Gepubliceerd op: donderdag 12 oktober 2023

Delphine Lecompte – Voor otters zorgen/niet voor otters zorgen

 

Otters.
In 2003 zou ik voor otters zorgen. De dame van het interimkantoor zei dat er een felbegeerde job vrijkwam in het sea life centrum in Blankenberge. Ze wist dat ik van dieren hield, we hadden ooit een lang verrassend geestdriftig warm onorthodox onprofessioneel gesprek gevoerd over wasberen en poolvossen. En over otters. De otter was mijn totemdier, dat vertelde de dame van het interimkantoor me op een dag in april 2002 toen ze weer geen werk voor me had gevonden, en ik geloofde het meteen. Ik geloofde dat er nooit werk voor me zou zijn en dat de otter mijn totemdier was. Lutra lutra: het klonk seksueel en sinister, als gevoed worden met een papfles in een fetisjistische context.

Maar nu was er dus wel werk voor mij. Nota bene werk in dienst van mijn totemdier. Ploeteren en zwoegen voor otters leek me een zalige mystieke vervullende verlichte bezigheid. De oude kruisboogschutter voerde me naar het sollicitatiegesprek. Ik had me op voorhand geïnformeerd over alle wonderlijke bewoners van het centrum. Want naast de heersende vranke solitaire heidense otters verbleven er in het centrum ook: humboldtpinguïns (broedtijd: 32 dagen), zeehonden (hebben geen oorschelp), zeeleeuwen (volstrekt oninteressant), ruisvoorns (schuchter), kubuskwallen (giftigheid: extreem), anemoonvissen (bij aanval of verdediging produceren ze een knappend ‘tak tak’-geluid), citroenhaaien (deze nachtactieve haaien baren dagactieve jongen!) en pijlstaartroggen (pijlstaartolie werd vroeger gebruikt tegen reuma, bespottelijk Zeeuws bijgeloof).
De dame die me interviewde was onder de indruk van mijn griezelige koortsige gepassioneerdheid en ik mocht de volgende dag aan de slag gaan in het sea life centrum: een hemelse serene doorschijnende klaterende poëtische job. Maar helaas staken ze me in de kantine en moest ik luide vadsige boertige Duitse toeristen voorzien van pannenkoeken en worstenbroodjes. Er waren ook seizoenarbeiders uit Wales. Zij aten alles wat hen voorgeschoteld werd. Ze waren zo hongerig dat ze de papieren zakjes ketchup en mosterd niet openmaakten, maar met huid en haar verslonden. Het was prachtig om te zien en ik wenste dat ik een getalenteerde fotograaf was die de seizoenarbeiders volgde en een reportage over hen maakte. Ze flirtten niet met mij, de seizoenarbeiders. Ze plaagden mij en soms ontaardde het in pestgedrag. Ze flirtten wel met de kokette plechtige petieterige perfectionistische Justine met de kleine gouden druppelvormige oorringen die ze voor zichzelf had gekocht in Stockholm.
‘Waarom?’
‘Dat zijn je zaken niet.’
‘Was Stockholm ontgoochelend?’
‘Nee… een beetje. Toch wil ik de stad Stockholm nog eens zien. De stad Stockholm heeft me getransformeerd. Vraag me niet hoe. De stad Stockholm is bizar en ontregelend.’
Ze had de mond vol van de stad Stockholm. De ontgoochelende stad Stockholm. Ik zei: ‘Geef mij maar Kopenhagen, daar onthoofden ze zeemeerminnen.’ Justine vond mijn uitspraak niet grappig. Ze zei: ‘Je bent een freak, Delphine.’ Maar om de angel uit haar veroordeling te halen gaf ze me een kameraadschappelijke klap op mijn kont. Ik bloosde en de seizoenarbeiders uit Wales schaterlachten.

Justine liep altijd rond met een thermometer in de vorm van een ijspriem en om de haverklap spietste ze bevroren croissants om de koelte te controleren. Ze was panisch dat er een klant een voedselvergiftiging zou oplopen en dat de kantine zou moeten sluiten. Oh licht neurotische charmante gedisciplineerde ascetische kwieke betrouwbare Justine… Haar broer werkte ook in het sea life centrum. Maar hij was nors en dat was tegen de regels. Hij mocht de aquaria van de haaien schrobben. Prestigieus? Nee. Dieren voederen was prestigieus. De mensen die de dieren mochten voederen spraken niet tegen de schrobbers. En ze spraken niet tegen mij. Maar ze spraken wel tegen Justine en tegen Diana van de souvenirshop. Ze spraken tegen Justine omdat Justine gelijkmoedig en gedisciplineerd en bloedmooi was. Ze spraken tegen Diana omdat Diana een slet was. Diana kende ik nog van de Carrefour in Sint Kruis. Ze was daar verantwoordelijk geweest voor de artisanale pizza’s en de margarinekuipjes, en ook in de Carrefour had ze een slechte reputatie gehad. Ik hield van Diana omdat ze provoceerde en haar lome goedkope sensualiteit nog wat extra in de verf zette met opzichtige schmink en roze naaldhakken.

Na mijn eerste werkdag in het sea life centrum kocht ik een stoffen buideltje met een gestikte zeehond erop. Pas nu besef ik hoe pervers en sprookjesachtig en freudiaans die dikke zachte stoffen buidel was. Diana was mijn surrogaatmoeder. Mijn eerste werkdag duurde langer dan acht uur. Dan kon zomaar. Een mooie zwarte man verscheen in de kantine op het eind van mijn werkdag en hij zei tegen mij: ‘We hebben een bedrijfsfeestje, leg vlug papieren lakens over de tafels en maak zilverpapieren zwanen als je kan!’ Maar ik was niet vlug. Ik was traag en onhandig, ik liet vorken vallen en ik kon geen zwanen maken met aluminiumfolie, mijn zwanen leken op mismaakte diabolische griffioenen. De oude kruisboogschutter stond me al ongeduldig op te wachten op het parkeerterrein. Ik kon hem niet waarschuwen, mijn gsm lag in mijn kleedhokje. Ik probeerde hem te bellen met de werktelefoon, maar ik kwam terecht bij de meest antipathieke meest arrogante otterverzorger. Ik kende hem van dierenprogramma’s op de televisie. Hij zei: ‘Je probeert de buitenwereld te bereiken. Dat mag niet. Ik ga je verklikken, luie troela!’ Uiteindelijk mocht ik het sea life centrum verlaten. Ik huilde in de auto. ‘Ik ben een slaaf en ik mag geen band opbouwen met de simpele humboldtpinguïns. Mijn werkdag duurt langer dan acht uur en ik ben de enige werkneemster met vettige haren en een haviksneus. De seizoenarbeiders uit Wales noemen me een heks, maar ik wil alleen maar bevriend zijn met hen. Eén van hen is een grote fan van Oasis en dat ben ik toch ook?!’

De oude kruisboogschutter monkelde ongepast en hij reed naar herberg Drie Koningen in Houtave. Hij kende de racistische waard en we dronken onnoemelijk veel glaasjes kruidenlikeur. Op den duur werden de glaasjes aquaria en de kruiden op de bodem waren anemonen. Het was logisch dat iets dergelijks zou gebeuren. Ik was altijd vatbaar geweest voor dronkenschap en optisch bedrog. Of was het louter sentimentaliteit? Ik had de dieren niet te zien gekregen. Ik huilde opnieuw. De oude kruisboogschutter bestelde twee grote porties rundswangetjes met frieten voor ons. Ik droeg nog mijn werkkledij: een prachtige strakke rode polo met een silhouet van een otter op de borst, en op de rug de naam en het adres van het sea life centrum. Ik was trots op die polo, trots op mijn job. De racistische waard zei: ‘Mijn ex-vrouw had een tropisch aquarium, ze hield meer van haar clownsvissen dan van deze clown, ha ha ha!!’ De oude kruisboogschutter lachte wrang en zei: ‘Vrouwen… geef ze een arm en ze raken bezeten van tropische vissen.’ Ook hij was dronken.
Onze rundswangentjes arriveerden en de waard zonderde zich af. Een stokoude bietenboer betrad de sinistere herberg. Hij kwam ongevraagd bij ons zitten. ‘Ik heet Kamiel en ik ben een bietenboer met psoriasis,’ zei hij. Maar ik zag geen sporen van zijn vermeende degoutante huidaandoening. De oude kruisboogschutter schonk de bietenboer een pint bier in. Ondertussen frotte ik met mijn voet tegen het perkamenten scheenbeen van Kamiel. Zo dronken was ik. Ik wilde Kamiel bevredigen.

De racistische waard kwam terug en hij zei: ‘Ik heb een documentaire over een linzensoepfabriek bekeken. De fabriek lag in Booneville, Mississippi. Akelig gehucht, misogynie en flatulentie, zo zou je het dorp kunnen samenvatten. Ik weet het niet. Mijn leven is mislukt en mijn zeventigjarige vader heeft zich vorige week opgehangen. Maar voor zijn ophanging heeft hij tijdens een druk familiefeest bekend dat hij vanaf zijn dertigste elke woensdagavond van bil ging met kale glimmende onscrupuleuze Noord-Franse armworstelaars.’
‘En je moeder?’ vroeg ik.
‘Mijn moeder is gestikt in een Peruaanse ratel toen ik vier was, ik heb haar amper gekend maar ik hoorde van verschillende bronnen dat ze een serpent was.’
‘In een Peruaanse ratel!??’
De racistische waard specificeerde: ‘In het pluimpje van een Peruaanse ratel.’
‘Wat een ongelofelijke dood! Laten we drinken want straks komen ook wij onze Peruaanse ratel tegen. Althans: het pluimpje!’ riep ik vrolijk. De waard schonk de glazen vol, de fles kruidenlikeur was bijna leeg. Maar er was nog graanjenever, en kasteelbier.
Ik zonderde me af in een toilethokje en dacht aan Justine. Haast per ongeluk begon ik te masturberen. Droeg Justine bretellen? Ja! Ik kwam klaar en ik haatte mijn leven. Ik verloor het bewustzijn, maar vijf minuten later werd ik wakker in een kleine plas braaksel.

De volgende dag had ik een kater. Justine was chagrijnig. De seizoenarbeiders uit Wales waren eveneens chagrijnig. Eén van hen had de avond voordien in een kroeg een Nigeriaanse paardengokker vermoord. Het was geen racistische moord. Oef. Ik had een boontje voor de bewuste moordende seizoenarbeider. Zonder hem was het werk in de kantine verschrikkelijk. Tijdens mijn middagpauze verdween ik. Het was simpel: ik nam de trein van Blankenberge naar Brugge. In een trance wandelde ik van het station van Brugge naar mijn mistroostige zolderkamer in Koolkerke. Ik was euforisch. Ik maakte een feestmaaltijd klaar: een bord vol baconcrackers en groene olijven. Daarna at ik nog een bokaal Weense worsten met scherpe mosterd, en ik keek naar een film met Natalie Portman die ik toen al niet kon uitstaan. Ze was arm en zwanger en ze overnachtte in een supermarkt.
Mijn moeder ging met mijn halfzusje Zoë naar het sea life centrum om mij een hart onder de riem te steken. Maar ik was dus al verdwenen. Iedereen panikeerde, maar mijn moeder zei: ‘Weglopen is wat Fientje doet, wat Fientje goed doet. Als geen ander.’ De oude kruisboogschutter verscheen. Niet om me een hart onder de riem te steken, maar om me te controleren. Hij was woedend toen hij me niet vond en hij begreep niet dat mijn moeder zo licht ging over dat weglopen van mij. Hij voelde plaatsvervangende schaamte en probeerde de brokken te lijmen in mijn plaats. Maar Justine zei: ‘Monsieur, le freak Delphine a fait une chose impardonnable.’
‘Ze houdt van jou!’
‘Ik weet het. Ik hou ook van haar… ik hield van haar. Ik wilde haar meenemen naar de stad Stockholm, we zouden een hotelkamer delen en elkaars zoute onderarmen likken. We zouden lachen met de tranen en de bananenschillen in knullige Zweedse verborgen cameraprogramma’s gepresenteerd door veel te gladde wezens met slecht zittende pruiken en kriebelige turkooizen carnavalsboa’s, ha ha ha…’
Mijn moeder kocht een pluchen orka voor Zoë in de souvenirshop. Het sea life centrum was uiteraard te klein voor orka’s en mijn moeder vroeg aan Zoë: ‘Wil je geen pluchen citroenhaai? Citroenhaaien hebben we daarnet gezien, je vond ze dartel en komisch.’ Maar Zoë had haar zinnen gezet op de orka. Wulpse Diana zei: ‘Orka’s slapen nooit volledig, er is altijd één hersenhelft die wakker blijft.’ Zoë liet de orka liggen in de trein.

Over de auteur

Delphine Lecompte