Gepubliceerd op: donderdag 4 januari 2024

Delphine Lecompte – Anale seks met knoestige groenten in Ruddervoorde, maar eerst Robert Rauschenberg

 

Op een ochtend belde de sinistere (en soms sadistische) nachtverpleger me op: ‘Goed nieuws: mijn vrouw en kinderen gaan naar een volleybalwedstrijd in Oostkamp vanavond, je kan met de bus naar mijn huis komen en dan zal ik je eens goed anaal penetreren met diverse knoestige groenten van een boer hier uit de buurt, hij heeft een lodderoog en men beweert dat zijn grootouders langs moeders kant stugge hatelijke Friese zadelmakers waren.’
‘Ik kijk ernaar uit.’
De nachtverpleger en zijn gezin woonden in een piepklein bouwvallig huisje in Ruddervoorde, een voormalig kinderdagverblijf. Ze hadden een dikke blinde labrador en in de woonkamer hing een grote poster van een wijze Indiaan, met onderaan een veroordelende spreuk over geld. Het kwam erop neer dat geld niet eetbaar was en dat het dus erg dom was van de mensen om het na te jagen en te vereren. Ik was net ontslagen uit het gekkenhuis van Knokke, wat jammer was want het was vooral daar dat ik de liefde bedreef met de nachtverpleger.

Was ik genezen verklaard? Nee.
Ik stond op een wachtlijst voor een gigantisch psychiatrisch instituut met paviljoenen. Mijn moeder had me op die wachtlijst gezet omdat ik nog steeds in mijn armen kerfde, vreetbuien had, teveel dronk en met hitsige touwslagers afsprak in bunkers en er gewelddadige seks afdwong. Ik woonde bij mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader in hun villa en ik vulde rekken aan in de supermarkt van Sint Kruis, in de zuivelafdeling. De chef van de zuivelafdeling wist dat ik op een psychiatrische wachtlijst stond. Hij was zacht en kameraadschappelijk, solidair. Hij haalde soms wild en euforisch een hand door mijn haren, zoals een voetbalcoach het zou doen na een winnend doelpunt. De chef van de zuivelafdeling heette Frank en ik was verliefd op hem. Ik was niet meer verliefd op de wrede nachtverpleger.
Had ik altijd een man nodig om hartstochtelijk verliefd op te zijn? Ja! Natuurlijk!

Ik moest die dag niet werken. Ik at een groot blik ravioli en 24 porties smeerkaas die aan mijn verhemelte bleef plakken. Een dikke laag die ik probeerde weg te schrapen met een briefopener uit Nepal. Ik bloedde, maar het was een ongeluk. Het was geen zelfverminking. Mijn moeder was druk in de weer met haar twee peuters (mijn halfzusjes): een ernstige zorgelijke peuter en een roekeloze baldadige peuter die de ernstige zorgelijke peuter vaak te lijf ging met een tapijtschaar. Ik hield van de roekeloze peuter. Niet omdat ze baldadig en agressief was, maar omdat ze altijd haar snoepgoed deelde en schaterlachte wanneer ik briesende dieren, Balinese afgoden met slagtanden en beroemde arrogante rocksterren uit Manchester voor haar imiteerde. Ze heette Zoë en ze had een collectie kleine racewagens. Die had ze van mij gekregen. We lieten altijd de rode racewagen winnen. Schumacher zat in de wagen en ik was de hysterische verslaggever die meeleefde met de bochten en botsingen en banden die plots klapten en te traag werden vervangen.
Mijn moeder riep: ‘Ik ga met de kinderen naar het folkloremuseum in Gent, er is een poppenkastvoorstelling. Ga je mee?’
‘Nee.’
Mijn sombere mompelende stiefvader was niet thuis, hij was in zijn eentje naar een symposium over Mallarmé getrokken. Ergens in de buurt van Dijon. Ik had met de nachtverpleger afgesproken dat ik om 19u in Ruddervoorde zou arriveren. Het was pas 10u30 en ik verveelde me.

Gelukkig hadden we sinds kort internet. Ik was een graag geziene gast op het forum van Manic Street Preachers. Mijn gebruikersnaam was ‘Speakswithcoyotes’, allemaal aan elkaar. Mijn inspiratie was de film ‘Dances with Wolves’. Nochtans had ik een hekel aan die film, en aan Kevin Costner. Ik mengde me in een discussie over ‘Generation Terrorists’, het eerste album van Manic Street Preachers. Mijn lievelingsliedje op dat album was ‘Little Baby Nothing’. Het was een populaire voor de hand liggende keuze, maar om tegendraads te doen beweerde ik dat het clichématige niemendalletje ‘Damn Dog’ mijn favoriete nummer was.
Ik werd uitgelachen. Terecht.
Ik nodigde Andy uit Aberdeen uit om privaat met mij te chatten. Andy was onschuldig. Hij hield eigenlijk helemaal niet van Manic Street Preachers, hij aanbad The Wildhearts. Hij kende mijn verleden in De Panne en mijn psychiatrische perikelen. Hij was op de hoogte van de automutilatie en de promiscuïteit, en hij zond me soms chocoladerepen en energiedrankjes en mix tapes om me op te beuren. Andy had geen vader. Zijn moeder was hondenkapster en ze had slechts één boek gelezen: ‘The Bonfire of the Vanities’. Maar ze meende het goed. Andy zat in een rolstoel door een hersenvliesontsteking die hij als kind had opgelopen.
Ik vertelde Andy over mijn hete afspraak met de sinistere nachtverpleger. Andy vond het een foute boel, die relatie met de nachtverpleger. Hij vond het moreel verwerpelijk van die nachtverpleger om zich te vergrijpen aan een ontredderde anorectische bipolaire psychiatrische patiënt. Andy vertrouwde de nachtverpleger voor geen haar. Ik hield van de verontwaardiging en de bezorgdheid van Andy. Ik keerde terug naar het forum en zag een nieuwe thread: ‘Which track would you love to see live?’ Roisin was actief. Ze hield niet van mij, ze hield niet van mijn aanstellerige hulpkreten en van mijn onvoorspelbaarheid. Ze had me eens ‘erratic’ genoemd. En ‘a fucking attention-seeking cunt’. Roisin wilde graag eens ‘Sleepflower’ live zien. Andy zei: ‘Faster’, maar dat liedje speelden Manic Street Preachers altijd live. Domme doorzichtige Andy die The Wildhearts aanbad! Ik zei: ‘Mausoleum’, een doordachte keuze die me aangename broodnodige complimentjes opleverde. De gebruiker ‘beautifuldistortion’ koos voor ‘Be Natural’, er schuilde een man achter die gebruikersnaam. Een geile vijftigjarige metselaar uit Cardiff aan wie ik eens in een dronken bui mijn adres had gegeven. En nu wilde hij naar Brugge afzakken om cocktails te drinken, kokosnoten te eten, te plonzen in de zee zonder bikinibovenstuk, te zonnebaden en elkaar in te smeren (wink, wink). Blijkbaar dacht hij dat Brugge een tropisch eiland was. Of toch alleszins een badstad.

Het internet viel uit en ik bladerde dan maar door een monografie van Jasper Johns. En daarna door een monografie van Robert Rauschenberg.
Robert Rauschenberg maakte wrede ambigue maatschappijkritische driedimensionale collages met opgezette dieren, vaak vogels. Hij had vooral kritiek op Amerika, op Kennedy en het kapitalisme. Hij kwam uit Texas. Als kind had men zijn favoriete bok afgeslacht en hij was dit nooit te boven gekomen. Ik nam een bad en ving een spin. De spin zat gevangen in een grote rode verfrommelde handdoek en ik liet haar los in de tuin.
De badkamer was volledig zwart, onzinnig en claustrofobisch. Ik roosterde twee sneden brood.
Plots stond taxichauffeur Richard in de tuin. Ik had Richard eens verleid tijdens een carnavalsstoet in Heist toen ik was weggelopen uit het gekkenhuis en geen slaapplek had. Richard was een zachtmoedige verslagen zestiger. Hij sprak Frans, maar het was niet zijn moedertaal. We bedreven de liefde in de woonkamer. De zon viel op de aarspuist van Richard.
Na de seks gaf ik Richard een glas dure rode wijn. Mijn sombere mompelende stiefvader verzamelde dure rode wijnen. En Popart, en beddengoed van Kenzo, en onvriendelijke snobistische gadgets van Philip Starck. ‘Wil je met me trouwen?’ vroeg Richard vreemd wanhopig, smekend.
‘Ik kan niet koken en niet strijken!’
‘Laat dan maar.’
Hij gaf me een klap in mijn gezicht en ik belde de politie op. Richard maakte zich uit de voeten. De agenten waren aardig en bekommerd. Ik gaf een verkeerde persoonsbeschrijving, uiteraard.

Toen was het eindelijk tijd om de bus te nemen naar Ruddervoorde. Ik had te zware, te bedwelmende parfum in mijn hals gespoten: Poison, meer iets voor verlepte Hondurese bordeelhoudsters. Ik was een jonge twintiger, ik kon nog van alles worden: bergbeklimmer, buikspreker, beeldhouwer, jockey, acrobaat, croupier, lamaverzorger, chrysantenkweker, glasblazer, uitvaartmedewerker…
Vertaler/tolk. Ik kon zelfs een neuroloog of een anesthesist worden. Ik wilde vertaler/tolk Frans-Russisch worden. Ik had mijn studie stopgezet, maar ik kon nog terugkeren naar het vertaalinstituut. Of mijn diploma behalen op afstand. Of naar de avondschool gaan. Er was nog hoop.
In de bus sloeg ik een praatje met Michiel die ik kende van de kunstschool, maar dat was eeuwen geleden en ik had nooit goed met hem opgeschoten. Hij toonde nooit het achterste van zijn tong. We spraken over een leerkracht die zich had doodgedronken en over een andere leerkracht die een neonazi was geworden. Ik troggelde geld af van Michiel.
Het was donker toen ik aankwam in het naargeestige gehucht Ruddervoorde. Ik was te vroeg. Ik verstopte me achter de groteske potplant van een oubollige behangwinkel en ik zag de vrouw en de kinderen van de nachtverpleger spullen laden in de kleine aftandse Peugeot. Ze oogden zo vreugdeloos en gedisciplineerd. De vrouw was een incestoverlevende met een fiere forse neus en een dikke taaie vlecht. Ze leek een beetje op Patti Smith. De kinderen hadden nog geen persoonlijkheid. Een jongen en een meisje. Van de jongen vermoedde ik dat hij zo zou blijven: vaag, vaal, saai, onzichtbaar, misnoegd, onbevallig, lijdzaam en chagrijnig. Het meisje had een minuscule enigmatische sprankel, iets onvatbaars en grilligs, een glimmer van charme en onontgonnen felheid. Dan klommen ze in de auto en reden ze weg.

Ik wachtte. Soms vergat de vrouw zogezegd een volleybalshirtje en dan keerde ze terug naar het huis. Om ons te betrappen en één keer was het bijna gelukt. Ik luisterde met mijn walkman naar een mix tape die Andy teder en broederlijk voor me had samengesteld. Ik hield erg veel van het rare onstuimige onnozele liedje ‘She’s Got Spies’ van Super Furry Animals.
Na tien minuten klopte ik op de achterdeur en de sinistere nachtverpleger nam me mee naar de slaapkamer van zijn zoon. Een heel kleine slaapkamer met een kartonnen Taj Mahal in het midden. Een bed en een nachtkastje. Op het nachtkastje lagen twee penen en een pastinaak. De verpleger penetreerde mij met de penen, maar de pastinaak vergat hij of vond hij de moeite niet waard. Plots werd hij opgebeld door zijn vrouw en ik moest onmiddellijk de woning verlaten. Ik vond een vijandige lokale herberg en dronk porto aan de toog. De waardin vroeg: ‘Wat is je beroep?’
Ik loog en zei: ‘Ik studeer nog.’ Ik wenste dat het waar was, ik miste de woordenlijsten Russisch. Ik miste vooral de genitief van dokter in het Russisch. Ik miste alle genitieven. De waardin zei spottend en venijnig: ‘Oh een studentje, een bolleboos, hoera, we hebben eindelijk een intellectueel in ons midden!’ Uit de stereo schalde ‘Oma’s aan de top’ van K3. De waardin zong luid mee. Ik bestelde nog een porto en ik zoog zonder gêne op mijn duim. Ik viel van mijn kruk en de nachtverpleger verscheen. Hij voerde me naar huis met de auto van een bevriende hoefsmid. Ik wilde hem pijpen, maar hij zei: ‘Jij bent daar niet goed in.’

Over de auteur

Delphine Lecompte