Gepubliceerd op: zaterdag 26 juli 2025

KP51: Wiel Kusters

 

Vroeg donker

Nu wordt het hier in huis opeens zo stil.
Ik leef op bladzijden die jij nooit las,
maar die ik later nog eens schrijven zal,
de laatste eerst: ik weet wat wachten was.

Heb je nog oog voor mij? Ik zie je niet
dan in het wenden, keren van het boek
dat mij nog nooit naar woorden raden liet,
tot ik het hier en nu te openen zoek.

Geen hartstocht komt in letters tot bedaren.
Mijn woorden hield ik nooit gemakkelijk tegen,
zelfs niet als wij uitgesproken waren.

Want niets lijkt tegen adem op te wegen,
geen zin weet zich in stilte te verklaren.
Dat ik niet spreken wil, heb ik verzwegen.

 

‘Vroeg donker’ van Jan Hubert Willem (Wiel) Kusters is een gedicht waarin hij zijn omgang met een ander, zijn dichterschap en zichzelf in al hun raadselachtigheid tracht te duiden. Voordat we daartoe een poging ondernemen, nu meer over de dichter zelf.

Wiel Kusters, foto door Tonie Ehlen This work is licensed under the  Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International license


uitsnede uit een foto door Tonie Ehlen
This work is licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 International license

 
De dichter (1947)
Kusters – de rijk met gaven toebedeelde mijnwerkerszoon – die opgroeit in het traditierijke Limburg waarin hij zich met geschiedenis, onderwijs, kunst en cultuur vergroeid weet, leerde ik als auteur nader kennen, nadat hij in 2014 zijn omvangrijke biografie ‘Mijn versnipperd bestaan’ van Kees Fens het licht liet zien. Wie over Kees Fens (1929 – 2008) een biografie schrijft, is niet alleen stoutmoedig maar moet ook over onvermoede talenten en cognitieve vaardigheden beschikken. Geldt Fens immers niet als een van onze scherpzinnigste en meest onderlegde en belezen, literaire recensenten uit de 2e helft van de vorige eeuw?

Digressio: Kees Fens
De kennis van de Nijmeegse hoogleraar Fens reikte tot diep in de klassieke oudheid en omvademde 2000 jaar geschiedenis van de Kerk – toen nog ten volle zijn Kerk – en haar onovertroffen, Tridentijnse liturgie en rijke symboliek. Die wereld was voor Fens na het Tweede Vaticaans Concilie (1962 – 1965) ingestort, haar scherven leken niet meer te lijmen. Het aggiornamento was hem een gruwel. Nòg herinner ik mij halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw een kort gesprek van Fens hierover met de door hem zo bewonderde professor Frits van der Meer in Lent, waar ik toen was om Fens te ontmoeten en waarbij Van der Meer met beeldend rake woorden zei dat: niet de Stad Gods [van Augustinus] is ingestort, maar wel haar eeuwenoude omwalling, die er soms zo majesteitelijk uitzag, maar altijd iets in de weg stond.

Genoeg over Fens en Van der Meer: terug naar de dichter
De dichter legde – net als Kees Fens die als autodidact professor werd – een bijzondere weg af naar het hoogleraarschap in de Nederlandse letteren. Na de lagere school gaat Kusters naar de mulo, in die tijd een degelijke opleiding en veelal nog het hoogst haalbare voor een jongen uit een arbeidersmilieu, met een vader die in het duister gruis en stof zijn brood verdient; die als schoolkind ziet hoe diezelfde vader met zijn kompels een wiebelende mand instapt en hoe zij vervolgens in de donkerte van een diepe schacht afdalen. Kortom, onuitwisbare indrukken die de zoon later onder meer in onderstaande versregels van zijn gedicht ’Hoofden’ zou verwoorden:

‘Een mand met hoofden wiegde daar,
hoofden waarvandaan?

De schemering. Ik rilde van die hoofden.
De mand ging dalen, … ‘

Na de mulo is het werken geblazen, wat Kusters enkele jaren doet op het kantoor van een psychiatrische polikliniek. Maar de ijverige, met motivatie en leergierigheid toegeruste Jan Willem bereidt zich in de avonduren voor op het staatsexamen HBS en daarna op het staatsexamen gymnasium. Die laatste opleiding doet hij naast zijn universitaire studie Nederlandse taal- en letterkunde. Het diploma gymnasium is overigens in die tijd niet meer verplicht voor toelating tot de universitaire studie Nederlands maar nog wel een voorwaarde voor het verkrijgen van een beurs. Snel daarna zou de dan nog jeugdige neerlandicus – in tegenstelling tot zijn vader – wèl, badend in het licht, elke dag de zon zien opkomen. En dat weet Kusters!
Na zijn studies wordt hij in Sittard leraar Nederlands op een middelbare school. Uiteindelijk brengt hij het tot hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht. En al die tijd schrijft hij talrijke dichtbundels; kinderboeken en proza voor volwassenen; is hij actief als vertaler; schrijft hij diverse biografieën, essays en publiceert hij in tijdschriften en kranten over uiteenlopende onderwerpen. Kortom, een enorme staat van verdiensten – of zijn het toch zegeningen, zoals een Zeeuwse vriend mij ooit corrigeerde – op het gebied van het geschreven woord.
Al vroeg is Kusters geïnteresseerd in de poëtische activiteiten van de buiten Limburg (te) weinig bekende, dichter-vertaler Charles Beltjens (1832 – 1890), naar wiens reuzegedicht ‘Le Condor Captif’ wij in deze rubriek eerder zijdelings hebben verwezen en dat wij in verband brachten met de ‘Liftboy’ van Willem ten Berge en ‘Der Panther’ van Rainer Maria Rilke en waarvan wij de lezer onderstaande strofe van het maar liefst 65 strofen tellende gedicht niet willen onthouden. Het is het moment waarop in 1870 de in de lentezon kuierende Beltjens in de Parijse Jardin des Plantes plotseling wordt opgeschrikt door het wanhopige gekrijs van een reuzecondor:

‘Dans un cri formidable, il s’éleva, terrible,
Comme s’il eut tenté d’en briser le plafond:
Sa tête alla frapper la barrière inflexible
Et, poussant un long râle, il tomba sur le fond
Met ‘n vervaarlijke, afgrijselijke schreeuw verheft hij zich,
Als wilde hij open breken het bewapende plafond:
Zijn kop slaat tegen de onbuigzaam harde versperring
En, reutelend een lange rochel, ploft hij ten bodem neer [jdv]

Halverwege de jaren ‘80 promoveert Kusters op Gerrit Kouwenaars poëzie en poëtica. Sindsdien wordt hij in de lage landen beschouwd als deskundige van Kouwenaars werk. Ook al omdat na de verschijning van zijn dissertatie het fenomeen Kouwenaar (1923 – 2014) hem blijft boeien, hem inspireert en aanzet tot het schrijven van diverse, aanvullende beschouwingen.
Later werpt Kusters zich eveneens op als biograaf van Kouwenaar. Beide mannen zijn inmiddels bevriend geraakt. In 2023 verschijnt van Kusters een geannoteerde biografie over Kouwenaar onder de titel: ‘Morgen wordt het voor iedereen maandag’, een gedetailleerde beschouwing over leven en werk van een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Beweging van Vijftig. Eerder heeft hij dan ook al een biografie geschreven over de Limburgse dichter-schrijver: Pierre Kemp (1886 – 1967). Wat dat betreft, zit Kusters op het spoor van Wam de Moor die diverse biografieën schreef en de biografie wist te verheffen tot een algemeen erkend literair genre.

Wiel Kusters dichterlijke oeuvre wordt ook weleens gerekend tot de zogeheten ‘nieuwe generatie’, tot de neo-representanten van de Beweging van Vijftig, waartoe dichters behoren als Zonderland, Nijmeijer en Tentije, over wiens dichtbundel ’Alles was er’ Kusters in verwondering heeft geschreven en met welks dichter hij een gemeenschappelijke bewondering deelt voor Kouwenaar.
Soms wordt zijn poëzie ook in verband gebracht – zowel in positieve als negatieve zin, zoals zijn pennenstrijd met Zwagerman – met de kortstondige Beweging van de Maximalen en haar voorman Joost Zwagerman die in de jaren ’80 van de vorige eeuw het rebelleren en choqueren gemeen hebben. De Maximalen willen delen in de volkscultuur en met trompetgeschal en vlaggen de last van het Grote Niets van zich afwerpen. Vanuit dat perspectief en gelet op zijn achtergrond past Kusters niet in dat gezelschap, hooguit in de periferie ervan. Voor het etiket Maximaal dunkt hij ons te groot.
Naast diverse, andere rollen die Kusters met name in het culturele domein speelt, springt zijn rol als dichter in het oog. Zijn poëzie kenmerkt zich niet door lering en vermaak maar is veel meer een manifestatie van poëzie als proces en product van taai handwerk, als een doorlopend gevecht met de basiselementen van taal: de woorden. In het voorliggend gedicht lijkt de dichter daarmee een gevecht aan te gaan.

Het gedicht
De titel van het nogal complex geconstrueerde gedicht ‘Vroeg donker’ uit de bundel ‘Zonder palet’ verwijst in letterlijke zin naar het korter worden van de dagen. De winter nadert nu snel. In overdrachtelijke zin verwijst de titel ook naar de leeftijd van de dichter. Hij is inmiddels bij het verschijnen van de bundel in 2020 de zeventig ruim gepasseerd. Voelt hij dat ook zijn dagen korten?

De dichter zet de lezer een traditioneel gedicht voor, een sonnet. Nog steeds voor menigeen de favoriete versvorm die – net als het gekozen rijmschema – de lezer als vertrouwd en poëtisch voorkomt: het octaaf kenmerkt zich door gekruist, mannelijk eindrijm en in het sextet is sprake van gekruist, vrouwelijk eindrijm. Alleen de laatste woorden in V1: ‘stil’ en V3: ‘zal’ vallen als overeenkomstig, gekruist eindrijm uit de toon, hoewel de slotconsonanten matchen en daardoor een klankovereenkomst bewerkstelligen. Deze opzichtelijke en daardoor vermoedelijk opzettelijke afwijking in het rijmschema dient een hoger doel: de lezer er nadrukkelijk op wijzen dat zowel de vertrouwde geluiden in huis als die in het hoofd van de dichter zijn verstomd. Een kortsluiting die zinspeelt op iets, wat vooruit geschoven lijkt te zijn en nog niet komen wil.

Kenmerkend voor de gehanteerde versvorm is de volta, die in dit gedicht tussen octaaf en sextet valt en waarbij het sextet als uitleg dan wel als verdieping van het octaaf beschouwd kan worden. De interpunctie is vertrouwd-conventioneel. Er lopen geen versregels over van de ene naar de andere strofe. Elke strofe eindigt met een punt, ofschoon tussen de 3e en 4e strofe een komma had kunnen staan. Daarom is er tussen de voorlaatste en laatste strofe een logischere – want redengevende – samenhang dan tussen de eerste en tweede strofe. Het zal de lezer niet verbazen dat de dichter – zij het niet overmatig – gebruik maakt van allerlei vormen van halfrijm, zoals medeklinkerrijm in V1: ‘hier en huis’ en V4: ‘ik weet wat wachten was’ en van klinkerrijn in V13 en 14: ’geen zin weet zich in stilte te verklaren en Dat ik niet spreken wil, heb ik verzwegen’.

De connotatie van de openingszin ‘Nu wordt het hier in huis opeens zo stil.’ voelen we als lezer direct aan. Er zijn in het leven momenten waarop heel bewust en veelal pijnlijk wordt ervaren dat er iets wezenlijks is veranderd. Het ooit van leven bruisende huis dat stil valt als kinderen zijn uitgevlogen, de leegte die een breuk of een definitief afscheid teweegbrengt of een lang aanhoudende Altweibersommer die plotsklaps omslaat en ons – als in een shock – doet beseffen dat we al diep in het najaar zitten. Onze wereld wordt opeens kleiner maar ons huis groter en daardoor leger.

Na de inleidende zin die een naargeestige, voor velen herkenbare stemming oproept, krijgt het gedicht allereerst een (1) relationele dimensie. Een dialoog tussen de ik-figuur en een niet nader benoemde aangesprokene: de jij-persoon. Is die laatste een persoon van leven en bloed of toch meer een personificatie van boek, gedicht of dichterschap? In het eerste geval is er sprake van een (1a) interpersoonlijke relatie. De lyrische ik-figuur blijkt in een andere wereld te verkeren dan de aangesprokene. Hij zegt daarover in V2: ‘Ik leef op bladzijden die jij nooit las’. Toch kunnen we niet spreken van een echte verwijdering tussen de ik- en de jij-figuur. Er is eerder sprake van onmacht; er komt namelijk een tijd waarin de ik de jij-figuur deelgenoot maakt van zijn gedachtewereld. Hij zegt dat expliciet in V3: ‘maar die [de gedachtewereld] ik later nog eens schrijven zal.’
Het lijkt dus geen opzet dat de ik-persoon de aangesproken jij zo lang laat wachten. Hij weet immers zelf wat het is te moeten wachten op iets, wat maar niet komen wil. Dat is nu eenmaal het lot van dichters: wachten op iets, wat voorshands ongrijpbaar is maar wat al wel in het hoofd rondzoemt. En op diens laatste gedachten heeft de aangesprokene het langst moeten wachten, vandaar dat de ik ermee begint als het ‘boek’ eenmaal (weer) geopend is. Het is alsof in deze passage een tweede, namelijk een (2) poëticale dimensie zich in het gedicht aankondigt, namelijk de relatie tussen de ik en het (2a) gepersonifieerde dichterschap.

De inhoud van de tweede strofe opent met de vraag: ‘Heb je nog oog voor mij?’ Nu de ik-figuur zo nadrukkelijk in een eigen wereld leeft, vraagt hij zich af of hij de anderen, in dit geval zijn gepersonifieerde dichterschap en wellicht de eerder al aangehaalde interpersoonlijke relatie, niet van zich vervreemdt. Die anderen proberen dat contact overigens wel te handhaven. De jij-figuur ziet, pakt, betast en draait het boek maar komt er niet in. Voor de ik ligt eveneens ‘het boek’. Altijd verging hem het spreken daaruit als vanzelf. Hij zegt in V7: ‘dat [het boek] mij nog nooit naar woorden raden liet’. Kortom, de ik-figuur worstelt niet alleen met de aangesproken figuur maar ook met zijn dichterschap.

Die tweede dimensie krijgt al vóór de overgang van octaaf naar sextet nadrukkelijker aandacht. Nu de ik-figuur uit zijn boek vertellen wil, is hij geblokkeerd en slaagt hij er niet in de juiste woorden te vinden. In de derde strofe licht de dichter zijn poëticale worsteling nader toe. Hij komt tot de slotsom dat passie en emotie zich niet (altijd) in woorden en versregels laten vangen. Daarvoor zijn hartstochten te groot en gedichten te klein.

Toch is er op deze bewering wat af te dingen. De letterlijke formulering van voornoemde bewering in V9 ‘Geen hartstocht komt in letters tot bedaren’ is een stelling die door de ik – figuur al in V7, in het fragment ‘dat [het dichterschap] mij nog nooit naar woorden raden liet’ getemperd. Verderop, in de 3e strofe, voegt de dichter daaraan toe dat hij – desondanks – altijd zijn gevoelens in woorden kwijt kon, zelfs ‘als wij uitgesproken waren’.

V12 en V13 van de laatste strofe zijn te duiden als een redengevende bijzin van de voorafgaande, derde strofe. De inhoud van dit fragment geeft een nadere verklaring van de opvatting dat hartstochten zich niet zouden laten vangen in woorden. Er is volgens de dichter immers niets dat zich kan meten met ‘adem’, met het leven als zodanig. Versregel 13 oogt cryptisch: ‘geen zin weet zich in stilte te verklaren’ en betekent mogelijkerwijs dat geen enkel woord zich laat duiden als het niet wordt uitgeademd, wat wil zeggen: als het niet is doorleefd.

De ik-figuur lijkt ook verwikkeld te zijn in een gevecht tussen zijn diepere, innerlijke ik en het vinden van de juiste woorden daarvoor. Er is sprake van zelfreflectie van de ik-persoon waarin hij in de diepere lagen van het bewustzijn een (3a) intrapersoonlijke relatie tracht te duiden tussen de ouder wordende ik-persoon en zijn innerlijke ik, zoals de schooljongen die hij ooit was. Het gedicht krijgt hierdoor een (3) introspectieve dimensie.

Voelbaar zijn de onmacht en kwetsbaarheid van de ik die voor hem lastig te hanteren zijn. Het is alsof een onderwereld zijn altijd stralende bovenwereld – nu hij ouder wordt – alsnog verduistert. De timor tenebrarum is echter nooit weg geweest. Zij wekt de indruk dat ondergronds de innerlijke ik de ik – persoon op de hielen zit, die hem ooit bij voortduring heeft aangezet tot een ander, beter leven. Staan immers in Kusters hof niet de mooiste bloemen? En toch lijkt Kusters ook nu te beseffen dat …

Het gedicht sluit af met een concluderende, cryptische hoofdzin: ‘Dat ik niet spreken wil, heb ik verzwegen.’ Wordt hierin manifest dat de ik-figuur zijn onvermogen tot spreken, het zwijgen in bepaalde gevallen, prefereert boven het uitspreken van woorden, zelfs in een gedicht? Hiermee stipt hij de intrapersoonlijke relatie opnieuw aan; alsof hij in een spiegel zichzelf terugziet als de kleine, angstige jongen die zijn vader in tenebris ziet verdwijnen. Maar hij zegt tegelijkertijd dat zwijgen (daarover), dat zijn niet-uitgesproken woorden onlosmakelijk met poëzie en emotie te maken hebben.

Het gedicht van Wiel Kusters is te typeren als een moeizame, nauwelijks te verhelen, complexe interactie tussen de ik en de jij, tussen de ik en zijn dichterschap en tussen de ik en zijn innerlijke ik. Kortom: een lyrisch, poëticaal en introspectief vers waarin de dichter zijn omgang met de ander, zijn dichterschap en zichzelf in al hun raadselachtigheid tracht te duiden.

Dat alles ontdaan van overdaad en smuk; de dagen korten immers en de tijd dringt.
Het wordt al ‘Vroeg donker’.

Reageren? Stuur een bericht naar: prolectorboek@gmail.com
Nieuwsgierig naar de volgende KP?

In verband met de zomervakantie zal er in de maand augustus geen KP verschijnen. Op de 4e zaterdag van september pakken we de draad weer op met een bespreking van een gedicht van Aart van der Leeuw.

Over de auteur

- belicht in de serie Kamerpoëzie maandelijks poëzie die om “belichting” vraagt. Bijvoorbeeld omdat ze actueel is. Of omdat ze juist niet actueel is en in vergetelheid raakt, of dreigt te raken. Dan wel omdat ze nog niet actueel is, maar kakelvers geschreven; of vertaald is. Of omdat er iets bijzonders te zeggen is over een gedicht, een dichter, de taal en de omstandigheden. Kortom: over alles wat poëzie tot poëzie maakt.