Gepubliceerd op: maandag 7 juli 2025

We zijn hier voor H

 

Ik schudde mijn hoofd in ontkenning. Deze beweging werd waarschijnlijk ingegeven door de vergevingsgezindheid van moederszijde die in mijn dna-code vergrendeld zat.
‘Welnee,’ zei ik bedremmeld. ‘Dat maakt niets uit.’
Hij rechtte zijn Engelse pet met bont patchwork.
‘Ik krijg het soms gewoon te pakken.’ Hij krapte aan zijn baard. ‘Dan sta ik in de zone. Dan word ik bevangen door de flow, weet je wel? Het is geen disrespect.’
Ik knikte om niet onbeleefd over te komen.
‘De volgende keer moet je me gewoon cue-en,’ lachte hij.
Hij zette een flesje bier, dat hij ergens vandaan had getoverd, aan zijn lippen, klokte een teug naar binnen en liep vervolgens richting de backstage-kamer. Hij had vier minuten van mijn voordracht afgesnoept. Op het podium had ik slechts twee korte gedichten kunnen voordragen, omdat naast de beroofde minuten van mijn voorganger, de technicus de microfoonstand nog hoger moest positioneren om in de buurt van mijn mond te komen. De stand liet zich als een onwillig dier omhoog duwen. Een krachtige, korte voordracht was beter dan een slepende, was mijn axioma. Maar tevreden over mijn voordracht was ik niet geweest, dus met die constatering kon ik mijn gemoed niet sussen.
Mijn op papier uitgeprinte gedichten vouwde ik in vieren en schoof ze in mijn binnenzak. Ik keek vanuit de coulissen naar de jonge dichteres die na me op het programma stond. Eén gedicht was een ode aan LL cool J geweest. Een ander gedicht ging over tantra. Daarna kondigde de vlotte presentator een muzieknummer aan. Hij keek het publiek van onder de rand van zijn pork-pie hoed aan en deelde ons mee dat we na de muzikale act vooral moesten blijven zitten. Vervolgens ratelde hij iets over een grote act. Ik moest aan een goocheltruc denken.
Onder het druilerige gezang van een zangeres die zo klein van stuk was, dat haar gitaar een contrabas leek, nam ik plaats in het publiek. De laatste zetel van de zesde rij was vacant. Ik had me nog niet geïnstalleerd of de man naast me draaide zich naar me toe.
‘Mooi hoor, Ferry,’ zei hij. Hij sliste zodanig dat het leek alsof hij amper controle over zijn lippen had. Ik keek hem aan op zoek naar tekenen van een geleden beroerte.
‘Ferdy,’ mompelde ik, maar hij hoorde het niet.
‘Boekrecensent,’ hij strekte zijn hand, die ik werktuigelijk aannam. Een fractie van een seconde twijfelde ik of hij zijn achternaam benoemd had of zijn beroep. Zijn grip was ferm. ‘Romans doe ik, hoor. Geen gedichten,’ verzekerde hij me met zijn geslis. ‘Poëzie is voor mij even ademen. Met al die auto-fictie is het als recensent een godsgeklaag. Als je de hoofdpersoon van zo’n boek een droplul vindt, dan vind je dat eigenlijk van de schrijver zelf.’
‘Dat lijkt me vervelend,’ reageerde ik beschroomd, om maar iets te zeggen.
‘Dit is Michael trouwens,’ wauwelde hij, en hij week met zijn bovenlijf naar achteren, zodat een jongetje zichtbaar werd. Ik schatte hem tien jaar. Wat deed het joch op een poëzieavond? Was Kinderen voor Kinderen niet meer iets voor hem? Bestond Kinderen voor Kinderen überhaupt nog?
Ik hield mijn handpalm omhoog in een groet. Zijn gezicht bleef onberoerd, bevroren in een minachtende trek. Het kind leek zo weggelopen uit een kleurige print die bij me thuis aan het keukenmuurtje hing.
‘Wij zijn hier voor H,’ fluisterde de man.
De jammerlijke klanken van de muzikanten pakten de zaal in met zwaarmoedige dekens, terwijl ik mijn hoofd brak over het printje aan mijn keukenmuur. Het was een parasiet die zich in mijn gedachten genesteld had en weigerde zich te laten vangen. Ondertussen zag ik de bovenlip van de man bewegen, hij weidde over iets uit. Ik hoorde het niet, in beslag genomen door het onopgeloste vraagstuk in mijn gedachten. Werktuigelijk knikte ik naar hem. Ik zag dat het effect sorteerde; dat het hem aanspoorde.
Arcabas, dat was het! Dat was de maker van de print. Maar hoe was het in mijn huis terecht gekomen?
Een lauw applaus klonk. De muzikante op het podium maakte een onbeholpen buiging boven haar enorme gitaar.
Het zou mijn neef geweest kunnen zijn, die had de Camino gelopen en wellicht het printje voor me meegenomen.
‘Maar jij zult H ook kennen, toch?’
Ik zag de man verwachtingsvol naar me kijken. Ik had werkelijk niets van zijn relaas meegekregen.
‘Ja,’ stamelde ik.
Ja is altijd goed, hoorde ik in mijn hoofd de stem van grootvader klinken.
‘Gaaf, man,’ zei de man. Ik meende te zien dat zijn zoontje met zijn ogen rolde.
‘Ik ga heel even,’ begon de man. Hij wees naar de uitgang. ‘Vind jij het erg om even?’ Hij wees naar Michael.
Ik knikte. Als gewacht op dit teken spoedde de man zich de trap af.
De blik van Michael brandde op mijn wang. Ik draaide me in zijn richting en zag nog net hoe hij zijn hoofd afwendde.
‘Hou je van poëzie?’ vroeg ik hem.
‘Niet echt,’ zei hij. Hij had een hoge, geknepen stem. ‘Jij?’
Ik was zo bevangen door de onverwachte vraag dat ik begon te grinniken.
‘Niet echt,’ reageerde ik met een glimlach.
Met één oog hield ik de uitgang in de gaten, uitkijkend naar de vaderfiguur.
‘Dit is wel eens wat anders voor je, zo’n poëzie-avond.’ Ik opende mijn handpalmen als een Romeins heerser. Het zag er potsierlijk uit. ‘Of ga je vaker?’ probeerde ik.
‘mwah,’ reageerde het kind gelaten. ‘Ga jij vaker?’
Weer moest ik grinniken.
‘Valt wel mee. Ik word niet zo vaak geboekt.’
‘Dat is niet zo vreemd,’ zei hij met zijn hoge stemmetje. ‘Ik bedoel, je gedichten zijn een beetje naïef.’
Een herinnering uit mijn jeugd drong zich terstond op. Groep 7. De lerares, zuster Regina-Cecilia, peinsde ten overstaan van het sullige kind dat ik was in gezelschap van mijn ouders over mijn lichtgelovige aard. ‘Die heeft een resoluut engeltje nodig op zijn pad,’ verkondigde ze in haar alwetendheid.
‘Jij komt voor H?’ vroeg ik.
H was de Britse spoken-word sensatie die befaamd was om zijn interactie met publiek. Ik had ooit in een tijdschrift gelezen dat hij “een energiebom was die je de zaal met verhoogd serotonine doet verlaten”. Ik was benieuwd naar die hormonale uitwerking op me.
‘H is oké,’ moest hij toegeven.
Eindelijk keek hij me met zijn bleke gezichtje aan. Hij had zwarte pupillen die door mijn schedel boorden.
‘Ik vind er wel een beetje iets van.’
‘Je vindt er iets van?’ vroeg ik met een schoolmeesterstem.
‘Soms is hij een beetje,’ – hij zocht naar een juiste term – ‘kinderachtig.’ Hij drukte zijn lippen opzij.
Allicht, dacht ik. Jij bent toch een kind?
‘Ik weet het niet,’ bekende ik. ‘Ik heb hem nog nooit gezien.’
‘Ik ook niet,’ zei hij.
Het was vertoon van openhartigheid van het joch. Door zijn bekentenissen aan mijn adres voelde ik iets van uitverkorenheid opwellen in me.
‘Niet in het echt, bedoel ik,’ vulde hij aan.
Het kind pulkte aan de randen van zijn nagels. Op de rug van zijn rechterhand had hij een korst van een genezende wond.
‘Ik vind ook wel iets, hoor.’
‘Oh ja?’ Hoop vulde zijn ogen.
‘Ik vind LL cool J een artiest die al decennia zijn onzekerheid etaleert,’ schoot er bij me uit. Het verraste mezelf. Leidde het onderbewustzijn werkelijk een eigen leven? Maar het Jungiaanse hek was van de dam. In mijn brein draaide zich een film af van zaadjes in lotuszaad – mijn trypofobie. De panische nervositeit bij het zien van het gezicht van de verkoper van de reformwinkel toen ik als tiener een lading honingpotten van een schap liet knikkeren. En dat alles werd gelardeerd met een lied dat was aangeslagen in mijn hoofd: “op een onbewoond e-e-e-eiland…”. Ik zag zuster Regina-Cecilia tussen de in fleurige kleding gehulde kinderen fanatiek deelnemen aan de formatiedans.
‘Kunnen jullie even stil zijn?’ klonk een vrouwenstem, met een vileine nadruk op even. Ik keek op in het strenge uitdrukking van een dame, een rij achter ons. Met haar uit boosheid naar binnen gezogen lippen, legde ze het brandpunt van haar blik op mij, terwijl ze toch echt over jullie had gesproken.
Voordat ik excuses kon maken, werd ik andermaal onderbroken.
‘Is het allemaal gelukt?’ hoorde ik een slissende stem.
Als in een klucht draaide ik me naar de andere kant, in de richting van het gezicht van Michaels vader. Hij schonk me een glimlach.
‘Bij mij in elk geval wel,’ grapte hij.
Ik keek naar zijn zoon. Hij richtte zijn blik op het podium, waar een oudere dichter zich verstaanbaar probeerde te maken.
‘H heeft afgezegd,’ fluisterde de vader in het voorbijgaan in mijn oor, onderweg naar zijn stoel. ‘Ik hoorde het net toen ik langs de stagemanager liep. Er was wat commotie. H zal vanavond niet optreden.’
We hoorden het laatste deel van de oude dichter aan. Het applaus voor de dichter op leeftijd kwam me eerder voor als uiting van respect dan vanuit oprechte ontroering. Ik vroeg me af welke van de twee wenselijker was geweest. Vervolgens snelde de presentator met zijn onafscheidelijke hoedje het podium op.
‘Helaas, helaas,’ begon hij. Zijn pose was gespannen. Angstig. ‘H heeft aan ons doorgegeven dat hij het helaas niet gaat redden vanavond.’ Het publiek toonde geen reactie. ‘Maar laat ons niet treuren,’ ging hij verder, ‘we hebben C gevraagd nogmaals zijn kunsten aan ons te tonen.’
Het publiek klapte lauwtjes.
Ik zag een man met een Engelse patchwork pet het podium opkomen. Hij krapte aan zijn baard en glimlachte ongemakkelijk naar het publiek. Hij scrolde door zijn telefoon, op zoek naar zijn tekst. Ik keek naar Michaels gezicht. Hij keek weer met zijn kenmerkend rechte rug en zijn ontzagwekkend dedain. Terwijl op het podium verkondigd werd hoe epic alles wel niet was, keek ik naar het zorgeloze gezicht van Michaels vader. Mijn veroordeling tot argeloosheid was een versluierde zegen.

Over de auteur

- dichter, schrijver, theatermaker - publiceerde eerder bij o.a. Tirade, Liter en Hollands Maandblad. Zijn dichtdebuut 'Het Firmament Tussendoor' werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. In 2025 publiceerde hij zijn tweede dichtbundel 'Aardvark Tremendum'.