Gepubliceerd op: zondag 20 juli 2025

Delphine Lecompte – Pijn, mijn trouwe metgezel

 

De eerste pijn was mijn geboorte. Maar dat geldt voor iedereen. En eigenlijk was mijn geboorte niet eens zo pijnlijk voor mij. Mijn geboorte werd moeiteloos overtroffen door de bevalling van mijn moeder. Mijn moeder ploeterde, mijn moeder kermde, mijn moeder scheurde, mijn moeder krijste, mijn moeder kwijlde, mijn moeder bloedde, mijn moeder defeceerde, mijn moeder sprak haar doodsverlangen meermaals uit, mijn moeder ijlde, mijn moeder wanhoopte, mijn moeder vroeg om pijnstilling. Ik floepte uit haar jeugdige vulva, pas toen begon de werkelijke pijn.

De buitenwereld was koud, plakkerig, vulgair, heet, statisch, vijandig en versmachtend. Als een panische heremietkreeft probeerde ik terug te kruipen en te schuilen in mijn opengescheurde moeder, maar ik kwam te laat: een perfide dokter had haar reeds dichtgenaaid. Tijdens mijn eerste dag op de aarde morste een mystieke chrysantenkweker per ongeluk een kwak warme vissaus op mijn voetrug. De saus was niet warm genoeg om mijn voetrug te verbranden, maar ik ervaarde wel mijn eerste pijnscheut. Het smaakte naar meer.

Tijdens mijn eerste levensjaar kwam diezelfde mystieke chrysantenkweker elke dag op bezoek, maar hij morste nooit meer vissaus op mijn voetrug. Ik moest zelf op zoek gaan naar de pijn. Ik verminkte mijn buik met mijn gekoesterde xylofoon, maar ik werd betrapt door mijn vader. Hij pakte de xylofoon woedend van me af. Ik brak een pop waar ik niet mee mocht spelen en maakte sneden in mijn armen met de poppenscherven.
Maar meestal moest ik niet op zoek gaan naar de pijn. De pijn vond mij. Een bijensteek, een inenting, een tandextractie, een totale vernedering tijdens een jutezakwedstrijd, een elektrische schok, een taalkamp, een verliefdheid, een botsing in een spookhuis, enzovoort…

Tot en met mijn eerste communie waren het vooral dieren en hete objecten die me pijn toebrachten. De dieren deden het uit angst, ze beten mij omdat ik ze te bruusk aaide. Ik leerde om de dieren met rust te laten, maar het deed vreemd genoeg meer pijn om niet gebeten te worden dan om wel gebeten te worden. Na mijn eerste communie trok ik op eigen houtje naar de tandarts om gefolterd te worden. Ik had de naam opgevangen van het soort afwijkende perverse abominabele persoon dat ik was: masochist. Ik was een masochist. Ik manipuleerde de tandarts, hij zwichtte en vermangelde mijn onderkaak. Maar de extatische pijn was van korte duur. Ik raakte gewend aan het drillen, boren, beuken, prikken en slijpen. Gewenning is verschrikkelijk. Ik vroeg verontwaardigd aan de tandarts: ‘Waarom is je arsenaal folterinstrumenten toch zo beperkt?!’ Hij grinnikte en vond speciaal voor mij 73 nieuwe folterinstrumenten uit, maar de extatische pijn bleef uit.

Op mijn achtste werd ik verkracht door een Noord-Franse stukadoor die niets beters te doen had. Zijn huis was vuil. Ik herinner me haarscherp dat hij maar liefst vier paraplubakken en vijf opgezette flamingo’s bezat, en dat zijn huis rook naar heidense paardenmarkten. Ik hield niet van flamingo’s, maar wel van paarden. Paarden boezemden ontzag in: hun sierlijkheid, hun veerkracht, hun mysterie, hun toorn en hun arrogantie verrukten me. Flamingo’s schenen me dwaas, wispelturig, lafhartig, hol, onberekenbaar en frivool. Wanneer mijn moeder me naar de zoo van Antwerpen sleurde, dan waren de flamingo’s de eerste dieren in gevangenschap die we tegenkwamen. Mijn moeder zei: ‘Precies ballerina’s.’ Ballerina’s waren genadeloze perfecte ijzige vlijtige meisjes die me treiterden en uitsloten, vandaar: mijn aversie tegen flamingo’s. De Noord-Franse stukadoor zei na de verkrachting: ‘Ik heb wroeging, hoe kan ik het goedmaken?’ Ik zei: ‘Haal mijn rug open met een dubbele acrobaat!’
‘Een dubbele acrobaat?’
‘Een hark, onnozelaar!’
De stukadoor gehoorzaamde, de pijn deed me naar adem happen. Ik verloor zelfs even het bewustzijn.

Na de marteling voerde de stukadoor me terug naar De Panne. Mijn grootvader gaf me een pak slaag, zijn ogen puilden uit. Mijn grootmoeder was druk in de weer in de keuken: ze was haar verzameling koffiemolens en frietsnijders aan het afstoffen. De pijn die ik zelf opzocht was zalig, en ook de pijn waar ik niet om had gevraagd kon me doen sidderen en kirren. Eigenlijk kon ik tegen elke vorm van pijn, veel hing af van de gever. Was de gever een ontwapenende touwslager of een flamboyante berentemmer, dan vond ik de pijn prettig. Was de gever een ravissante manipulatieve knopenverkoopster of een tirannieke winderige rattenvanger, dan vond ik de pijn vernederend. Het bijzondere aan pijn was dat het schokeffect nooit echt wegging. Immuniteit voor pijn bestond niet. Zelfs octopussen, mandrils, otters en heremietkreeften leden.

Mijn moeder beweerde dat ze nooit pijn had, ze wist niet wat pijn was. Althans: somatische pijn. Ze huilde constant, ondanks het antidepressivum dat ze nam. Ze neukte met formidabele schalkse zadelmakers en guitige Litouwse voddenrapers, maar zij konden de depressie van mijn moeder niet wegnemen.
Mijn vader kende vooral de pijn van de mislukking, hij wilde zo graag een succesvolle smartlapzanger worden maar hij kreeg overal het deksel op de neus. Hij zei: ‘Mensen zijn wreed en ze hebben geen manieren.’ Hij werd een gefrustreerde gebochelde mopperende nijdige kribbige calvadosverslaafde misantroop.

Toen ik twaalf werd kwam ik in aanraking met een nieuwe soort pijn: er niet bij horen, er echt niet bij horen ondanks verwoede pogingen om er zeker wel bij te horen. Ik hoorde er niet bij in de middelbare school, omdat ik lelijk was en naar babyolie rook. Ik werd verliefd op een meisje van mijn leeftijd dat een zwart truitje droeg met een druppelvormige uitsnijding op de rug. Ze was betoverend. Helaas kreeg ze het op een dag in haar hoofd om op slonzige luidruchtige wijze een rijstwafel met stroop soldaat te maken: de betovering was verbroken. Ik werd verliefd op een populaire pafferige anemische jongen met een skatebord. Hij was in feite een bullebak en een geweldenaar, het wond me op. Hij vingerde me in de fietsenstalling. Hij was altijd verlegen na mijn orgasme. Om zijn verlegenheid te maskeren sprak hij lijzig over zijn vader die een illustere steenhouwer was. Het werd nooit duidelijk of hij dweepte met zijn vader of hem wilde vermoorden. Ondertussen weet ik dat het één het ander niet uitsluit. Pas na 27 orgasmes mocht ik weten hoe de vadsige pestkop, de zoon van de steenhouwer, heette: Steve Van Cranenbroek. Ik prevelde: ‘Een moeras waar kraanvogels verblijven…’
Steve vroeg: ‘Wat kraam je uit?’ Hij wachtte niet op het antwoord, hij sloeg me. Het woord ‘moeras’ had hem woedend gemaakt. Ik had alles verknoeid. Steve sneerde: ‘Ik raak je nooit meer aan, walgelijke trol! Je verdient mij niet.’ Maar de volgende dag vingerde hij me gewoon opnieuw, even heftig en geslaagd als voorheen.

Op een dag werden we betrapt door de gluiperige schuifelende aardrijkskundeleerkracht. Hij zei: ‘Wel, wel, wel…’ Ik had een hekel aan volwassenen die ‘wel, wel, wel’ zeiden. Ik werd geschorst. Steve werd niet geschorst, Steve kreeg een schouderklopje. Die ongelijke seksistische behandeling kwelde me niet, ik berustte erin. Tijdens mijn schorsing moest ik Of Mice and Men lezen, en er een samenvatting van maken. Tijdens mijn schorsing ontdekte ik de meest tergende de meest knagende de meest uitputtende de meest uitzichtloze vorm van pijn: de landerigheid, de apathie, het isolement, de verveling. Ik probeerde tijdens mijn schorsing om mijn knikkertechniek te verbeteren. Verder trachtte ik om een genie te worden. Ik keek op naar genieën, vooral naar: Werner Herzog, Walt Whitman, Mozart, Charlie Chaplin, Toulouse-Lautrec, Herman Melville, Roman Polanski en Joseph Beuys. Wat hadden ze gemeen? Littekens, zelfspot, woestheid, hitsigheid en een fantastisch schaamteloos verleidelijk vermogen om te confabuleren. Ook ik bezat die eigenschappen, maar het lukte me niet om een genie te worden.

Mijn moeder lijfde een roodharige man in tijdens mijn schorsing, om mijn algebra bij te spijkeren. De man leek op Art Garfunkel. Hij maakte algebra nog veel ingewikkelder dan het al was. Het deed pijn om hem bezig te zien. De roodharige wiskundige sloofde zich nochtans niet uit. We zaten naast elkaar aan mijn schrijftafel in de slaapkamer, ik had twee radiatoren die in het blauw waren geschilderd. Ultramarijn. Maar mijn moeder zei altijd: ‘Yves Klein blauw.’ Ik haatte Yves Klein, hoe durfde hij zo monochroom te zijn en het avontuur te schuwen?! Het was niet radicaal, het was saai en schandalig. Ik zei tegen de roodharige wiskundige: ‘Ik haat Yves Klein.’ Hij zei gepassioneerd: ‘Ik ook!! Het is een kaakslag om slechts één kleur te gebruiken. Het is antipathiek, nukkig, gierig en onfatsoenlijk!’

We liepen weg naar Rouen, het aards paradijs. De roodharige wiskundige had geen familienaam, maar wel een voornaam: Alex. In Rouen verbleven we in een groezelig hotelletje dat De Paarse Pollepel heette. Ik kreeg steken in mijn maag. Daarna: hoge koorts en visioenen. De roodharige wiskundige trapte het af, de angsthaas. De eigenaar van De Paarse Pollepel belde een ambulance op. Mijn appendix werd verwijderd, de chirurg was een hautain monster maar de anesthesist was een melancholische parel die gedichten van Apollinaire declameerde om me gerust te stellen. Het stelde me niet gerust, maar het nam me voor hem in.

Mijn moeder en mijn sombere mompelende hypochondrische stiefvader kwamen me ophalen. De schorsing was voorbij, ik moest weer naar school. Steve van het moeras vol kraanvogels negeerde mij ostentatief. Hij had iedereen wijsgemaakt dat mijn vagina op bedorven kipgyros leek.

Over de auteur

Delphine Lecompte