Gepubliceerd op: maandag 16 januari 2023

EI 346: William Carlos Williams / Ad Zuiderent – Pastorale

 

De kleine mussen
hippen losjes rond
over de stoep
met schelle stemmen
hakketakkend
over van alles
wat hen boeit.
Maar wij die wijzer zijn
trekken rond ons zelf
muren van zwijgen op
en niemand weet
of we iets goed vinden
of slecht.
                Onderwijl
loopt de oude man die overal
hondenpoep bij elkaar veegt
zonder op te kijken
door de goot
en zijn passen
zijn waardiger dan
die van de dominee in toga
die de kansel nadert
voor de zondagspreek.
                Dit alles
slaat mij met stomheid.

 

Het voorliggende gedicht is een vertaling van een Engelstalig gedicht van de Amerikaanse dichter-essayist William Carlos Williams (1883-1963). Het gedicht heeft een opvallende strofische bouw, is karig met interpunctie, heeft geen eindrijm, is episch van toonzetting en valt op door plastiek en fragmentatie. Het gedicht bestaat uit vier zinnen, die elk een fragment beschrijven.

De versregels zijn uiterst kort waardoor de opgeroepen beelden als in een film sneller en flitsender lijken te passeren. De titel is enigszins misleidend in de ware zin van het woord. De inhoud refereert niet aan herdersspel of arcadia. De inhoud van het gedicht lijkt eerder confronterend te zijn. Maar waarmee wil de dichter en zijn vertaler de lezer dan confronteren? Daartoe is nodig dat we eerst nader in beschouwing nemen de inhoud van de plastische taferelen die in de vier te onderscheiden fragmenten zijn waar te nemen.

Het eerste fragment dat loopt van v1- v7 wekt de indruk een Natureingang te zijn. Meestal een stereotype inleiding van lyrische gedichten. Het vertaalde gedicht van Williams is echter eerder beschrijvend van aard, ofschoon de inhoud halverwege langzaam verschuift naar een meer opiniërend gedicht.

Toch lijkt de veronderstelling dat het eerste fragment een Natureingang is te moeten wijken voor de opkomende gedachte dat het mussenspektakel eerder een zinnebeeld is voor het ongedwongen en spontane spel van kleine kinderen die volledig in hun spel opgaan en een nog ongemaskeerd gedrag vertonen. Ook al omdat de levendige en ongeremde passages in het eerste fragment in schril contrast staan met die van het tweede fragment dat van v8 – v13 loopt: ‘Maar wij die wijzer zijn / trekken rond ons zelf / muren van zwijgen op.’

De beide fragmenten zijn aan elkaar gesmeed door het nevenschikkende voegwoord: maar. In tegenstelling tot kinderen zijn volwassenen gesloten; zij verbergen zich achter façades. Ontoegankelijk, niet prijsgevend of zij ‘iets goed vinden / of slecht.’ En de dichter noemt zich één van hen. Toch lijkt hij -gelet op het vervolg van het gedicht- dat gedrag te verwerpen. Het gedicht gaat vervolgens geruisloos over op een heel andere scene die zich gelijktijdig -want ‘onderwijl’- afspeelt in het derde fragment van v14 – v18.

De camera zoemt in op een oude man die werk verricht waarvoor weinigen zich heden ten dage nog lenen, namelijk een grijsaard ‘die overal / hondenpoep bij elkaar veegt / zonder op te kijken’. De werkman heeft geen aandacht voor zijn omgeving, net als de mussen, c.q. de kinderen in het eerste fragment. Hij doet zijn werk nauwgezet en ondanks zijn geschuifel zijn volgens de dichter zijn schreden waardiger dan die andere man die in het vierde fragment (v19 – v24) ten tonele verschijnt.

Het gaat hier om een dominee die in toga naar zijn preekgestoelte loopt voor de zondagspreek. Dit fragment lijkt niet gespeend te zijn van enig cynisme: de hondenpoepverzamelaar versus Gods spreekbuis. Reeds in het beschrijven van de manier waarop beide mannen zich voortbewegen, valt de voorkeur van de dichter op de oude man. Maar er is meer: ook qua deugdzaamheid lijkt de oude, zwijgende man het van de met toga opgetuigde geestelijke te winnen: nederigheid versus verhevenheid of waarheid versus leugen.

De inhoud van het derde en vierde fragment doen overigens denken aan een pareltje uit het oeuvre van Gerrit Achterberg, namelijk aan zijn gedicht De werkster. Ook bij Achterberg moet de dominee eraan geloven.

De laatste twee versregels vormen een climax. Namelijk de persoonlijke ontboezeming van de dichter dat de waargenomen taferelen voor hem een openbaring zijn van een ingehouden emotie: ‘Dit alles / slaat mij met stomheid.’, wat inhoudt dat de dichter van verbazing sprakeloos is en niet meer weet welke woorden te kiezen. De dichter zegt als het ware: ik kan niet meer zijn zoals de mussen op de stoep: ongeremd, speels en vrij mijn stem laten horen, maar ik wil ook niet zijn als de dominee die onder Gods troon alles maar kan zeggen tot Diens meerdere glorie.

 

 

Kijken met andermans ogen
Ad Zuiderent
Uitgeverij Querido
ISBN 9789021467856

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.