Gepubliceerd op: zaterdag 27 september 2025

KP52: Aart van der Leeuw

 

De dieren

De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor ’t laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

Hij toeft bij ’t vee, en luistert hoe het ademt;
Rond schoft en horen hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarden,
Een speelsch hem toegestoken manenkop.

En als hij eindlijk, rustig na ’t volbrachte,
De handen boven ’t vlammend houtvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en ’t niet beseft.

Hij peinst, en leest in ’t boek met koopren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simple reisgenooten
Lang op den oeverloozen zondvloed drijft.

Gansch in het wonderbaar verhaal verloren,
Terwijl hij mijmrend in den haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over ’t water vaart.

 

De dichter 1876 – 1931
Aart van der Leeuw lijdt al op jonge leeftijd aan een bizarre vorm van leesblindheid, vermoedelijk een ernstige vorm van dyslexie. Daarbij komt dat hij gekweld wordt door aanhoudende doofheid. Deze zintuiglijke beperkingen maken dat hij zich beknot maar bovenal geremd voelt in zijn sociale contacten. Op het Delfts gymnasium kunnen hechte vriendschappen daardoor moeilijk gedijen. Omdat hij ook nog eens lang over zijn opleiding doet – maar liefst 11 jaar – zit hij steeds in een klas met leerlingen die alsmaar jonger worden en bij wie hij vervolgens achterop raakt. Bovendien mist hij lessen door zijn kwakkelende gezondheid.

In die lange schoolperiode moet hij zich eenzaam gevoeld hebben. En dàt gevoel heeft hem zijn leven lang parten gespeeld maar schenkt hem ook zijn zegeningen. Zijn fysieke ongemakken en rampzalige studieverloop hebben die eenzelvigheid versterkt. Hij wordt een in zich zelf gekeerde man, die zich in die mentale geslotenheid overgeeft aan mijmering en dromerij. Voor hem dè uitweg om de rauwheid des levens te ontvluchten. Vanuit die diep verborgen zielenroerselen schrijft hij zijn intens doorleefde minne- en natuurlyriek. Zelf zegt hij over zijn eenzaamheid in het gedicht ‘De twijg’:
‘De bleeke waatren van mijn eenzaamheid
Breiden zich eindloos uit naar alle zijden;
Hier is het dat mijn vaartuig heden glijdt
En gistren gleed en morgen heen zal glijden.
Soms droom ik, sluimrend tegen ’t zeil,
Van een gezegend oord vol most en koren, … ’

Maar het zou nog erger worden. Na zijn gymnasiumdiploma gaat hij met tegenzin rechten studeren. Hij moet wel want zijn ouders zijn onbemiddeld; een financieel zorgeloos leven lijkt er voor hem niet in te zitten. Een studie in de rechtsgeleerdheid is in die tijd de kortste weg naar een academische titel met uitzicht op een goed betaalde baan in de advocatuur, een professie die dan nog garant staat voor maatschappelijk aanzien. Hij voltooit zijn studie, promoveert zelfs en gaat werken op het Delftse stadsarchief. Daarna krijgt hij een aanstelling bij een levensverzekeringsmaatschappij in Dordrecht. Werkplekken die hij zich anders had voorgesteld.

Inmiddels is hij getrouwd met Antonia Klipp bij wie hij op begrip en steun kan rekenen. Kort na zijn benoeming in Dordrecht dragen zijn superieuren hem op de opleiding MO-Boekhouden te volgen. Op die studie knapt Van der Leeuw volledig af. Hij kan de lange werkdagen, de lange reistijd vanuit Delft naar kantoor en terug – hij werkt, zoals gezegd, inmiddels in Dordrecht – in combinatie met de pittige maar gortdroge, hem nauwelijks inspirerende MO-studie niet meer aan. Hij stort in.

Gelukkig toeval voor hem is dat niet lang daarna zijn redelijk bemiddelde schoonouders kort na elkaar overlijden. Er zijn dan tegen alle verwachtingen in opeens voldoende geldmiddelen om het voor hem geestdodende kantoorwerk voor eens en altijd te ontvluchten. Nu kan hij zich als rentenier volledig terugtrekken uit het maatschappelijk bestel en zich geheel overgeven aan zijn schrijverschap en geliefde hobby’s, waaronder natuurwandelen en musiceren. En in dit zelf gekozen isolement komt de introverte dichter weer tot leven en met hem zijn gewaardeerde oeuvre.

Hoewel de dichter in zijn scheppingsdrang beïnvloed wordt door de Tachtigers en De Generatie van 1910, is het vooral zijn vrouw die een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van zijn schrijverschap. Zij is het die hem de ogen opent voor mystiek, voor de verinnerlijking van een uit de Middeleeuwen ontstane Godsbeleving die – anders dan in de zuiver dogmatische theologie – ruimte biedt voor een individuele opgang naar het Licht, wat praktisch neerkomt op onthechting: het loskomen van de wereld en haar begeertes.

Thema van het gedicht
Gelet op de titel van het 6 kwatrijnen tellende, rijmrijke gedicht lijkt het erop dat Van der Leeuw zijn lezers verblijdt met een lofzang op het vee. De resonantie ervan klinkt echter veel dieper door dan het louter steken van de loftrompet op de dieren op en rondom de boerderij. In de aanloop daartoe herkennen we in de eerste strofe een eeuwenoud ritueel: de boer die – ver van stad en gerucht – vóór het slapen gaan zijn laatste ronde loopt. Niet zo vreemd als we beseffen dat het nog geen eeuw geleden is dat boer en vee in de wintermaanden nog veelvuldig onder één dak slapen.

Het is inmiddels al later op de avond. ‘De arbeid slaapt’ immers, wat verwijst naar de knechten die zich reeds te rusten hebben gelegd. En de boer? Hij loopt hun gedane arbeid na en keurt hun werk. Even wordt de suggestie gewekt dat het de laatste keer is dat hij zijn gang maakt. Er staat namelijk in de tweede versregel geschreven dat hij ‘voor het laatst zijn hoeve rond [gaat]’. Deze passage is ook te duiden als de laatste schakel in een schierontelbare reeks van dagelijkse werkzaamheden op en rond de boerderij. Ook al omdat in de voorlaatste strofe de landman zich verliest in diepe mijmering te zijn als Noach op die eindeloze wateren, ‘op den oeverloozen zondvloed’, zoals geschreven staat in V20. Zijn werk is nog niet gedaan. En steeds volgt hem ’als zijn schaduw’, zijn hond. De viervoeter die zijn baas altijd nabij is: onlosmakelijker kan trouw niet zijn.

In de tweede strofe vertoeft de landman op de campus en in zijn stallen waar hij omringd is door rustend vee, aandachtig luisterend naar hun ademhaling en vredig herkauwen, èn waar hij steeds is gespitst op afwijkende geluiden. Nog hangt zwaar in de lucht de geur van hooi en zomerbloemen vermengd met droge mestlucht, waartussen in het flauwe schijnsel van de lantaarn hij zijn weg vervolgt, als een herder die behoedzaam zijn de kudde inspecteert.

Verderop – in de derde strofe – loopt hij in de paardenstal langs de ruif waar werkpaarden na zware arbeid op het land nog na-dampend in het zeel hun meester hinnikend verwelkomen. En de boer? Hij betast en klopt de edele dieren die vooroverbuigend uit de koesterende strelingen over kop en manen hun meester uit duizenden herkennen. Zij kennen hem al zo lang en weten zich geborgen onder zijn hoede.

Na de beschrijving van het thema volgen diverse aspecten van het gedicht op grond waarvan een diepere, met name mystieke betekenis kan worden blootgelegd. Daartoe bespreken we achtereenvolgens in microformaat aspecten die alluderen op de spiritualiteit van het gedicht, namelijk taalgebruik, metriek, feodaliteit, rijm en het Boek der Boeken.

Taalgebruik
Van der Leeuw creëert in het strofische gedicht door zijn archaïsche taalgebruik een gewijde sfeer op de hoeve. Dat doet hij allereerst met het verheven begrip ‘landman’ dat in overdrachtelijke zin verwijst naar God die als wijngaardenier in zijn wijngaard de ranken tot wasdom brengt. De genitiefconstructies, zoals in V3 ‘het werk der knechts’, in V9 ‘de ruif der paarden’ en in V18 ‘Noachs tocht’ dragen eveneens bij aan die gewijde sfeer. Daarbij is een nadere beschouwing van de verbuiging van knechts i.p.v. knechten in V3 interessant.
Enerzijds verwijst ‘knechts’ naar het feitelijke thema waarmee bedoeld worden de boerenknechten en koejongens op de hoeve die in de landman onvoorwaardelijk hun meester en heer erkennen. Anderzijds voelt de landman zich in zijn mijmeringen te zijn een dienaar van de Heer, zoals ooit Noach, maar later ook Mozes (13e eeuw v. Chr) en David (10e eeuw v. Chr.) Een terminologie die overloopt van Bijbelse referenties, waaronder in het Boek Jesaja de vernederde en gekwelde knecht als prefiguratie van de lijdende Christus; het lijdensverhaal van het geknechte Joodse volk door de eeuwen heen; het lijden van de mensheid en het beeld van de verachte mens (het Joodse volk). Tot slot is er nog de warme damp, die hangende boven het vee, zich in V8 wikkelt om de lantaarn als een nimbus of sterrenglans, die de drager ervan verlicht en een spirituele luister bijzet.

Metriek
Niet onvermeld mag blijven de metrische kwaliteit van het gedicht: veel versregels zijn geconstrueerd in zuivere jambische pentameters. Om die versvoet in kwantiteit en kwaliteit te handhaven hanteert Van der Leeuw veelvuldig de elisietechniek zoals in de versregels 13 en 14:
‘En als hij eindlijk, rustig na ’t volbrachte,
De handen boven ’t vlammend houtvuur heft,’

Soms stokt – zoals in V15 – die regelmatige hartslag want volmaaktheid past de mens niet. Het Christendom leert dat de mens al van den beginne onvolmaakt is, want oerzondig. Zou Van der Leeuw met die kennis volmaaktheid in zijn poëzie nastreven? Zou hij dat bewust hebben gedaan? Dat blijft gissen. Interessanter daarentegen zijn de afwijkende versvoeten die als spondeï zijn te verstaan, zoals waarneembaar in de eerste en tweede versregel:
‘De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor ’t laatst zijn hoeve rond;’

Deze aangehaalde spondeï verwijzen expliciet en met nadruk naar vaste, zich dagelijks repeterende activiteiten op de boerderij, zoals de eerder genoemde laatste ronde, maar ook impliciet: de vroege ochtendmelkbeurt, het voeren van het vee, het warme middagmaal, de avondmelkbeurt en – in Van der Leeuws tijd ongetwijfeld nog – het dagelijks drie keer stilleggen van de arbeid op het land bij het luiden van het Angelus (denk daarbij aan de stille getuigen daarvan op de doeken van de Franse schilder Jean-François Millet, 1814 – 1875). Die dagelijkse, vaste ritmiek herkennen we eveneens in de monastieke getijden: gemeen hebben ze dat ze al eeuwen lang elke dag plaatsvinden en een plechtige synthese bewerkstelligen tussen orare et laborare.

De feodaliteit
Als hij zijn ronde heeft gelopen, begeeft de landman zich naar binnen, naar de haard waar hij zijn door het late avonduur verkleumde handen warmt ‘boven een vlammend houtvuur’. En in die stilte overvalt hem een diep gevoel van verinnerlijkte trots of – in deze context juister – een diep gevoel van zegening. In zijn gemoed slaat een warm en verantwoordelijk gevoel neer van die onuitputtelijke rijkdom te mogen toeven te midden van zijn dieren.
Met het aanspreken van de boer als ‘landman’ beoogt Van der Leeuw in de eerste 3 strofen enerzijds zijn landman te duiden als leenheer van zijn knechten. Zij werken voor hem en hij waakt over hen. Anderzijds is de landman in de daarop volgende strofen leenman van God aan Wie hij trouw is en van Wie hij bescherming bekomt. Hiermee refereert Van der Leeuw aan de oude feodale, christelijke samenleving die in zijn diepste kern berust op charitas, dienstbaarheid, trouw, bescherming en rentmeesterschap. Opnieuw is in het gedicht sprake van een oplichting van de inhoud naar een hogere werkelijkheid.

Het eindrijm
In het gedicht valt het consistent toegepast, alternerend vrouwelijk en mannelijk eindrijm op dat zo mooi in V19 refereert aan die ‘simpele reisgenoten’: de paartjes van edele landdieren en vogels waarmee Noach uiteindelijk leven en aarde redt. In het gehele gedicht verwijst de landman, op zich al een verheffing van de volkse en niet zelden pejoratief gebruikte aanduiding van boer naar het dienaarschap van de Heer. De landman weet zich in de resterende strofen als boer te zijn in een andere, metafysische werkelijkheid zoals ooit de eerder in deze rubriek besproken Boele van Hensbroek als hij over zich zelf zegt: Hij, Boele, leefde een droomleven, verkeerde gaarne in een wereld van gedachten, welke hij zich als werkelijkheid droomde. Graag gaf Van der Leeuw zich samen met zijn landman over aan die droomwereld.

Het Boek der Boeken
En in dat besef tasten zijn ruwe werkhanden bevend naar het Boek der Boeken – een toepasselijke superlatief in deze context die vaak wordt aangeduid als archaïsche of Bijbelse superlatief – waarna hij de koperen sloten ontsluit en in het Boek Genesis moeizaam de oude woorden leest die verhalen over Noachs eenzame vaart over de wassende wateren. Van hoe Noach in heilig vertrouwen zijn ‘simple reisgenoten’, van elk een paar, gidst naar nieuwe gronden. En hoewel dit gedicht als titel de indruk wekt te zijn gericht op dieren, gaat het toch niet primair om hen maar om de vergeestelijking van de boer die – net als Noach ooit – uiteindelijk leven en aarde redt van een niet uit te sluiten, nieuwe, alles verwoestende zondvloed.

Afsluiting van het gedicht
Het gedicht sluit af met de landman als de salvator mundi. Maar ook als een verre nazaat van de Bijbelse knechten in het Oude Testament; als representant van de oude, feodale samenleving en boereneconomie, bij uitstek al een kringloopeconomie; voorts als drager van onvoorwaardelijke trouw aan de grote Leenheer en tot slot als de boer die zich in zijn mystieke visioen Noach waant. Van der Leeuws gedicht ‘De dieren’ is dan ook een eerbetoon aan de hoge standaard van de landman maar zonder staf en mijter, zo geheel anders van toon dan het eerder besproken gedicht ‘De boeren’ van Theun de Vries.

 

Volgende KP: zaterdag 25 oktober Jan van Nijlen: Van een cactus die na onzichtbaar en duldzaam lijden in een aan eigen aard vervreemde omgeving, op de kale, smalle reep van een vensterbank, eindelijk zijn diepste wezen hervindt en deze vlammend uitdraagt.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.