Delphine Lecompte – De witte keeshond van boerin Margriet
Toen ik in 2004 stage volgde in de thuisverpleging raakte ik in de ban van boerin Margriet. Ik reed mee met verpleegster Astrid die me op voorhand waarschuwde: ‘Margriet en haar hond zijn onhandelbaar, maar de hond bijt tenminste niet. Ha ha ha.’ Boerin Margriet was altijd onze laatste patiënt. Of cliënt zoals we verplicht waren om de sukkelachtige wezens die we verzorgden tijdens onze ronde, te noemen.
Sommige cliënten hadden slechts een anusfistel of een tweedegraadse brandwonde, ongemakken van korte duur. Maar er waren ook miserabele deerniswekkende ongeneeslijke schepsels die ALS hadden, verlamd waren, kanker hadden, palliatief. Boerin Margriet was palliatief, maar ze liet het niet aan haar hart komen. Ze woonde in een afgelegen vervallen hoeve in Koolkerke, alle kippen en konijnen hadden het loodje gelegd. Enkel boerin Margriet en haar witte keeshond bleven over. De man van Margriet had zich opgehangen toen hij zeventig was. Er was geen directe aanleiding, maar er waren genoeg redenen om het te doen. Voor iedereen, maar zeker voor veelgeplaagde wantrouwige liefdeloze West-Vlaamse boeren met een drankprobleem.
Boerin Margriet was 102, ze zat altijd in dezelfde plakkerige zetel. Met een breinaald pulkte ze in haar etterende beenzweren. Astrid maakte zich telkens opnieuw kwaad, oprecht gechoqueerd, gedegouteerd en verontwaardigd. ‘Al ons werk voor niets!’ Maar ik vond het een wonderlijk zicht, die stokoude rebelse boerin met haar breinaald.
We kregen altijd soep, de jongste dochter van boerin Margriet kwam die soep brengen. Ze zag er veel ouder uit dan Margriet zelf. Ze zat ook in de boerenstiel, ze was nors en gebocheld. De zoon van Margriet kwam elke vrijdag een stapel kruiswoordraadsels op de tafel gooien. Hij wilde niets aanraken in de hoeve van zijn moeder. Hij stond met zijn handen in zijn zij, hij was altijd gehaast. Hij droeg puntige lederen schoenen en een breed horloge waarover hij soms pochte. Dan zei hij tegen Astrid en mij: ‘Mijn horloge heeft meer gekost dan jullie maandloon samen.’ Ik zei: ‘Ik verdien niets, de stage maakt deel uit van mijn verpleegopleiding.’
‘More fool you!’
Boerin Margriet rolde met haar ogen, maar de witte keeshond was verzot op de snoeverige narcistische grootsteedse zoon. Niet op de dochter, wel op de zoon. Het was nochtans de dochter die de witte keeshond uit het asiel van Oostende had gered. De witte keeshond had een bespottelijk waardeloze gênante naam: Sloeber. Maar hij luisterde niet naar zijn naam, hij had geen last van zijn naam. De zoon streelde de witte keeshond. Wanneer hij de witte keeshond streelde vergat hij te pochen over zijn dure opzichtige horloge. Misschien vergat hij zelfs even dat hij een horloge droeg, vergat hij dat een horloge belang had. Hij had altijd snoepjes bij zich voor de witte keeshond. De witte keeshond nam de snoepjes gretig aan, al bleef hij mij en Astrid in de gaten houden: argwanend, op zijn hoede, onbegrijpend.
Astrid leerde me de etterende beenzweren van boerin Margriet ontsmetten en omzwachtelen. De witte keeshond gromde en toonde zijn blikkerende tanden. Ik beefde en liet soms het verpleegmateriaal uit mijn handen vallen: de wegwerppincet, de steriele kompressen, de zwachtels, de ontsmettende zalf. Dan zuchtte Astrid en verzorgde ze de beenzweren maar zelf. Ik was 26 en nog sentimenteel, zeker wat betreft het dierenrijk. Ik vond het haast ondraaglijk dat de witte keeshond van boerin Margriet niet begreep dat ik het goed met hem voor had. Ik liet hem snuffelen aan mijn palm, hij snuffelde niet lang. Ik bracht snoepjes mee, hij weigerde de snoepjes. Ik vroeg aan de zoon waar hij de snoepjes voor Sloeber had gekocht, en hoe ze heetten. De zoon gaf me een lege verpakking mee, de snoepjes waren in elke supermarkt te verkrijgen. Ik bracht de juiste snoepjes mee, maar Sloeber weigerde ze nog steeds. Het schoot niet op tussen ons.
Gelukkig klikte het wel altijd beter tussen boerin Margriet en mij. Ik nam mijn fiets en bezocht haar buiten de stage-uren. Ze vond het niet vreemd dat ik op bezoek kwam. We keken samen naar documentaires over Warhol, Stalin, Françoise Sagan en nevelpanters. Maar ook naar Blind Getrouwd Australië, Big Brother en Terzake. Boerin Margriet loste soms de kruiswoordraadsels op die haar zoon meebracht. Het verraste me hoe scherp en schrander ze nog was. Ik vroeg waarom haar man zelfmoord had gepleegd. Ze zei dat hij een alcoholist was geworden na de dood van hun eerste kind. Hun eerste kind had een trap gekregen van een paard, morsdood. Het kind was zes jaar geweest. Boerin Margriet had het paard doodgeschoten. Omdat ze schrik had dat haar man het paard anders zou jennen, sarren, martelen.
Boerin Margriet had een boontje voor Phara de Aguirre. Ze zei: ‘Zo’n dochter wenst elkeen zich. Ze geeft al die vuile corrupte gladde opportunistische politiekers lik op stuk. Niemand kan Phara een rad voor de ogen draaien, niemand!’ Ik was een beetje jaloers, ik geef het toe. Tegelijkertijd besefte ik dat ik niets voorstelde in 2004: lelijk, slonzig, chagrijnig, anorectisch, geniepig, lamlendig, zwaarmoedig, apathisch, egocentrisch, lui. Ik had geen vrienden. De enige die zich om me bekommerde was een zeventigjarige betuttelende paternalistische kleinburgerlijke misogyne pezewever: de oude kruisboogschutter. Hij kocht kwark voor mij en likte mijn vagina. Mijn contact met Margriet stoorde hem. Het contact werd almaar inniger, maar Sloeber bleef vijandig. Onvermurwbaar.
Op een dag moest ik naar het toilet, de witte keeshond versperde de weg. Toen ik toch langs hem probeerde te passeren, beet hij mij in mijn onderarm. Het was een ernstige beet, de zoon van Margriet was net toegekomen met de kruiswoordraadsels en de snoepjes voor Sloeber. Hij gaf de witte keeshond een venijnige schop in zijn flank. Boerin Margriet zei: ‘Je bent een klootzak, geen haar beter dan je vader!’ De zoon voerde me naar de spoeddienst. Hij zei: ‘We zullen Sloeber laten inslapen.’
‘Nee!’
‘Toch wel. Je bent niet zijn eerste slachtoffer.’
De zoon zette me af op het parkeerterrein van het ziekenhuis en reed snel weg. Ik nam de bus naar het centrum van Brugge, ik belde aan bij de oude kruisboogschutter. Hij was net goulash aan het maken. Hij zag er droevig en ontmoedigd uit. Ik legde hem de situatie uit, hij vond het ook schandalig dat Sloeber moest boeten. Sloeber had alleen maar zijn territorium willen verdedigen, de beet was niet gemeen bedoeld. Het was slechts zijn instinct.
De oude kruisboogschutter voerde me naar de hoeve van boerin Margriet. We kwamen te laat, de witte keeshond was al weg. We gingen naar het asiel van Brugge. Sloeber heette niet meer Sloeber, Sloeber heette nu Spike. De witte keeshond kermde, het was verschrikkelijk. Hij wilde bij Margriet zijn. Hij herkende mij, ik stak mijn hand door de tralies. Hij likte mijn hand kruiperig. Ik vroeg aan een asielmedewerker of ik mocht wandelen met Spike. Het mocht. Tijdens de wandeling kwam ik erachter dat Spike een teefje was. De witte keeshond van boerin Margriet was een reu. We keerden terug naar het asiel en gaven Spike terug.
De oude kruisboogschutter voerde me naar alle asielen van West-Vlaanderen, maar we vonden Sloeber niet. De goulash mislukte, de oude kruisboogschutter nam me mee naar een antipathiek pseudorustiek restaurant in Damme. De oude kruisboogschutter at gerookte zalm als voorgerecht, en steak tartaar als hoofdgerecht. Frieten à volonté. Ik at met lange tanden exact hetzelfde. De oude kruisboogschutter nipte zuinig van zijn wijn, ik dronk gulzig twee sherry’s en een blonde Westmalle. Ik ging naar het toilet met mijn kinderachtige paarse rugzak, in mijn rugzak zat een fles goedkope roséwijn. Die kapte ik naar binnen, ik stal ook twee rollen wc-papier.
Na het restaurantbezoek ging ik mee naar het huis van de oude kruisboogschutter. Hij likte mijn vagina op de keukentafel, maar ik was te dronken om klaar te komen. We keken naar de televisie: een klucht met een chimpansee en Cary Grant als warrige charmante professor. Ik viel in slaap.
Een week later stierf boerin Margriet: sepsis. Ik ging naar de begrafenis, Astrid ging niet. De zoon was er uiteraard ook. Hij was er samen met Sloeber die opmerkelijk zorgeloos en speels was. Ongepast, maar dieren mogen zich ongepast gedragen. Zelfs tijdens begrafenissen. De zoon zei tegen mij: ‘Het is mooi >dat je naar de begrafenis van mijn moeder bent gekomen. Ze had sympathie voor jou.’
‘Ik had ook sympathie voor haar,’ zei ik plechtig en verlegen.
De witte keeshond had nog steeds een hekel aan mij.
Ik zou ermee moeten leren leven.

