Dissident
Op de vraag wat hij deed om tot zulke fabelachtige ingevingen voor zijn gedichten te komen, antwoordde T ‘niets’. Hij glimlachte er niet eens bij.
Er heerste een broeierige sfeer op de technologie & design-beurs. Mensen bewogen ongedurig. Behalve bij het stalletje van T. Het was een door God verlaten stukje binnen de dynamiek van de hal. De vraagsteller, een man met een verbleekt colbertje, die bij Ts verder uitgestorven boekenstand stond, hield zijn adem in. De man had waarschijnlijk gerekend op een voortreffelijk vervolg op het korte antwoord. Maar T pulkte aan zijn duimnagel. De vraagsteller lachte nerveus in het vacuüm van stilte dat volgde.
‘Ik heb een neefje,’ merkte T uiteindelijk op. ‘Daar speel ik vaak mee.’
De geïnteresseerde droop af. Ik nam zijn plek in en snuffelde door de boeken die voor T lagen. Naast zijn eigen publicaties, met scabreuze boekomslagen, lag een boek met de tagline ‘pull yourself up by the bootstraps’.
‘Die mag je laten liggen,’ zei T, die mijn blik was gevolgd naar deze andere publicatie van zijn uitgever. ‘Neo-liberale priet-praat. Mijn oom zei altijd dat men die uitdrukking nooit begreep. Het is ironie. Je kunt jezelf niet aan je schoenriemen optillen. Dat is de clou. Een kunstenaar heeft voorbeelden nodig, een professor-in-wording leraren, een held het volk. Autonomie is een waan; we kunnen niet zonder elkaar. Vandaar de onmogelijkheid van het gezegde.’
Zijn ogen wierpen een fuik op waar ik niet langs kon kijken.
‘Aplomb stappen we in een wereld waarin we denken alles te kunnen afdwingen,’ ging hij verder. Het was alsof iemand een kwartje in een onzichtbare automaat had geschoven en de voorstelling een vaart had genomen. ‘We geloven in de maakbaarheid van de wereld: alles is naar onze hand te zetten. Niets is arbitrair; we hebben geen fiducie in een andere afloop dan hoe wij ‘m wensen.’
Ineens ging ik zijn poëzie met andere ogen bezien. Waren al zijn lieflijke gedichten metaforen geweest om de maatschappij aan te klagen? Ik besefte dat ik te lichtgelovig was omdat ik aannam dat een gedicht waarin koutende konijnen verschenen werkelijk over konijnen ging.
Een oudere dame die naast me was geslopen vingerde gedachteloos door bladzijden van het gewraakte boek. T bleef onverstoord.
‘We hebben de wens om met onze vingertoppen het leven als een reliëf te lezen. We eerbiedigen de blonde manen van de vrije markt, omdat we veronderstellen dat ze ons keuzes geven.’
Hij nam een slok van een gelig drankje en schraapte zijn keel.
‘We kunnen niets afdwingen. En daar begint de malaise. Met elke generatie hopen we de volgende laag van het patina af te krabben. Maar we bereiken nooit het glimmende oppervlak.’
Hij staarde nu in het niets. Zonder respons van zijn luisterend publiek af te wachten, draaide hij zich om en liep van de stand weg. De oudere dame en ik keken hem na. We zagen hoe hij met zijn licht gebogen rug in de drukte verdween. In een fractie van een seconde welde mijn hoge verantwoordelijkheidsgevoel op en overwoog ik of ik nu de aangewezen persoon was om de stand te bemannen. De vrouw draaide zich naar me toe.
‘Het is wel een praatgraag mannetje, niet?’ zei ze en liep door naar een geparkeerde foodtruck die cocktails schonk.
Een half uur later bevond ik me op de schommel van het speeltuintje naast het gebouw. Bij de achteringang zag ik enkele prominente project-engineers die een keynote-speech zouden geven nerveus roken. Volgens het programma zouden zij over enkele minuten een massa mensen profetisch toespreken. Zorgeloos was geen woord om ze te beschrijven. Ze hadden geen oog voor hun omgeving en hoewel ik op een afstand zat, kon ik me hun bezwete oksels voorstellen. Ik bedacht hoe ze als kind geweest waren. Ze waren ooit infantiel, naïef. De tijd dat ernst nog geen gevestigde plek had in hun beleving. Waar illusies leidend waren en ze zich konden overgeven aan zinsbegoochelingen. Het was een tijd waar conventies zaken waren waar je mee aan de haal kon gaan. Wanneer hadden deze lui voor het laatst niet uit cynisme, maar oprecht uit schik gelachen? Mijn schommel begon langzaam te deinen. Ik strekte mijn voeten om vaart te maken. Een vijfjarig kereltje naast de glijbaan keek me verwachtingsvol aan. Ik was niet nuttig, volkomen ondienstig en het beviel enorm. De ruimte waarin ik me bevond was in zijn geheel oningevuld. Hier mocht iets ontstaan. Hier was gelegenheid. Wat zou het worden? Ik had geen trek in een gedicht, besloot ik, terwijl ik mijn vaart versnelde. Ik voelde iets opkomen, een nog ongevormde opweling. Ik voelde het zich een weg vlinderen door mijn buik. Mijn schouders tintelden. Daar kwam het…
Het werd een jodel.
Als een volleerd tirolerknaapje ontsnapte een jodel uit mijn mond. Het kereltje bij de glijbaan proestte het uit van het lachen. De rokende project-engineers keken verschrikt op. Ik voelde mijn wangen glunderen.
‘Zie je,’ klonk achter me. ‘Neem die lege ruimte! Laat komen die impulsen.’
Ts stem klonk sonoor.
‘Wees diabolisch onvangbaar. Wees de dissident van de maakbaarheidsmanie.’
En hij nam plaats in de schommel naast me.

