Gepubliceerd op: donderdag 22 juni 2023

Delphine Lecompte – Het jaar van de zelfverminking

 

Het jaar 2000 was het jaar van de zelfverminking, althans voor mij.
In de kunstschool had ik wel al eens sneden gemaakt in mijn arm met linomesjes, en nog later met de veiligheidsspelden die mijn rugzak versierden. En als kind had ik mijn benen compulsief bekrast met mijn cassettedoosjes van The Beatles, Don Giovanni en Duran Duran. Maar er was zelden een dokter nodig geweest om me op te lappen. In de gekkenhuizen waar ik verbleef had ik aanvankelijk de verminkende meisjes geïmiteerd, maar het verveelde me algauw en het was me te narcistisch, te theatraal en (sorry) te vrouwelijk. Ik werd bovendien altijd verliefd op dertig jaar oudere versleten ex-boksers en voormalige kooivechters en bleke pornosterren die zo ontzettend betoverend en gewelddadig en onvoorspelbaar en magnetisch en opzwepend waren dat ik algauw vergat om mezelf te verminken. Of beter gezegd: promiscuïteit was de vorm die mijn zelfdestructie aannam, dat was tenminste een vorm waar anderen ook iets aan hadden. Erecties lagen me beter dan messen, hoewel messen uiteraard veel esthetischer en mystieker zijn dan penissen. Bloed was het ultieme doel, en bloed kon ook behaald worden als ik de juiste promiscuïteit bedreef met de juiste meest verkeerde mannen.

In april 2000 ging ik, na drie langgerekte en grotendeels mislukte (ik was nog even labiel en ontredderd) psychiatrische opnames, alleen wonen. In een gemeubileerde studio in de Kongostraat in Gent. Alleen is veel gezegd: mijn nonkel Samuel, de broer van mijn moeder, woonde boven mij. Hij bezat het pand. Nonkel Samuel was een verwende gefrustreerde Cobraschilder, culinaire fotograaf, stukadoor, goudsmid, etser, buikspreker, poolreiziger, spreadsheetgoeroe, misdaadschrijver, windzeiler, berentemmer, valkenier, neushoornjager, uroloog, enzovoort… Mijn grootvader van De Panne had al de bevliegingen van zijn zoon gefinancierd, waardoor de zoon zich vernederd voelde en een enorme hekel had gekregen aan zijn vader. Als kind hield ik van nonkel Samuel omdat hij enkele goocheltrucs kende, en omdat hij joviale vrienden had die me ruw kietelden en op hun schouders droegen en woeste baldadige verhalen vertelden over bezeten yogi’s en over gewiekste sjerpa’s en over sjamanistische lamaverzorgers en over heilige bergbeklimmers en over duivelse mandenweefsters en over bipolaire garnalenpellers en over gemarginaliseerde pantomimedraken en over Timothy Leary. Maar toen ik puber werd brak nonkel Samuel de dichters af waarmee ik dweepte en hij spotte met mijn molligheid. Op een dag in augustus, de ganse familie logeerde in het huis van mijn grootouders van De Panne, wees Samuel naar mij en hij zei: ‘Fientje heeft op mijn deur geklopt vannacht, ze was bang en ze wilde seks met een familielid. Ze is gefrustreerd, het is zo zielig. We moeten haar droppen in een woud, daar zal ze voor zichzelf leren zorgen.’ Iedereen lachte, behalve mijn grootvader die het voor me opnam en zei: ‘De nacht is moeilijk en raadselachtig en huiveringwekkend en verwarrend voor iedereen. Je moet Fientje met rust laten, Sam! En ook eens om charcuterie gaan en de afwas doen, leegloper.’ Maar het was waar, ik wilde seks met nonkel Samuel die nacht. In die droevige lamlendige augustusmaand werd mijn haar deels wit, en ik zou nooit meer overeenkomen met nonkel Samuel.

Maar nu had mijn moeder het dus zo geregeld dat ik in zijn pand woonde, ze betaalde elke maand een fikse huursom aan haar mercantiele broer. Als ik werk had zou ik alles terugbetalen, maar er lag nog geen job in het verschiet. Met nonkel Samuel had ik geen contact. Dat was de afspraak: dat er grenzen zouden zijn en dat ik nooit op zijn deur zou kloppen.
In de kelder woonde nog een tweede huurder: een anarchist, een mislukte student Slavistiek, een ontslagen kiwisorteerder, en lid van een bende die ’s nachts tuinkabouters uit kleinburgerlijke Vlaamse tuinen en hoven roofde. Hij gaf me een sticker van de anti-tuinkabouter bende. Ik begreep het niet. Ik vond plastieken molentjes en gietijzeren stieren minstens even verwerpelijk. In de tuin van mijn grootouders stonden geen ornamenten, enkel een schommelset met een trapeze waarmee ik uren zoet was. Ik oefende met een kort glimmend paars shortje aan en in ontbloot bovenlijf. Ik wilde een circusartiest worden, de pedofiele tuinman moedigde me aan: ‘Fientje wordt de onbetwiste ster van Circus Aladdin! Vlieg, Fientje, Vlieg!’ Ik vloog en ik viel en ik brak mijn schouder. De schommelset werd door mijn grootvader in stukken gehakt en in het haardvuur geworpen. De anarchist gaf me een kommetje lauwe ravioli. Het was een kom voor ontbijtgranen, ik herkende de tijger van de ontbijtgraandoos die mijn tante Anne van Leuven altijd kocht voor haar imbeciele godsdienstwaanzinnige zoon Thomas. Het waren zoete ontbijtgranen en ik was er ook verzot op. Ik at de ravioli met lange tanden.
‘Wil je mijn borsten zien?’ vroeg ik aan de anarchist.
‘Ik heb een lief, ze lijkt op Nastassja Kinski in The Hotel New Hampshire. Nastassja Kinski draagt een berenpak in die film.’
‘Dat weet ik ook wel!’
Geërgerd stond ik op en ik ging naar mijn eigen studio.

Mijn studio was warm maar donker, ik had weinig bezittingen: een frigo, een opgezette zilvermeeuw, de Petersburgse verhalen van Gogol (vele malen gelezen), De Toverberg (ongelezen) en een stereoketen. Ik plakte de anti-tuinkabouter sticker op de zijkant van de walnootkleurige stereoketen. Ik had geen cd’s. Ik had enkele gouden juwelen die ik nog van mijn grootouders had gekregen voor mijn Eerste Communie: een poppetje, een kruis en een munt met een zeemonster erop. Het was nog maar 14u en ik besloot om het goud te verkopen in de Bagattenstraat, en om met de opbrengst cd’s en snoepgoed te kopen. Ik kreeg honderd euro voor het goudwerk: een astronomisch bedrag! Ik kocht twee cd’s in de Fnac in de Veldstraat: Slow Train Coming en West Side Story. Met de rest van het geld kocht ik in een dure superette: een doos dieetgraanrepen, een blok boerenpaté, een pot frambozenconfituur, een pak zachte sandwiches, twee grote blikken cassoulet, vijf ovenverse croissants en zeven condooms om mezelf een air van sterkte en wereldwijsheid te geven.
Mislukt!
Tot slot kocht ik in een apotheek op de Vrijdagmarkt een antimuggenspray en een scalpel. Het was te vroeg voor muggen, maar ik wilde de aandacht afleiden van het scalpel. De apotheker was totaal niet geïnteresseerd in mij: noch de antimuggenspray noch het scalpel deden hem fronsen, laat staan een opmerking maken. Hij zei zelfs niet ‘Tot de volgende keer!’ toen ik de apotheek verliet.

Terug in mijn studio in de Kongostraat luisterde ik tientallen keren na elkaar naar ‘Gee Officer Krupke’: ‘Hey, I’m depraved on account I’m deprived!’ Daarna luisterde ik naar ‘I Feel Pretty’, slechts eenmaal. Ik had honger gekregen. Ik zette de muziek uit en maakte de inhoud van een grote blik cassoulet soldaat, en de doos dieetgraanrepen, en de pot frambozenconfituur. Het was te laat voor terughoudendheid nu, dus verslond ik ook nog het tweede blik cassoulet en de vijf croissants. Ik braakte op de kachel, en ernaast. Toen nam ik het scalpel en begon ik in mijn linkerarm te snijden. Eerst ondiep.
Plots veel te diep: het bloed gutste uit mijn arm en ik liep in paniek naar de kelderstudio van de anarchist. Hij belde een ambulance op. Ik werd plaatselijk verdoofd, gehecht en gezwachteld in de spoedgevallendienst van Sint Lucas, maar toen de dokter me even liet bekomen in de naargeestige beige box nam ik een scherp instrument uit één van de laden en ik sneed alle draadjes stuk en maakte nieuwe wonden. De dokter was razend en deze keer hechtte hij mijn wonden zonder verdoving. Daarna werd ik gevoerd naar een immens kil sinister psychiatrisch centrum in Sleidinge. Het was ochtend ondertussen.

Ik werd achtergelaten in een kale kloosterachtige ontbijtzaal met lange tafels en sober servies. Een magere man sprak me aan, hij waarschuwde mij: ‘Nestel je niet in de psychiatrie zoals ik heb gedaan. Maak iets van je leven, het is nog niet te laat!’ Twee barbaarse verpleegkundigen gooiden hem op een berrie en ze fixeerden en sedeerden hem. Ik moest niet blijven in het centrum. De zware poort ging open en ik werd woordeloos buitengezet. Ik nam een bus naar het centrum van Gent. In de bus werd ik aangesproken door een racistische vogelwichelaar die me probeerde te bekeren tot zijn xenofobe gedachtegoed. Maar ik had altijd meer gehouden van The Sharks dan van The Jets. Ik weet het: nu klink ik naïef. Naïef en sentimenteel.
Ik dweilde het bloed op en deed een dutje. Nonkel Samuel maakte me bruusk wakker. Hij was woedend, de anarchist wilde verhuizen omdat hij het niet aankon om in hetzelfde pand te wonen als een zichzelf verminkende boulimische zottin. De rest van het jaar bleef ik kerven, maar nooit meer zo erg als die nacht in april. Het goud, de vreetbui, Russ Tamblyn, het scalpel…
Nee: eerst was er die tijger geweest, die tijger op het kommetje voor ontbijtgranen. Het kommetje dat door de anarchist verkeerdelijk werd gebruikt voor goedkope ravioli. Zo was het begonnen.
De tijger had alles in gang gestoken.

Over de auteur

Delphine Lecompte