Gepubliceerd op: zondag 28 januari 2024

Delphine Lecompte – De blinde papeter en de mythische grijpautomaat

 

In mijn droom bijt de antipathieke misantropische Bernadette grote stukken
Uit een rupsband, sommige repen zwelgt ze naar binnen
Ze dreigt te stikken
Maar een beetje later staan we kameraadschappelijk op de dijk
Ik vraag aan Bernadette: ‘Zal ik een plakkerig lunapark betreden
En me alweer laten bedotten door de grijpautomaat?’
In mijn droom bevind ik me plots in de grijpautomaat
Tussen pluchen octopussen en pluchen komodovaranen
Mijn moeder hijst me succesvol uit de glimmende verstikkende bak
Maar ze herkent mij niet en zegt bitsig: ‘Je bent lelijk en kaal
Kruip terug de bak in, ik wil een profetische pluchen komodovaraan bemachtigen
Geen deerniswekkende vlekkerige troostprijs!’
Ik kruip terug in de glimmende verstikkende bak, een pluchen octopus plant een kus
Op mijn kruin, hij leeft: vies en happend naar adem
Ik klamp me vast aan het glibberige fabelachtige intelligente zeewezen
We raken innig bevriend en verstrengeld
We worden samen uit de bak gehesen door een vereenzaamde taxidermist
Gedegouteerd werpt hij ons in een container gevuld met Bijbels en afhaalmaaltijden.

Emotionele pijn
Dit wordt een strofe over emotionele pijn
Vroeger dacht ik dat ik de enige was met emotionele pijn
Nu weet ik dat ook orang-oetans en octopussen lijden
In mijn droom zegt de octopus: ‘Vroeger dacht ik
Dat ik de enige was met emotionele pijn
Nu weet ik dat ook dichters, gibbons en halsbandlemmingen lijden.’
We delen een afhaalmaaltijd: koude gefrituurde inktvisringen
Ik zeg tegen de octopus: ‘Je bent een kannibaal, schaam je!’
De octopus haalt zijn schouders op, schaamte is hem vreemd
Hij leest luidop psalm 23
Hij heeft een onaangename monotone lijzige stem
Psalm 23 heb ik voor het eerst gehoord toen een zesjarige klasgenoot
Werd omver gereden door een vrachtwagen die infuusstaanders,
Rottweilers, ovenwanten, tapijtscharen en camembertschijven vervoerde
En de ganse klas verplicht was om de begrafenis bij te wonen
De kinderen van de vissers begrepen de dood het best
De kinderen van de oogartsen wilden de dood helemaal niet begrijpen
Ze beweerden: ‘Geen vuiltje aan de lucht!’
De kinderen van de notarissen deden alsof de dood een bureaucratische aangelegenheid was
En ik fantaseerde over zelfmoord met een simpel Perzisch zwaard.

De moeder was ontroostbaar, ze droeg veel te feestelijke kokette gifgroene muiltjes
Ik sprak haar aan, ik zei: ‘Ik kan de vervanger zijn:
Ik kan de plaats innemen van je morsdode platgereden dochter
Ze was nogal kleurloos en saai, eerlijk gezegd
Met mij zal je betere avonturen beleven.’
De kribbige onderpastoor tilde me op en gooide me de kerk uit
Terecht
Ik word wakker en herinner me bijna niets van mijn droom
De voormalige vrachtwagenchauffeur ligt naast me
Hij prevelt: ‘Ik wil nooit meer een baardnetje dragen
In een ontmoedigende sprottenhangar,
Ik wil nooit meer op mijn stappen terugkeren in een doolhof,
Ik wil nooit meer een suikerspin eten,
En ik wil nooit meer mijn waterrekening betalen.’

Zijn borst is zweterig, zijn penis is week en hulpeloos
Zijn oksels lijken op twee uit de kluiten gewassen tarantula’s
Ik sta op en neem een douche
Daarna lees ik een razend interessant krantenartikel over kajakfobie
Ik ken elf mensen met een kajakfobie
Ze wonen in Loppem, ik leerde hen kennen na een poëzievoordracht
Ze wonen allemaal in hetzelfde huis
Ze zeiden dat mijn poëzievoordracht een regelrecht fiasco was
Het krenkte me, maar toch hebben we contact gehouden
Ik versnipper het krantenartikel en maak een marsepeinen clown soldaat
Clown, soldaat
Ik ben bang van clowns en militairen
Vooral van clowns
Nee, vooral van generaals
Maar een fobie zou ik het niet durven noemen.

Ik hoor gestommel in de slaapkamer
Ik hoor rumoer in de straat
Een vrouw zegt: ‘Ik heb recht op cunnilingus en privacy.’
Een waarheid als een koe, ik grinnik en nies
Nu staat de voormalige vrachtwagenchauffeur naakt in de keuken
Ik kniel en pijp hem
Plots herinner ik me de octopus en de afvalcontainer
Ik herinner me ook de antipathieke misantropische Bernadette
Die dreigde te stikken in een rupsband
De voormalige vrachtwagenchauffeur komt klaar en zegt moedeloos:
‘Mijn zoon zal nooit genezen, hij zal eeuwig een psychiatrische paria blijven.’
We bezoeken de zoon in het aangename koddige weelderige gekkenhuis
Er staan trompetbomen in de tuin
En er is een lokaal waar je mag experimenteren met blaasinstrumenten
Toch is het een hel om hier te verblijven en als ‘krankzinnig’ te worden bestempeld
Er is ook een wasserette
Een psychiatrische wasserette, absurd.

Ooit was ik een zottin en het laatste wat ik wilde was: mijn vuile kleren
In een psychiatrische wasmachine proppen en wachten
Wachten op properheid, degelijkheid, hygiëne en eindeloze sollicitatietrainingen
Ik zeg tegen de voormalige vrachtwagenchauffeur: ‘Ooit was ik een zottin.’
‘Ik weet het.’
We wandelen naar het gekkenhuis
Het is oktober, een dementerende orgeldraaier gooit een dambord naar mijn hoofd
Het is zondag, een verdorven sponzenverkoper slaat zijn kruiperige harlekijnpoedel
Met een bevroren struisvogelsteak
Ik zeg: ‘Dat mag je niet doen, klootzak!’
De voormalige vrachtwagenchauffeur zegt niets
Hij is laf, zijn lafheid valt me tegen
De zoon wacht ons op in de tuin, hij is een suikerwafel aan het eten
Ik zeg tegen de zoon: ‘Je ziet er goed uit, je ziet er altijd goed uit
Je hebt de gave lichtgevende huid van een heilige Bretoense scheepshersteller.’

We drinken limonade in de psychiatrische kantine
Drie flesjes limonade voor drie verdoemde bipolaire sukkelaars
Ik denk aan het schilderij De blinde papeter van Gustave Van de Woestyne
Ik zeg aan de vader en de zoon: ‘Ik moet plots denken
Aan De blinde papeter van Gustave Van de Woestyne.’
Maar ze kennen het schilderij niet en ze sissen in koor:
‘Hou op met je enerverende geraaskal, heks, manipulatief gedrocht
Vogelverschrikker, werkschuwe troela, abominabele trut, hoer!’
Ik houd mijn mond
Ik blijf denken aan De blinde papeter: een afgrijselijk dor radicaal verbijsterend portret
Van een magnifieke boerse wanstaltige gebrekkige incestueuze onverlaat
Ik haat het schilderij
Het is gedrochtelijk, deprimerend en briljant
Dan is het bezoekuur afgelopen.

De voormalige vrachtwagenchauffeur zegt op de terugweg:
‘Oef! Het was een kwelling
Ik ben blij dat de kwelling achter de rug is.’
‘Op naar nieuwe meer geselende kwellingen!’ zeg ik sarcastisch en frivool
De voormalige vrachtwagenchauffeur negeert mijn frivole sarcasme
Hij betreedt een nachtwinkel om veertien blikjes bier en een raketijsje te kopen
De zon gaat onder
Ik zeg tegen mezelf: ‘De psychiatrische zon gaat onder.’
Maar het klopt niet: de zon kan nooit psychiatrisch zijn
De voormalige vrachtwagenchauffeur sabbelt op zijn raketijsje
En lonkt naar de verrukkelijke schenen van een puriteinse bobijnster met een hazenlip.

Over de auteur

Delphine Lecompte