk uur was er een show, de dolfijnen werden afgebeuld. Ik gooide mijn koala in het water toen de dolfijnen verschenen. Ik probeerde zelf ook in het water te springen, maar een mannelijke dolfijnenverzorger vatte me bij de kraag. Hij was sterk, bijna even sterk als een tijger. Het publiek jouwde me uit. Het was een hatelijk publiek dat voornamelijk uit cynische tienermoeders en neonazistische kiwisorteerders bestond.
De mannelijke dolfijnenverzorger nam me mee naar een soort laboratorium aan de achterkant van het dolfinarium. Hij was plots poeslief, hij zei: ‘Hier bereidden we de maaltijden voor de dieren.’ Hij gaf me een glas appelsap. Hij vroeg: ‘Wil je een rietje?’
‘Nee.’
Hij vroeg: ‘Wat is je lievelingsdier?’
‘Ik weet het niet.’
Ik keek gefascineerd naar een grote doorzichtige bak vol krioelende maden. De dolfijnenverzorger streelde mijn onderrug en hij kuste de hoek van mijn mond. Ik nam de bak vol maden, de bak had geen deksel. Ik gooide de maden in de schoot van de dolfijnenverzorger en schreeuwde: ‘Boontje komt om zijn loontje!’ Ik liep weg, ik vond een nooduitgang.
Ik zocht mijn vader, maar ik vond een veel interessanter zoogdier: een Amerikaanse bizon. Een stokoude rabbijn was de bizon aan het tekenen. Zeer geslaagd. Tot en met mijn tiende was ik een zorgeloze fantasierijke tekenaar geweest, maar sinds de racistische meester Willy had gelachen met mijn draak op mijn tekening van het belfort van Gent geloofde ik niet meer in mijn talent. Gelukkig had ik nog mijn gedichten. Die waren briljant, dat stond als een paal boven water. Ik schreef voornamelijk gedichten over dieren. Hanlo kon nog wat van mij opsteken. Mijn moeder zei dat ik ook eens over de seizoenen, over glasnost en over hartzeer moest schrijven. Laat maar.
Daar stond mijn vader, de alcoholistische reumatische gebochelde sukkelaar. Hij had een tijdje geleden een ukelele gekocht, hij bakte er niets van. Vreemd genoeg schenen sommige jonge vrouwen hem toch te mogen. De vrouwen waren altijd tegenpolen van mijn moeder: naïef, bijgelovig, dromerig, guitig, hartelijk, vergevingsgezind, smakeloos, opzichtig, zorgzaam, vulgair en aanbiddelijk. Mijn moeder was intellectueel, choleriek, genadeloos, sarcastisch en intimiderend. Mijn vader zag me en zei: ‘Daphne wil je meenemen naar de voederruimte van de dolfijnen.’ Daphne! Zoals Jack Lemmon in Some Like It Hot.
Daphne nam me mee. Mijn vader liep achter ons, hij was in zijn nopjes. Ik mocht een dode vis geven aan een zwangere dolfijn. Ik zei: ‘Het is godgeklaagd dat deze arme dolfijn niet mag bevallen in de oceaan.’ Daphne fronste. Mijn vader zei razend: ‘Je bent een ondankbaar schepsel, zoals je moeder!’
We verlieten de zoo en namen de trein terug naar Gent. In de trein maakte mijn vader ruzie met een groepje jongeren dat met een gettoblaster naar De La Soul luisterde. Te luid, volgens mijn vader. Ik had schrik dat hij slaag zou krijgen, maar hij kreeg geen slaag. Terug in Gent zette mijn vader me af in het Baudelopark. Van daaruit was het slechts een vijftigtal meter naar het donkere ongezellige rijhuis van mijn fiere opvliegende tirannieke moeder en mijn sombere mompelende hypochondrische stiefvader die meestal in zijn slaapkamer bleef, nougatrepen at en Mallarmé las. Ze sliepen apart, mijn moeder en mijn stiefvader.
Mijn moeder vroeg: ‘Was het leuk in de dierentuin, Fientje?’
‘Natuurlijk niet! De dieren lijden, vooral de poema’s en de bevers. Verder werd ik ook nog eens aangerand door een vieze pedofiele dolfijnenverzorger. Ik heb een bak maden in zijn schoot gegooid, ha ha!’
‘Stoer, Fientje,’ zei mijn moeder smalend, alsof ze me niet geloofde.
Ik haalde mijn schouders op. Ik wist toch zelf wel hoe heroïsch ik was geweest. Stoer Fientje, inderdaad! Mijn moeder vroeg ook nog: ‘Heeft je vader zich gedragen?’ Ik ging de arme sukkel niet aan de galg praten, ik zweeg in alle talen over Daphne. Maar ik zei wel dat hij ruzie had gemaakt in de trein met een bende jongeren die naar De La Soul luisterde. Ze waren mak, de jongeren. Ze zetten hun gettoblaster niet zachter, maar uit!

