Gepubliceerd op: zaterdag 25 oktober 2025

KP53: Jan van Nijlen

 

De cactus

Kaal staat hij voor de blankheid der gordijnen,
Verschrompeld in wat kiezel en wat zand
En mist zijn ziel: het alverschroeiend schijnen
Der eeuwge zomers van zijn vaderland.

Maar aan het einde van zijn lijdzaam dulden,
Spruit op een lichten morgen, als een vlam
Van ’t heet verlangen dat hem gansch vervulde,
Een bloem van heimwee uit zijn dorren stam.

Hij bloeit; en in dien onverwachten droom
Laat hij een stond zijn heimlijk wezen blinken
In ’t graf van ’t broze bloemblad en aroom,

Zooals de dichter die, na harden strijd,
Zijn innigst voelen in een lied doet klinken
En weerkeert tot zijn oude eenzelvigheid.

 

Over de dichter Jan van Nijlen (1884 – 1965)
Over Jan van Nijlen zijn volgens zijn biograaf, de Leuvenaar Stefan van den Bossche (1962), relatief weinig persoonlijke gegevens bekend. Hij moet het vooral hebben van akten van de burgerlijke stand en doopregisters. Daarvoor blijkt een moverende reden te zijn. Van Nijlens zus is ingetreden als non en klimt in de hiërarchie op tot moeder-overste. In die functie zou zij – Soeur Maria – zich schuldig hebben gemaakt aan financiële malversaties. Deze schande en diepe schaamte zouden bij de katholieke familie Van Nijlen hebben geleid tot terughoudendheid in het openbare leven en het vernietigen van private gegevens.

Uit doopregisters en burgerlijke documenten kan wel enige informatie opgevist worden. Interessantere gegevens zijn volgens de biograaf te vinden in zijn gedichtenbundels. Daaruit blijkt dat vader en zoon een kille verstandhouding hebben. Men leze daartoe de hieronder aangehaalde versregels uit het gedicht ‘Een zoon denkt aan zijn vader’.

Meer dan een kwarteeuw leefde ik in zijn huis,
Dat luid was van zijn stap en zware stem;
Ik zat met hem aan tafel driemaal daags
En al die jaren bleef ik vreemd aan hem.

(…)

Ik droomde veilig in de warme keuken,
Hij zat te werken in zijn bruin kantoor;
Van deze twee vertrekken, zeer gescheiden,
Klonk nooit een klank van ‘t één tot ‘t ander door.

(…)

In zijn gedicht ‘Eenzaamheid’ wijdt Van Nijlen opnieuw enkele versregels aan zijn omgang met de naaste familie. Naast de vader krijgen moeder en zijn zus de nodige vegen uit de pan. Vermoedelijk is hij daaraan zelf medeschuldig.

(…)
En, zelfs geboren uit dezelfde schoot,
Zijn wij nog vreemden voor elkaar.

Wat weet ik van mijn zuster en mijn vader,
Wat van mijn moeder?
(…)

Kortom, beklemmende woorden die hij over zijn naasten uitspreekt. Als hij kans ziet, ontvlucht hij het ouderlijk huis. Vertoeft enige tijd in Parijs, brengt noodgedwongen langere tijd door in een Arnhems sanatorium en ontvlucht België als een wereldoorlog dreigender naderbij komt. Meestal keert hij na enige tijd berooid of ontgoocheld terug naar de ouderlijke woonstede met groentetuin en gaard.

Intussen is hij vader geworden en omdat hij met zijn dichterschap onvoldoende revenuen binnenhaalt, is hij genoodzaakt een baan te zoeken; het wordt een job in de ambtenarij. Hem ligt dan een vergelijkbare werksleur in het verschiet als zijn vader eerder had. Tot aan zijn pensioen vervult Van Nijlen decennialang op het Belgische Ministerie van Defensie kleurloos maar nauwgezet zijn ambtelijke plichten als taalklerk en vertaler.

Zijn er dan geen interviews met Jan gehouden? Nauwelijks, hoewel hij tijdens zijn leven veelvuldig is geëerd met prestigieuze prijzen, gaf hij zelden of nooit gehoor aan de daarmee vergezeld gaande prijsuitreikingen. Hij wil onder geen beding in de schijnwerpers staan, mijdt elke vorm van publiciteit en is karig naar zijn uitgevers inzake het verstrekken van bijzonderheden uit zijn leven. Veilig voelt hij zich alleen in de zelfgekozen kerkers van zijn diep verborgen innerlijk, waarin hij zijn eigen rechter, gevangene en cipier is. In een variant daarop zegt hij daarover in het gedicht ‘De Kooi’:

Is dit de kooi waarin ik ben gevangen
waar is het slot en wie ontsluit de deur?

Zijn dagelijkse werk brengt hij door als in een verdovende sedatie. En in die kleine afgesloten wereld komt zijn uitzonderlijke dichttalent tot bloei: de ene keer luchtig en badinerend, de andere keer droef en pijnlijk. Juist in die pijnlijke, veelal verholen lyriek, neemt de lezer soms zijn gespletenheid en worsteling waar tussen zijn persoon als dichter en die als kantoorklerk, zoals in onderstaand vers:

’t Is Jan van Nijlen niet
die zijn gedichten schreef,
ik ben de dichter
van de verzen die hij schreef.
Ik was het die,
terwijl Van Nijlen sliep,
bij lente- en zomertijd
door bos en weide liep,
die kruiden zocht en bloemen
en praatte met de dieren,
en die, terwijl hij op een droog kantoor
zijn ziel en zaligheid verloor,
in zijn plaats naar de wolken keek.

Ondanks zijn immanente neerslachtigheid kan hij in tegenstelling tot zijn geest- en schrijfverwant J.C. Bloem soms bemoedigend zijn, zoals in de overbekende oproep in zijn gedicht ‘Bericht aan de reizigers’:

Bestijg den trein nooit zonder Uw valies met dromen
dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.’

In augustus 1965 sterft hij – enkele jaren na de dood van zijn vrouw – na een noodlottige operatie in het ziekenhuis te Ukkel, de plaats waar hij ook ten grave is gelegd.

Thema en vorm van het gedicht
Met zijn uitgeplozen woordgebruik schetst de dichter de tragiek van een cactus als verstekeling op de vensterbank van een pover maar proper huisje in een stille straat: ‘kaal, verschrompeld, zielloos, in kiezel en zand en in dorre stam’. Maar als geen ander weet de dichter de jarenlange tragiek van de cactus te transformeren naar slechts dat ene moment, waarop de cactus zijn uit weemoed geboren ‘heimelijk wezen [laat] blinken’.

Het lijkt overigens Van Nijlens gave te zijn het minste van een bepaalde soort te verheffen, zoals in het gedicht ‘Winter op het land’, waarin hij het laatste en minste der gewassen ‘op witbrijmde velden’, namelijk het achtergebleven loofraap, verheft tot ‘het laatste groen sieraad des najaars’.
Op dezelfde wijze komt hij in het gedicht ‘De Tortel’ op voor die kleine, bruingrijze duif, wiens eenzelvig koeren, dof en schor, zijn omgeving stierlijk verveelt en irriteert. Zelfs het ploffen van appels, pruimen en perziken in het hoge gras van de ouderlijke boomgaard ontkomen niet aan Van Nijlens aandacht. En heeft hij het over de oogst van akker of groentetuin, dan schrijft hij bij voorkeur over de meest bescheiden gewassen als klaver, venkel en komkommer.

Met zijn uitgelezen, alternerend eindrijmschema en rijmrijke afwisseling van korte en lange sonanten toont Van Nijlen zich in de ‘Cactus’ enerzijds een volwaardig representant van de op klassieke leest geënte Vlaamse dichtschool.

Hij demonstreert dat onder andere in het octaaf met zijn eindrijmconstructie van alternerend vrouwelijk en mannelijk eindrijm. Een alternatie die zich taalambachtelijk en creatief herhaalt als mannelijk en vrouwelijk eindrijm in het sextet: efe en gfg, waarbinnen een nog subtielere eindrijm-ordening in de afzonderlijke terzinen opduikt in de vorm van omarmend eindrijm. Die twee kleine, zelfstandige en door omsluitend eindrijm bijeengehouden versregels symboliseren daarmee hun overeenkomst, namelijk hun beider eigenheid en geslotenheid, enerzijds verwoord in de 3e strofe: de cactus, zijn diepste wezen en uiteindelijke graf èn anderzijds in de 4e strofe: de dichter, zijn innigst bloeien en wederkeer naar zijn kerker.

Opvallend zijn de beklemtoonde halfrijmen, de sonanten. In het octaaf (en ook in het sextet) vallen de korte a-rijmen op: blankheid, zand, alverschroeiend, land, vlam, verlangen, gansch en stam. Die korte klanken zouden semantisch geduid kunnen worden als korte, zich herhalende eructatio’s, wat niet inhoudt het rommelen in het binnenste van een vulkaan maar van het rommelen in het innerlijk van de cactus en dichter en hun wachten op een uitbarsting.

De beklemtoonde lange en diftongsonanten vallen eveneens op. Beperken we ons tot het sextet dan zijn de meest opvallende: room – broze – aroom ; bloeit – bloem(blad) – voelen; hij – heimlijk – strijd – (eenzelvig)heid. Hun betekenis? Wellicht dat het retarderende effect dat uitgaat van de verklanking van de langvocalen inspeelt op de uiteindelijke aanvaarding van hun beider lot.

Anderzijds manifesteert de dichter zich tegelijkertijd als nieuweling en later als redacteur van de beweging Van Nu en Straks. Een beweging die zich laat inspireren door contemporaine en internationale stromingen, zoals naturalisme, symbolisme, vitalisme en expressionisme. Een beweging die de lange dominantie van de Vlaamse Beweging op de dichtkunst in Vlaanderen doorbreekt.

In de laatste strofe creëert de dichter een metonymie, de pars pro toto, als geschreven wordt in V 13: ‘Zijn innigst voelen in een lied doet klinken’. Bedoeld wordt daarmee de persoon van de dichter wiens diepste wezen wordt bezongen in het schoonste lied, het gedicht.

Tot slot nog een opmerking betreffende het jambische metrum dat functioneel gedragen en onderbroken wordt door spondeï, zoals ‘Kaal’ in V1, ‘maar’ in V5 en ‘Spruit’ in V6. Het lijken, net als de eerder besproken sonanten, klanksignalen te zijn die de lezer in antimetrische zin attent maken op de naderende, heftige metamorfose waarvan in het gedicht sprake is.

De inhoud van het gedicht
In het eerste kwatrijn van zijn sonnet beschrijft Van Nijlen het armetierige en ontzielde bestaan van een cactus. Van een eens zo trotse woestijnplant die dan op de hoek van een vensterbank in een voorkamer voor smetteloos witte gordijnen zijn eenzame jaren slijt. Wat ooit zijn zonovergoten, door hitte verschroeide leefruim was, is verworden tot louter een lemen pot met karig zand en een handvol kiezel. En buiten treurt – ‘achter de blankheid der gordijnen’ – zijn grijs en flets bewolkte hemel. Komt er dan nooit een eind aan dit eindeloos wachten? Als een genadeloze kwelling ondergaat de cactus ‘zijn lijdzaam dulden’.

Zo verglijden tergend langzaam de treurige uren tot maanden en tot jaren. Maar… in het 2e kwatrijn keert het tij als op ’een lichten morgen’ vanuit zijn verdroogd-slappe stam en tussen de stekelige uitwas van zijn verschrompelde huid plots als een steekvlam een friskleurige bloem ontspringt. En zie, hoe uit de donkere schacht van zijn stam oprijst de zeldzame bloei van een gekwelde ziel.

In het 3e kwatrijn lezen we dat de cactus ‘een stond’ slechts zijn heimelijk wezen toont om daarna weer terug te keren in zijn graf van kwijnend bloem en dorrend blad. De lang verbeide bloei is intens maar o, zo kort. In zijn eigen rottingslucht weet de cactus zich opnieuw verstoten. Dan volgt bij de overgang van de 3e naar de 4e strofe de wending van het sonnet.
Een wending die in V12 wordt ingeleid door het vergelijkend voegwoord ‘zoals’. In die ommekeer ligt opgeslagen de overeenkomst tussen de inhoud van de strofen 1 t/m 3, de cactus, en die van de 4e strofe, de dichter. De cactus in het gedicht is namelijk de dichter zelf. Zoals de cactus verpietert in een hem vervreemdende omgeving op de kale, smalle reep van een vensterplank, zo verpietert het leven van de dichter in de sleur van zijn decennialange kantoorbaan. Uiteindelijk hervinden zij hun diepste wezen: de cactus in zijn bloem en de dichter in zijn gedicht.

In de laatste strofe van het gedicht is de cactus de dichter. Hij voelt zich verstoten in zijn zelf gekozen isolement maar als een vuurtong flakkert de schoonheid van zijn poëzie op. Zij het gelukkig niet zelden zoals de cactus maar in overvloed, getuige de vele bundels met daarin zijn palet van rijk dichterschap.

 

——————————————————-

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP? Noteer zaterdag 22 november KP54 met daarin: Een gedicht van Remco Campert die de lezer tussen de regels door – zonder zelf te oordelen – kennis laat maken met de sluwheid van de politicus en met een oudere boerin bij wie een ieder graag op de koffie komt omdat ze zo eenvoudig en authentiek is.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.