Delphine Lecompte – Spijbelen met een kat
Toen ik vijf was mocht ik voor het eerst alleen naar school gaan. Ik was een gelukkig kind, ik kon nog niet lezen. Het was een bijzonder warme donderdag in april. Het was een korte wandeling van het huis van mijn grootouders naar het marktschooltje. De Panne was uiteraard onveilig voor kinderen, maar niet zo onveilig als New York of Duinkerke. Ik wist al wat me te wachten stond in het marktschooltje: een knutselwerkje maken met kastanjes voor Moederdag. Ik was het enige meisje in de klas met een interessante geestige genadeloze onorthodoxe moeder die haar eigen passies en driften voorrang gaf. Ze woonde in Gent, ze leidde er een wellustig immoreel paradijselijk leven. Ze rookte opium, taxeerde Afrikaanse maskers en copuleerde met sluwe hitsige scheepsherstellers maar ook met struise analfabetische schoorsteenvegers. Mijn moeder hield van mij, maar ze had geen zin in de vervelende corvees die bij de opvoeding van een kind hoorden: vaccinaties regelen, snottebellen wegvegen, pret veinzen in mistroostige pretparken, afgrijselijke antropomorfe pluchen hazen kopen op mijn verjaardag, de dood moeten uitleggen, het communisme moeten uitleggen, de Holocaust moeten uitleggen, enzovoort… Mijn moeder had een hekel aan knutselwerkjes met kastanjes, ze kreeg liever parfum van Dior of een gewelddadige groteske tekening die ik buiten de schooluren in elkaar had gebokst.
Plots zag ik een kat zitten op het lage muurtje van het puriteinse onberispelijke makelaarsgezin Acou. Het was een kleine zwarte kat, ze genoot van de zon op haar flanken. Ze likte loom doch nauwgezet haar lichtroze pootkussens. Ze zag mij naderen, ze bleef haar pootkussens likken maar ze hield me eveneens in de gaten. ‘Mag ik je aaien?’ Ik wist dat ik geen antwoord mocht verwachten. Ik aaide de kat behoedzaam. Katten waren mysterieuze fiere ongenaakbare vileine zelfstandige wezens die ons, de mensen, beschouwden als nietswaardige sloren, schlemielen, pineuten, sukkels, kobolden, gedrochten.
Mijn grootouders hadden een woeste lompe robuuste tedere dommige kwijlende boxerhond (Fredo) die hield van ruwe liefkozingen, maar ik wist dat ik dat niet moest proberen bij de kat. Ze was niet broos, maar wel argwanend. En ze was niet bereid om zich te laten vernederen door de te gretige graaiende plakkerige handjes van een abominabel verwend kind. Maar ik was niet verwend. De kat liet zich aaien, ze verschoof haar kopje zodat mijn hand vanzelf de juiste plekken vond. Ze begon luidruchtig te spinnen, het klonk als de onzinnige trillende machine waarmee mijn grootmoeder de zondagse rosbief in fijne plakjes sneed. Te fijne plakjes, volgens mijn gulzige gretige opvliegende grootvader. Mijn grootmoeder was gehecht aan haar huishoudapparaten, ze maakten haar werk lichter. En dan had ze ook meer tijd en meer fut om scabreuze surrealistische gedichten te schrijven, pornografische stripverhalen te lezen en grappa te drinken.
Plots sprong de kat van het muurtje, ze liep op haar dooie gemak weg. Ze keek niet om. Waarom zou ze moeten omkijken? We hadden geen band. Ik volgde de kat, ze liep in de richting van het onheilspellende wetteloze kampeerterrein dat op de grens lag tussen De Panne en Adinkerke. Het was geen kampeerterrein voor toeristen. Het was een kampeerterrein voor klaplopers: fazantenstropers, paardengokkers, ontslagen kraanmachinisten, verdorven touwslagers, alcoholistische premiejagers, aan lager wal geraakte messenslijpers, Joegoslavische ex-kooivechters, neonazistische kiwisorteerders, schizofrene buiksprekers en verguisde kinderverkrachters die tot en met hun laatste ademstoot in een gammele ascetische caravan zouden wonen. Het was zielig en sinister.
De kat betrad het kampeerterrein, ze wist niet dat ze haar leven op het spel zette. De meeste kampeeronverlaten hadden schuimbekkende rottweilers en ultragewelddadige pitbulterriërs die los rondliepen en niets liever deden dan overtreders te verslinden. ‘Kom terug, poes poes poes,’ riep ik wanhopig. Maar ze liep onverstoorbaar verder, ze deed haar staart in de lucht en toonde me haar aarsopening. Proper maar gerimpeld. Ik staarde ernaar, ik voelde me pervers maar ik kon het niet laten. Hoe je het ook draaide of keerde: het was een fascinerende aarsopening. Fredo toonde nooit zijn aarsopening, wanneer hij kakte leek hij zich zelfs een beetje te schamen.
Uiteindelijk sprong ik over het verbodslint aan de ingang van het kampeerterrein en volgde ik de kat, dieper en dieper het naargeestige doolhof in. Ik was betoverd, maar ik was ook bang. Een vlezige snerende man in ontblote borst stond naast zijn caravan beurtelings een sigaret te roken en te sabbelen op een harde beschimmelde salamiworst. Hij vroeg: ‘Wat heb je hier verloren?’ Ik wees naar de kat en zei bedeesd: ‘Ik volg die zwarte kat daar.’ De man zei: ‘Ik heb een veel mooiere kat in mijn caravan, een Abessijn. Wil je haar zien? Ze heet Philomena.’ Ik kon niet weigeren. Ik betrad de caravan, Philomena was een prachtig schepsel. Maar ze was me te mak, te opdringerig, te kruiperig, te behaagziek. Ze kende me van haar noch pluim, en toch kwam ze me kopjes geven.
In de caravan verloor de man zijn snerende gezichtsuitdrukking. Hij deed een T-shirt van REO Speedwagon aan en hij schonk me lauwe chocolademelk in. De man gaf niet om mijn leeftijd, hij vertelde in geuren en kleuren over de pleegvader die hem had misbruikt en gemarteld. De pleegmoeder had schaterlachend toegekeken, ze kroop ’s nachts naakt in zijn bed en eiste vertroeteld te worden. Door zijn traumatische kindertijd was hij junkie en pyromaan geworden. Niemand hield van hem. Hij had zijn heroïneverslaving overwonnen, zonder hulp van buitenaf. Ooit was hij verloofd geweest met een Armeense boekenbindster, maar hij kon haar niet bijbenen op intellectueel vlak. Ze was hem beu geraakt en ze was in het huwelijksbootje getreden met een absurdistische toneelschrijver die haar wel verdiende.
Ik streelde de handrug van de pyromaan. Zijn luxueuze Abessijn haalde jaloers uit, mijn handrug bloedde. De zachtmoedige gehavende pyromaan deed mercurochroom op mijn handrug. Eindelijk stelde hij mij een vraag: ‘Zijn je ouders lief voor jou?’
‘Zo zo. Ik word opgevoed door mijn grootouders, zware drinkers maar geen sadisten. Mijn grootvader heeft gevoel voor humor, mijn grootmoeder kijkt naar rare lugubere antiburgerlijke nihilistische films uit Warschau.’
‘Wil je niet liever bij mij en Philomena wonen?’
Ik schreeuwde: ‘NEE!!!’
De pyromaan was gekwetst, hij werd erg zwijgzaam.
Ik bekeek de beeldjes in zijn caravan: poezen, pimpelmezen, olifanten, giraffen en jazzmuzikanten. Uiteindelijk vroeg ik: ‘Wil je mijn school in de as leggen?’
‘Is het een slechte school?’
‘Zeer slecht. We krijgen les van een lijzige bitsige dorre humorloze non die ons dwingt om te houden van Jezus, maar ik kan niet houden van Jezus.’
‘Waarom niet?’
‘Ik vind hem zo aanstellerig. Hij heeft een langgerekt dramatisch larmoyant sentimenteel potsierlijk spektakel gemaakt van zijn kruisiging, alsof hij de enige was die dat lot moest ondergaan.’
De pyromaan zei ernstig: ‘Eigenlijk probeer ik te genezen van mijn pyromanie, ik krijg zelfs therapeutische begeleiding. Elke dinsdag om 2u ’s middags komt Katja luisteren naar mijn sores en demonen, en het helpt.’
Nu was het mijn beurt om jaloers te zijn, ik zei: ‘Ik kan toch ook luisteren?! Ik kan beter luisteren dan Katja.’
De pyromaan grinnikte en zei: ‘Je bent jaloers, gekkerd. Maar Katja heeft psychologie gestudeerd, ze luistert op een welbepaalde helende manier. Ik kan het niet uitleggen…’
Ik zei nukkig en kinderachtig: ‘Wat ook helpt is dat Katja grote borsten heeft, beken het maar!’
De pyromaan bekende: ‘Katja heeft grote borsten, helaas draagt ze lelijke slonzige pastelkleurige truien die haar kolossale tieten verdoezelen.’ Tieten vond ik een verschrikkelijk woord. De Abessijn krabde me in mijn gezicht. Maar minder venijnig deze keer, bijna speels.
Ik keek uit het kleine getinte raam van de caravan en zag de zwarte kat: ze verliet het kampeerterrein, ze had genoeg gezien. Ook ik had stilaan mijn buik vol van de getraumatiseerde pyromaan en zijn hautaine Abessijn. Ik vroeg aan de pyromaan: ‘Mag ik weggaan?’
‘Natuurlijk! Je bent toch mijn gevangene niet?!’ Ik kuste zijn kale schedel en zijn gegroefde voorhoofd. Hij zei somber: ‘Je bent altijd welkom.’ Hij was somber, omdat hij niemand had om joviaal en kameraadschappelijk tegen te spreken. Ik was geen echte vriend, Katja was geen echte vriend, en de Abessijn was evenmin een echte vriend.
De zwarte kat liep sneller dan voorheen. Had ze honger? Zocht ze voedsel? Ze liep in de richting van het marktschooltje dat jammer genoeg niet in brand zou worden gestoken. Het was speeltijd, mijn klasgenoten stonden buiten te lummelen en te snotteren. Zuster Simone zag mij, ze begon te krijsen en te kijven. Ze verliet de speelplaats en kneep gemeen in mijn wang. Ze spuugde ook nog in mijn gezicht. Ik schopte tegen haar scheen en zette het op een lopen, maar de zwarte kat was verdwenen. Ik heb haar nooit meer teruggezien.
Ik ben wel nog enkele keren op bezoek gegaan bij de pyromaan en zijn Abessijn. De pyromaan voelde zich op den duur zo op zijn gemak bij mij dat hij de schijnheilige rondborstige Katja niet meer nodig had. Hij ontsloeg haar. Ik zei: ‘Goed zo! Ze is niets meer dan een vuile valse flemerige profiteur.’ De pyromaan pleegde zelfmoord in zijn caravan. Het gebeurde net na mijn Eerste Communie. Omdat de Abessijn zo’n prachtig uiterlijk had waren er zeer veel kandidaten om haar te adopteren. Ze kwam uiteindelijk terecht bij de racistische fietsenmaker die haar in de watten legde. Ze vergat de pyromaan. Ze richtte bloedbaden aan in de tuin van de racistische fietsenmaker: muizen, mollen, merels, roodborstjes en spreeuwen. Ze kreeg elke dag lamsterrine te eten. Ze leefde nog lang en gelukkig.
Wij, de degoutante morsige misnoegde mensen, bleven strompelen en lijden en scheefgroeien en wrok koesteren tot iemand ons in de kiem smoorde.

