Delphine Lecompte – Bianca, de favoriete ezelin van de veelgeplaagde ezeldrijver
Waarom? Waarom was Bianca de favoriete ezelin? Het favoriete schepsel van de veelgeplaagde ezeldrijver? Hij mocht haar liever dan zijn lichtzinnige overspelige vrouw en veel liever dan zijn ondankbare criminele immorele zoon. Dat kon niemand hem kwalijk nemen. Maar zijn devotie voor Bianca ging verder: hij verkoos haar boven alle andere ezels, en boven de kinderen.
Wij, de kinderen van De Panne, werden tijdens lange plakkerige omineuze zomerse dagen op het strand tweemaal daags op een ezel geplant. Dan waren onze opvoeders een tijdje van ons verlost. Een rit met de ezels duurde misschien wel anderhalf uur, of langer. Het was meer dan een rit, het was minder dan een Odyssee. Het was een tocht. De veelgeplaagde ezeldrijver had zes ezels. Op elke ezel konden twee kinderen zitten. Bianca liep vooraan. Ze droeg een vieze versleten fopspeen om haar nek. De fopspeen stoorde haar, dat was duidelijk. Er werd gefluisterd dat de fopspeen had toebehoord aan het eerste kind van de ezeldrijver en zijn vrouw. Het kind was gestorven aan wiegendood toen het zes maanden oud was. Nee: het flinke jongetje was in een waterput gevallen op zijn zevende. De ezeldrijver had zich na de dood van zijn eerstgeborene gestort op zijn ezels, zijn vrouw had zich gestort op Noord-Franse scheepsherstellers. Maar ook: op analfabete schoorsteenvegers, op norse lamaverzorgers, op morose windhondenfokkers, op luchthartige degenslikkers, op naïeve pistoolschilders en op blasfemische horlogemakers afkomstig uit Lausanne.
Bianca was de oudste en de minst aantrekkelijke ezel. De andere ezels hadden geen respect voor haar en de kinderen wilden niet op haar zitten omdat ze alopecia had. De overgebleven zoon van de ezeldrijver sloeg Bianca met een spade wanneer hij de kans kreeg, en hij probeerde haar ook eens te vergiftigen met blauweregen. Ik was verliefd op de gemene verwilderde woeste ruwhartige blonde ezeldrijverzoon. Maar ik was ook verliefd op de ezeldrijver zelf. Op wie was ik eigenlijk niet verliefd?
Ik was niet verliefd op Bianca. Ik was zelfs niet aan haar gehecht. Ze was beter dan de meeste mensen, maar ze was niet beter dan de ezeldrijver.
In de zomer van 1988 kreeg ik een groeischeut. Ik was tien en sowieso te oud voor de ezels, acht was de maximumleeftijd. Omdat ik zo tenger en klein was had de ezeldrijver een uitzondering voor mij gemaakt. Maar nu kon het echt niet meer door de beugel: ik was niet alleen gegroeid in de lengte, ik was ook behoorlijk fors geworden. Zeg maar struis. Zeg maar niets.
Maar iedereen zei van alles: vooral mijn moeder en mijn stiefzus Annemie lachten genadeloos met mijn overgewicht. Bianca werd ook zwaar in de zomer van 1988. Zeg maar log. Zeg maar enorm. Zeg maar dik. Zeg maar niets. Zeg vooral niet lijmfabriek. De ezeldrijverzoon gooide kroonkurken, schildpadvormpjes, hondendrollen, kapotte emmers, vermangelde zeesterren en dode krabben naar de lievelingsezel van zijn vader. Ik kon het niet meer aanzien. Ik was geen klikspaan, maar ik moest de ezeldrijver op de hoogte brengen van de mishandeling van Bianca.
’s Avonds na zonsondergang ging ik naar de stoeterij waar alle ezels werden ondergebracht. Ik trof Bianca aan in een vieze stal, de ezeldrijver lag volledig naakt naast haar. Bianca schuurde op neurotische wijze haar hoofd tegen de staldeur. Of hadden slechts paarden een hoofd en ezels, net als andere dieren, een stomme kop? De ezeldrijver werd wakker en zei tegen mij: ‘Ik ben dronken.’
Ik zei: ‘Je bent naakt.’
Hij bekeek zijn handen en zei: ‘Je hebt gelijk: ik ben naakt.’
Ik vroeg: ‘Heeft je zoon je kleren gestolen?’
‘Nee.’
De ezeldrijver bood me zijn fles whisky aan, het was een goedkoop merk. Mijn grootouders van De Panne waren whiskydrinkers, mijn grootmoeder schonk altijd glazen van het goedkope merk in voor de loodgieter, de tuinman, de houthakker en andere klusjesmannen. Tot grote woede van mijn grootvader die vond dat de klusjesmannen recht hadden op dure whisky, ze verdienden het alleszins meer dan de vileine achteloze ongenaakbare intellectuele vriendinnen van mijn grootmoeder in wier buurt mijn grootvader zich dom en onwennig voelde. Mijn grootvader kwam uit een familie van voddenrapers en spoorwegarbeiders, hij was als eerste van de familie naar de universiteit gegaan. Hij was rechter geworden, substituten en schepenen deden kruiperig tegen hem. Maar hij verkoos het gezelschap van vissers, fazantenstropers, paardengokkers, messenwerpers en koorddanseressen.
Ik dronk gulzig van de fles en kokhalsde. Bianca schrok van het geluid. Ik klopte geruststellend op haar flank.
Ik vroeg aan de ezeldrijver: ‘Mag ik mij ook uitkleden?’
‘Natuurlijk.’
Ik trok mijn kleren uit. Toen was iedereen in de stal naakt, het was verschrikkelijk. Ik zat in kleermakerszit, het stro irriteerde mijn perineum.
De veelgeplaagde ezeldrijver zei: ‘Je kan me hier elke avond vinden, de dood.’
‘De dood?’
‘Ik bedoel: elke avond praat ik hier met Bianca over de dood.’
‘Bloot?’
‘Nee, niet naakt. Met kleren aan. Gekleed, zoals je mij kent. Je kent mij gekleed, sober gekleed.’
‘Nu ken ik je naakt.’
‘Maar je wendt je blik af.’
‘Bianca is mooier om naar te kijken,’ bekende ik.
‘Dat zal dan wel kloppen,’ zei de ezeldrijver gekwetst.
Hij keek naar mijn bleke plompe kinderlijf, ik trok nooit mijn buik in. Ook nu niet. Mijn moeder reclameerde er vaak over, op alle vakantiefoto’s stond ik met een obscene bolle buik. Alsof ik trots was op mijn wanstaltigheid, op mijn gebrek aan waardigheid.
De ezeldrijver vroeg: ‘Ben je zwanger?’
‘Onnozelaar! Ik heb nog niet eens mijn maandstonden!’
‘Hou oud ben je?’
‘Tien, dat weet je!’
‘Tien is oud genoeg om te menstrueren.’
Bianca begon luid te balken, niemand antwoordde. Ik streelde haar borst, haar borst was veel zachter dan haar rug.
De ezeldrijver zei: ‘Het zou grappig zijn mocht je een kind krijgen in deze stal, floep. Bijbels.’
‘Ik wil geen kinderen.’
‘Waarom niet?’
‘Misschien worden het dierenbeulen, dan moet ik ze doden. Misschien doden ze eerst mij.’
‘Ja.’
De ezeldrijver gooide een suikerwafel naar mij, de suikerwafel was droog en de suikerkorrels binnenin waren te groot.
De ezeldrijver vroeg: ‘Ken je Bianca Jagger?’
‘Nee.’
‘Ze betrad Studio 54 op een majesteitelijk wit paard, ik was erbij. Ik was een nietsnut.’
‘Wat is Studio 54?’
‘Een legendarische nachtclub in New York.’
Ik zei: ‘Wij moeten ons tevredenstellen met discotheek Beetlejuice in Koksijde.’
De ezeldrijver zei: ‘Ik heb een idee: laten we discotheek Beetlejuice binnenvallen op Bianca, een rel creëren!’
Ik vroeg: ‘Waarom wil je een rel creëren?’
‘Ik wil altijd rellen creëren, dat is een kant van mij die je nog niet kent.’
We dronken onszelf moed in. Bianca had al moed, ze was ermee geboren. In de stal droeg ze de fopspeen niet. Toch vroeg ik aan de ezeldrijver: ‘Waarom moet Bianca altijd een fopspeen dragen op het strand? Is het waar wat de mensen zeggen?’
‘Wat zeggen de mensen?’
‘Dat de fopspeen toebehoorde aan je eerstgeborene en dat hij is gevallen in een waterput.’
‘Hij is verdwenen op vakantie in Bulgarije. Het ene moment stond hij naast me in een zonnebrillenwinkel, het volgende moment was hij verdwenen. Mijn vrouw is altijd kwaad op mij gebleven.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik de zonnebril die ik in mijn handen had naar de kassa heb gebracht en het juiste bedrag op de toonbank heb gelegd. Volgens haar heb ik kostbare minuten verspeeld, alles is mijn schuld…’
‘Misschien komt hij nog terug, je zoon.’
‘Hij zou nu 28 zijn.’
‘Wil je hem nog?’
‘Ja, ha ha. Vreemd genoeg wel.’
De ezeldrijver legde een deken op Bianca. Daarna tilde hij me op en zette hij me op zijn favoriete ezelin, schrijlings. Mijn grootmoeder verplichtte me altijd om in amazonezit op de ezels te zitten, maar ze ging bijna nooit meer mee naar het strand want sinds haar pensioen had ze een chronische depressie en verder dronk ze veel meer calvados dan vroeger en ze schreef ook nog eens hitsige spitsvondige blasfemische gedichten die niemand mocht lezen behalve haar beste vriend, de raadselachtige Zwitserse dadaïst die twee keer per jaar bij mijn grootouders logeerde en die een duivelse air had.
We verlieten de stal, het was niet ver lopen naar discotheek Beetlejuice. Op het parkeerterrein lagen half opgegeten pannenkoeken, gebruikte condooms, gesluikstorte terraria en kromme vijzen. De veelgeplaagde ezeldrijver ging nu ook schrijlings op Bianca zitten, achter mij. Ik voelde zijn weke genitaliën in mijn rug, er kwam wat vocht uit zijn penis. Ik verschoof naar voren maar er was weinig plaats en de manen van Bianca verwondden mijn schaamlippen. Van ezels werd gezegd dat ze koppig waren, maar Bianca was net erg lieftallig en meegaand. Ook nu was het niet anders: ze betrad zonder morren discotheek Beetlejuice. De zoon van de ezeldrijver was als een bezetene aan het dansen. Bianca probeerde hem dood te stampen, maar hij ontkwam. Weliswaar met de daver op het lijf. In de discotheek droeg iedereen blitse zilveren kleren met ritsen en pailletten.
Plotseling besefte ik hoe naakt ik was, ik voelde me weerloos en belachelijk. Ik sprong van Bianca. Ik duwde de ezeldrijver van haar rug, greep het deken dat op haar rug lag en wikkelde me erin. Nu was ik precies een holbewoner. De ezeldrijver werd uitgejouwd en afgeranseld. Vernederd verlieten Bianca, de ezeldrijver en ik de discotheek. Bianca scheen nog het minst vernederd. Het was verkeerd geweest van ons om haar op deze manier te gebruiken.
Ik zei tegen de ezeldrijver: ‘De rel was een fiasco.’
De ezeldrijver zei: ‘Bianca moet nooit meer naar het strand, de kinderen zijn ambetant.’
‘Ga je haar laten inslapen?’
‘Natuurlijk niet!’
‘Moet ze dan misschien naar de lijmfabriek?’
‘Nee, raar kind, nee!’
Opgelucht keerde ik terug naar het huis van mijn grootouders. Ze woonden in de Toeristenlaan, het paste goed bij mijn grootvader: hij was altijd joviaal maar hij voelde zich nergens thuis. Hij had altijd heimwee naar Pittem waar hij nochtans werd mismeesterd door zijn zotte schizofrene vader en waar hij vaak met een lege maag naar bed ging.
Ik keek naar de volle maan en balkte. Ik klonk niet als een ezel, ik klonk hooguit als een kikker. Mijn grootvader zat in de woonkamer op me te wachten, hij gaf me een pandoering. Na de pandoering dronken we zondige mysterieuze Pisang Ambon. Achteraf aten we zure troosteloze yoghurt als boetedoening. De zon kwam op en ik wilde me ophangen. Mijn grootmoeder betrad de woonkamer en zei: ‘Fientje, vandaag krijg je nieuwe kleren omdat je zoveel bent aangekomen, en een vlieger.’
Het interesseerde me niet.

