Gepubliceerd op: zondag 19 oktober 2025

Delphine Lecompte – Het paard dat lief voor me was

 

Paarden bewonderde ik als kind, maar vanop een afstand. Ze boezemden me angst in, of toch alleszins ontzag. Hun tanden stoorden me nog het meest. Ze schenen me ook een tikkeltje hooghartig. Maar nog veel hooghartiger en angstaanjagender waren de mensen die hun beroep hadden gemaakt van paarden. Niet de hoefsmeden, maar de ruiters en de hautaine manegemadammen.

Toen mijn nichtje Alexandra elf was kreeg ze het in haar hoofd om op paardenkamp te gaan. Ze wilde niet alleen gaan, ik moest mee. Het paardenkamp duurde vijf dagen. Tijdens de eerste dag maakte mijn nichtje Alexandra reeds verschillende vrienden, maar ze liet me niet in de steek. Ik maakte geen vrienden, maar in de cafetaria van de manege raakte ik wel aan de praat met een joviale fazantenstroper. Hij gaf me een suikerwafel.

’s Middags maakten we kennis met de paarden: stuk voor stuk nukkige woelige onbetrouwbare kolossale briesende omineuze gevaarten. We kregen elk een paard toegewezen. We moesten ons paard roskammen. Mijn paard heette Laura. Laura was een oude bruine merrie met doffe ogen en lange zandkleurige wimpers. Ik roskamde Laura teder, maar ze verkoos een ruwere aanpak. Ik roskamde haar ruw, ze snoof wellustig. Toen kwam er een monitor de stal binnen met een zadel, aan het zadel hingen stijgbeugels. Laura werd onrustig. De monitor toonde me hoe ik het zadel moest vastmaken. Het was erg ingewikkeld. En barbaars. Maar nog veel barbaarser en wreder was het paardentuig: het bit en de teugels. Ik moest er een stokje voor steken. Ik zei tegen de monitor: ‘Deze praktijken kunnen niet door de beugel!’ De monitor zei: ‘Hou je mond, beginneling!’ Hij sloeg op het achterwerk van Laura, ze schudde kwaad haar hoofd.

Toen moest ik haar met de teugels naar de paddock leiden, en in de paddock moest ik haar bestijgen. Alle andere kinderen zaten al kaarsrecht klaar op hun ros. Ze staarden misprijzend naar Laura en naar mij. Het begon te sneeuwen, het was nochtans reeds april. Na enkele mislukte pogingen zat ik eindelijk op mijn paard, letterlijk. We leerden de draf: op en neer, op en neer, op en neer. Mijn schaambeen moest het zwaar bekopen. Ik had verhalen opgevangen van meisjes die hun maagdelijkheid waren kwijtgespeeld door het hotsen en botsen en hutsen en klutsen tijdens de paardensport. Maar dat kon bij mij niet gebeuren, ik was reeds op vijfjarige leeftijd ontmaagd door het handvat van de buxusschaar van de pedofiele tuinman.

Alexandra was de enige beginnende ruiter die een natuurtalent bleek, de instructeur gaf haar de toelating om te galopperen. Het paard van Alexandra was een slanke sierlijke onbevreesde Pinto hengst. Alexandra was ook slank, sierlijk en onbevreesd. Ze leek op een roekeloze vinnige enigmatische Lakota squaw. Ik was trots op haar en zei tegen de andere kinderen: ‘Dat is mijn nichtje Alexandra, die adembenemende rondborstige preutse amazone daar!’ Want ja: Alexandra had reeds borsten, maar haar borsten gebruiken om bedwelmende stugge scheepsherstellers voor zich te winnen? Ho maar! Ik hunkerde naar vrouwelijke rondingen, maar ik leek helaas op een ratachtig liefdeloos morsig korstig onbetrouwbaar Roemeens zwerfjongetje.

Na de eerste paardrijles was er een maaltijd in de cafetaria: pistolets met salami. Mijn nichtje stond in het middelpunt van de belangstelling. Ze gloeide en iedereen wilde naast haar zitten. De joviale fazantenstroper zat aan de toog, ik ging naast hem zitten. ‘Eet je niet met je vriendjes? Heb je geen honger, kind?’
‘Ik heb geen vriendjes en geen honger. De paardensport is niets voor mij. Het is pretentieus en sadistisch.’
‘Wist je dat niet op voorhand?’
‘Nee.’
De joviale fazantenstroper kocht een zakje paprikachips voor mij, het sneeuwde nog steeds. Ik zei: ‘Het sneeuwt in april, mijn tok is te groot.’ Hij lachte en zei: ‘Dat is bijna een haiku… Je bent een misnoegd zwartgallig kind. Lighten up!’ De fazantenstroper sprak over zijn kindertijd in Birmingham. Hij zei: ‘Ik ben opgegroeid in dezelfde straat als Tony Iommi.’
Ik zei: ‘Die naam doet geen belletje rinkelen.’
De fazantenstroper zuchtte en zei: ‘Mijn vader was een alcoholistische ketellapper, mijn moeder was een diabolische stay-at-home mom die soms illegale abortussen uitvoerde.’
Ik zei: ‘Je vader klinkt oké.’
‘Hij heeft mijn moeder over de kling gejaagd!’
‘Die uitdrukking ken ik niet.’
‘Vermoord!! Mijn vader heeft mijn moeder vermoord!’

Een monitor kwam tussenbeide, het was de monitor die Laura een wellustige klap op de kont had gegeven. De monitor had een potloodsnorretje, hij was erg lang en mager. Hij leek op een huichelachtige begrafenisondernemer. Hij droeg een zwarte trui met een capuchon, op de trui stond in grote witte letters: I STILL LIVE WITH MY PARENTS. De monitor was veel ouder dan de andere monitoren, misschien wel vijftig. Ik kende enkel zijn achternaam: Becue. Hij verplichtte me om aan een tafel te zitten, naast een cluster kwetterende meisjes die aan het bespreken waren welk liedje ze zouden brengen tijdens de playbackavond op de voorlaatste avond. Ze negeerden mij. Ik haatte playbackshows, het was niet echt.
Als zesjarige had ik een playbacktrauma opgelopen tijdens de jaarlijkse playbackshow in Immaculata: ik was de drummer van Europe en ik was zo in de nopjes met de echte drumsticks en de echte drumvellen en de echte drumbekkens en de echte drumcimbalen en de echte drumpedalen, dat ik een hels extatisch oorverdovend kabaal had gemaakt waardoor we als laatste waren geëindigd. Mijn nichtje was hoog geëindigd met True Blue, ze had een strandhanddoek gewonnen. Er stonden vlaggen op. Het waren vlaggen van Zuid-Amerikaanse landen. Sommige vlaggen waren ondertussen veranderd.

Ik observeerde de fazantenstroper, hij dronk jenever en werd erg melancholisch. Zijn vader was de moordenaar van zijn moeder. Zijn moeder was de moordenares van duizenden ongeboren kinderen. Mijn eigen moeder had onlangs meegelopen in een mars voor abortusrechten. Wellicht beklaagde ze zich dat ze haar zwangerschap van mij niet in de kiem had gesmoord. Ik was er toch gekomen. Onvriendelijk, eenzelvig en eczemateus. Gelukkig wilden mijn grootouders voor me zorgen. Tegen de wil van de sinistere monitor Becue stond ik op en bracht ik een pistolet met salami naar de fazantenstroper. Hij nam de pistolet aan en zei: ‘You’re kind.’
‘Vertel eens wat meer over die Tony Iommi.’
‘O, hij is een geniale gitarist. Nochtans dacht iedereen dat hij nooit meer gitaar zou kunnen spelen, hij verloor namelijk de topjes van zijn vingers tijdens zijn laatste werkdag in de metaalfabriek. De dokters waren pessimistisch, maar Tony boog zijn handicap om tot een mirakel: hij plaatste plastic kapjes van een lege afwasfles over zijn verminkte vingers en zo klonk zijn gitaarspel als geen enkel gitaarspel ooit voorheen had geklonken.’
‘Hoe klonk het gitaarspel van Iommi?’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Als het diabolische ketelgekletter van mijn vader zaliger. Hij werd vermoord door mijn moeder.’
‘Ik dacht dat je vader je moeder vermoordde??’
‘Dat kan ook.’

Plots werd ik van mijn barkruk getrokken door de grimmige gluiperige sinistere monitor Becue. Hij sleurde me de cafetaria uit en zei dat ik de rest van de avond in de slaapzaal van de meisjes moest blijven.
‘Suits me!’ zei ik gespeeld stoer. De slaapzaal van de meisjes was een puinhoop, ik had een slaapplek aan het raam waar het tochtig was. Ik had een uitzicht op bonte koeien, ze hadden het koud. Ik schreef een brief aan mijn moeder: ‘Liefste mama, ik weet dat je voor abortus bent, allemaal goed en wel. Maar je hebt je kans verkeken en nu zit je opgescheept met mij. Ik ben een belabberde ruiter, Alexandra blinkt uit. Ik ben bevriend geraakt met een fazantenstroper, hij komt uit Birmingham de bakermat van de ketelmuziek. Zijn moeder heeft zijn vader over de klink gejaagd, of omgekeerd. Het sneeuwt, ik heb een uitzicht op sombere koeien. Mijn paard heet Laura, een merrie dus. Het klikt tussen ons. Ze is wijs en versleten. Op de voorlaatste avond wordt er een playbackshow georganiseerd, ik zal niet deelnemen. Mijn tok is te groot. De andere kinderen sluiten me uit, ze moeten me niet. De monitoren zijn antipathiek, vooral Becue. Veel liefs, Delphine.’ Na de brief aan mijn moeder schreef ik een veel kortere brief aan mijn vader: ‘Dag papa, je had gelijk: de ruitersport is erg snobistisch. Ik hoop dat je deze maand de eindjes aan elkaar kunt knopen. Groetjes, Delphine.’ Mijn vader had zich hevig verzet tegen het paardenkamp, hij vond het elitair en weggesmeten geld. Hij had gelijk. Ik had medelijden met mijn vader, hij slofte. Het leven viel hem zwaar, hij dronk teveel. Hij had geen vrienden. In de wasserette was het ieder voor zich, daar kon je geen vrienden maken. Ik had mijn vriendschap aangeboden, maar hij had me afgewimpeld.

De andere meisjes betraden de slaapzaal, Alexandra op kop. Ik verborg snel mijn brieven, Alexandra vlocht mijn haren zonder het eerst te vragen. Het was prettig, het was weldadig. Toen ging het licht uit. Ik probeerde in slaap te vallen, maar Alexandra had de vlechtjes te strak gemaakt. Ik kon de slaap niet vatten. Ik dacht aan Laura, hoe sliep een paard? Toch niet staand? In mijn dierenencyclopedie stond er dat paarden staand sliepen, maar ik betwijfelde het. Ik moest het met mijn eigen ogen zien. Inquisitive child. Ik was niet het eerste meisje dat naar buiten glipte. Er waren nog andere meisjes naar buiten geglipt, de sinistere monitor Becue had hen borstbollen beloofd in zijn barak. Ik wilde schreeuwen: ‘Verkoop je ziel niet voor borstbollen!’ Maar ik deed het jammer genoeg niet.

De nachtelijke stallen oogden idyllisch, tijdloos, vredig. Laura was niet aan het slapen, Laura was onrustig de vloer aan het krabben met haar voorste hoeven. Ik kalmeerde haar, ik las haar de brieven voor aan mijn ouders. Ik deed de elastiekjes uit mijn haar en vlocht de staart van Laura. Maar ik merkte dat het op haar zenuwen werkte, dus staakte ik het vlechten.Ik nestelde mezelf in de hooitrog, Laura keek goedmoedig toe. Ik viel in slaap. Van de volgende dagen herinner ik me weinig, behalve dat ik het enige kind was dat niet mocht galopperen.

Toen brak de voorlaatste dag aan: de meisjes keken uit naar de playbackshow, de weinige jongens deden alsof de playbackshow hen koud liet. Maar ik zag ze dansjes instuderen en The Reflex repeteren in de overdekte paddock. Mijn nichtje zou een duet opvoeren met de sinistere monitor Becue. Echt ongepast, vies, obsceen, pervers. Ik moest er een stokje voor steken. In de cafetaria werd een podium opgesteld en er werd een discobal aan het plafond bevestigd: vreugdeloosheid troef. De playbackshow begon: Anouchka playbackte Cambodia van Kim Wilde, Zita playbackte Wuthering Heights van Kate Bush, Ida Marie en haar trawanten playbackten Walk Like an Egyptian. Steven, Gregory, Finn en Björn waren ontroerend ernstig en gespannen tijdens hun versie van The Reflex. Maar het beste moest nog komen… Alexandra en Becue waren de apotheose.

Na The Reflex vluchtte ik het lokaal uit en liep ik naar de stallen. Ik besteeg Laura en gaf haar de sporen. Ik fluisterde in haar oor dat ze naar de cafetaria moest hobbelen. De sneeuw was weg, de maan oogde pokdalig en sikkeneurig. Sikkelneurig! Mijn vader zou dat een goede woordspeling vinden, hij was verzot op woordspelingen. De fazantenstroper stond naast de cafetaria een sigaret te roken. Hij schrok zich een hoedje toen hij mij zag naderen: fier en besluitvaardig. Ik zei tegen hem: ‘Doe de deur open voor ons.’ Hij gehoorzaamde. Ik betrad de playbackshow met mijn paard. Ik strekte mijn hand uit, de mensenzee week uiteen. Laura produceerde een gigantische berg paardenvijgen net voor het podium en alle kinderen begonnen te krijsen. Behalve ik. Ik grinnikte. De sinistere monitor Becue trok me van mijn paard en gaf me een pandoering. Maar ik was in mijn missie geslaagd: de playbackshow werd stopgezet en Alexandra kon zich niet belachelijk maken. Ik had haar eer gered.

Over de auteur

Delphine Lecompte