Delphine Lecompte – Wandelen met asielhonden
Iedereen leed in het gekkenhuis van Knokke. Iedereen leed onder het complete gebrek aan dieren. Zelfs in de ergotherapieruimte was geen goudvis te bespeuren. Wij, de gekken, wisten wel waarom: men vertrouwde ons niet. We waren nochtans te vertrouwen. Niet met mensen, maar wel met dieren. Vele patiënten hadden dieren achtergelaten bij familieleden of buren. Maar de duur van een psychiatrische opname was onvoorspelbaar en soms werden de dieren vergiftigd, gedumpt aan de achterkant van een benzinestation of in slaap gedaan.
Ik had geen dier achtergelaten, maar ik snakte naar het aaien van een vacht. Het liefst de vacht van een hond, de textuur kon me weinig schelen: ruw, kort, glad, korstig, bultig, klitterig, mat, vettig, naakt, … Ik vond alle honden mooi, oliedom, optimistisch, hartelijk, ontroerend en troostrijk.
Dirk Trio was de enige gek die kon doorgaan voor een ‘normale’ mens: hij had een auto en hij leek op de mollige gezapige apathische minzame baas van een klein West-Vlaams meubelbedrijf dat net niet kopje onder ging. Dirk Trio was de enige gek die zijn woede richtte op de juiste persoon: op de hoofdpsychiater die te kwistig benzodiazepines voorschreef en te vaak klaagde over zijn kille ascetische vader die had gehoopt dat zijn zoon in zijn voetsporen zou treden en een polsstokspringer zou worden. Het trauma van Dirk Trio was een mislukte operatie aan zijn genitaliën toen hij zes was. De genitaliën waren vermangeld achtergebleven. Het zal misschien raar, kortzichtig en wereldvreemd klinken, maar als twintigjarige dacht ik: er zijn toch ergere dingen dan door het leven moeten gaan met vermangelde genitaliën. Was het eigenlijk niet veel beter om op te groeien met vermangelde genitaliën waar iedereen met een wijde boog omheen liep dan om op te groeien met verrukkelijke genitaliën waar iedereen aan wilde sleuren/ van wilde slurpen?
Hoe het ook zij: Dirk Trio was praktisch ingesteld, maar hij had ook een grote empathie en tederheid voor zijn medegekken. Het was die combinatie die hem een prachtig idee gaf: zijn medegekken voeren naar het asiel zodat ze zouden kunnen wandelen met een asielhond naar keuze. Elke dag zou hij een aantal medegekken in zijn camionette laden en voeren naar het dierenasiel. Daar zou elke gek een hond uitkiezen om mee op wandel te gaan.
Het project startte in april. Het was geen succes, de meeste gekken waren te gesedeerd en/ of te depressief om begeestering op te brengen voor het project van Dirk Trio. Uiteindelijk kreeg hij slechts drie gekken mee: Marissa de Zeeuwse nymfomane incestoverlevende, Geert de gokverslaafde parkietenkweker, en ik. Mijn grootste problematieken waren: anorexia, zelfverminking, corruptie, moederhaat, agressie en kleptomanie. Het lelijke jargon hiervoor was: borderline personality disorder.
Het dierenasiel van Knokke was klein: men bood enkel honden en katten aan. De katten waren aan het zicht onttrokken. De honden zaten in vieze hokken, achter tralies. Vooraan had je de kleine honden, achteraan de grote honden. Er stond een korte uitleg bij elke hond.
Ozzy, chihuahua, reu: Dit bescheiden, rustig hondje heeft wat last van zijn knietjes en nekje maar dat belemmert zijn bewegingscapaciteiten niet echt. Ozzy is heel aanhankelijk eenmaal hij jou kent.
Darga, rottweiler, reu: Darga werd afgestaan omdat het absoluut niet klikte met de katten in het gezin. Darga is opgevoed met een husky en dat verliep vlot. Kleine hondjes zijn dan weer geen match voor hem.
Eddy, Mechelse herder, reu: Eddy is een lieve, in feite atypische Mechelse herder, die via een inbeslagname in ons asiel terechtkwam. Hij heeft zich ontpopt tot de lieveling van menig vrijwilliger. Eddy kan rustig wandelen aan de lijn, zonder te trekken.
Scooby, kruising, reu: Scooby was extreem angstig in het begin. Hij zal nooit een knuffelaar worden. Schichtige bewegingen moeten vermeden worden. Scooby wordt niet geplaatst bij kinderen onder de 14 jaar.
Karma, cane corso, teef: Karma werd met pijn in het hart afgestaan omdat haar baasje om medische redenen niet langer kon zorg dragen voor zijn hond. We zijn voor Karma op zoek naar een rustig, warm nest waar zij als ‘binnenhond’ welkom is.
Robby, pinscher, reu: Robby is matig sociaal. Robby is in het verleden nooit alleen geweest, bijgevolg is dit een probleem. Zindelijkheid kan in het begin ook een probleem zijn.
Zas, border collie, teef: Zas is na vier jaar teruggekomen in het asiel wegens agressief gedrag. Ze heeft het moeilijk met fysieke aanrakingen en kan in dergelijke situaties bijten. Zas is dus een hond met een handleiding.
Diesel, American Stafford, reu: Diesel is erg ondervoed bij ons binnengekomen na een inbeslagname. Momenteel is hij in slechte conditie, zowel fysiek als mentaal.
Elika, Franse buldog, teef: Deze meid is zeer onzeker. Vertrouwen in de mens in het algemeen ontbreekt bij haar. Ze kan agressief uit de hoek komen bij bruuske of dreigende, intimiderende, stressvolle situaties. Het zal veel tijd vragen om het vertrouwen van Elika te winnen.
Zo ging het maar verder: aandoenlijke vertederende ontwapenende mormels harteloos gedumpt in het asiel omdat ze, bijvoorbeeld, een peuter hadden gebeten nadat de peuter voor de tweehonderdste keer zijn duim in het oog van de veelgeplaagde hond des huizes had geramd. Weg met jou, pointer Pipo!
Of:
De verhuizing van een zielloze bungalow naar een krap appartement, sorry sledehond Brigand.
Een zwangerschap: helaas straks geen tijd meer voor jou, herderkruising Bella.
Epilepsie: wij kunnen de medicatie niet betalen, Dalmatiër Smos. Wij moeten immers nog geld overhouden voor het jaarlijkse lidmaatschap van de plaatselijke korfbalvereniging, het onderhoud van onze begerenswaardige okerkleurige terreinwagen, en de driejaarlijkse vakantie naar Havana.
We werken acht uren per dag en wanneer we dan afgepeigerd thuiskwamen had Rhodesian ridgeback Sky steeds opnieuw alle zetelkussen verslonden, dat kon echt niet meer door de beugel!
De Pekinees viel tegen, hij was erg afstandelijk en hij weigerde om op mijn schoot te zitten wanneer ik naar Big Brother keek. Je hebt het zelf gezocht, Chibi!
Bessie bleef maar weglopen, het had niets te maken met mijn laars in haar flank. Ze is gewoon volstrekt ondankbaar.
Titus heeft in de paasvakantie al het snoepgoed van de kleinkinderen gestolen en opgesmikkeld. Hij keek wel schuldbewust achteraf, maar voor ons was de maat vol.
Enzovoort…
Ik had al geen hoge pet op van de mensheid, maar in het dierenasiel besefte ik pas echt hoe wreed, lichtzinnig, simpel, hardvochtig, barbaars en wispelturig de mensen waren. Ik verpandde mijn hart aan een whippet, hij had nog geen naam maar wel een ‘meter’: Bernadette. Ik gaf de whippet dan maar zelf een naam: Kishki. Het Russische woord voor lef. Het ontbrak Kishki aan lef. Hij bleef dicht bij me lopen, zelfs wanneer ik hem aflijnde. Hij was erg mager, maar dat hoorde bij het ras. Hij was extreem aanhankelijk, hij likte mijn handrug overvloedig. Van mijn intellectuele moeder had ik geleerd om nooit sentimenteel te zijn, en al helemaal niet op het vlak van dieren. Maar ik had die regel al vrij snel aan mijn laars gelapt: ik was altijd teergevoelig geweest, wat betreft de dieren. Mensen konden ophoepelen, maar dieren verdienden mijn volledige toewijding, affectie, trouw, tijd, energie en speelsheid. Kishki raakte me diep, zijn bereidheid om me meteen te vertrouwen verbijsterde en ontroerde me fel. Ik zei: ‘Kishki, doe dat toch niet. Versta me niet verkeerd: mij kan je vertrouwen, maar weet dat er ook sadisten en beulen bestaan. Je mag er niet zomaar van uitgaan dat mensen het goed met je voorhebben. Oké?’ Nog meer likjes.
Ik nam Kishki mee naar het strand, er liepen veel mensen met honden rond op het strand. De hondenbaasjes spraken me gelukkig niet aan. Kishki vatte moed en haalde zijn hartje op in de branding. De volgende dag was hij er nog steeds. Maar er stond wel een kandidaat-adoptant aan zijn kooi. Ik keek sceptisch en argwanend naar de man die zijn zinnen had gezet op Kishki. Viel hij wel te vertrouwen? Ik ondervroeg hem: ‘Wat is je beroep? Welke hondenpsychologen staan er zoal in je adressenboekje? Heb je genoeg geld voor ontwormingspillen en pieppatrijzen? Ken je de raskenmerken van de whippet? Van welke stof is de hondenmand gemaakt waarin Kishki straks mag dommelen? Ben je opvliegend aangelegd? Groeide je als kind op met een hond? Sta je op het punt om je verloofde te bezwangeren? Droom je er soms van om te emigreren naar Finland waar je een hoger salaris kan krijgen als cardio-anesthesist?’ Hij onderbrak mij: ‘Ik ben helemaal geen cardio-anesthesist! En ik werd al aan de tand gevoeld door een asielmedewerker. Ik heb ook een lange vragenlijst moeten invullen.’
‘Goed zo!’
De man die geen cardio-anesthesist was mocht Kishki meenemen naar huis. Eens thuis kon hij zich ontpoppen tot dierenbeul, of hij kon Kishki in de watten leggen. Ik zou het nooit weten.
De tweede asielhond waarmee ik wandelde was een chocoladebruine labrador met een snuifje mastiff. Hij heette Beethoven naar de film met een glansrol voor een Sint Bernardshond. Beethoven was stug, stram, bedaard, traag, stoïcijns. Hij was te oud en te cynisch geworden om zich nog te hechten aan een mens. Helemaal niet erg.
De derde asielhond was een zwarte dwergpoedel met een onderbeet. Guitig maar een tikkeltje behaagziek.
De vierde asielhond was een dove chagrijnige lhasa apso met nierinsufficiëntie en een cherry eye: een hopeloos geval.
De vijfde asielhond was een neurotisch Schipperke, erg vriendelijk. Ze heette Chiara, ze joeg haar eigen staart na en beet erin als ze de staart te pakken kreeg. Helaas beet ze op een dag ook in de arm van een slonzige schreeuwerige onbetrouwbare perverse vrijwilliger, waardoor ze op staande voet werd geëuthanaseerd.
De zesde asielhond keek niet achterom, hij was een kolossale bloedhond en hij sleepte me de grens over: ik belandde in Sluis. Een touwslager die zelf een bloedhond had, voerde me terug naar het asiel. Heel sympathiek. Ik probeerde hem warm te maken voor de bloedhond, maar hij vond één bloedhond al lastig genoeg.
Kishki werd teruggebracht! ‘Waarom?’ vroeg ik aan de struise taaie korzelige antipathieke doch tevens erg integere, zachtmoedige en nobele bazin van het asiel. ‘Onredelijke verwachtingen, men wil geen hond. Men wil een pop, een beeld, een statussymbool. Iets om mee te pronken. Maar een hond schijt, laat winden, heeft ingroeiende wimpers, een walmende bek, eet zijn eigen stront op, ruikt aan aarzen, likt urine van verkeerspalen, vernielt, puilt uit, krijgt kale plekken en teken, stinkt, lekt, keft, doet vieze manieren met de arm van je humorloze boekhouder en moet uitgelaten worden wanneer het stormt en regent. Dat beseffen de meeste mensen niet.’
‘Nee.’
Ik besefte het wel. Ik besefte hoe onbekwaam ik was om een hond te adopteren. Zelfs na mijn psychiatrische opname waagde ik me er niet aan. Ik wandelde jaren met asielhonden, in Brugge naast het crematorium. Het crematorium voor mensen die vaak te lang hadden geleefd en te weinig honden hadden geadopteerd tijdens hun kleinzielige eenzelvige gierige kribbige benepen leventje. Pas in 2014 adopteerde ik mijn eerste hond: Bernard. Maar dat is een ander verhaal.

