Gepubliceerd op: donderdag 19 januari 2023

Delphine Lecompte – De dood van mijn grootvader

 

Mijn grootvader van De Panne stierf zoals Elvis Presley maar beter gekleed en minder pafferig.
Noch ik noch mijn grootmoeder was bij hem toen hij de pijp aan Maarten gaf. Zijn oudste dochter, tante Anne van Leuven, hield zijn hand vast. En het was Anne die me opbelde om het slechte nieuws te melden.
Het was 11u ’s ochtends en ik kwam net terug van mijn ochtendshift in de zuivelafdeling van de supermarkt in Sint Kruis waar ik werkte aan het begin van de 21ste eeuw. Mijn achterlijke neef Thomas nam de hoorn af van zijn moeder en vertelde me dat hij een sweatshirt van De Leeuwenkoning had gekregen, maar de sweatshirt had een fabricagefout en Thomas huilde smartelijk. Ik probeerde hem te troosten. Ik hield van Thomas, hij maakte fantastische kleurrijke tekeningen van bekende Bijbelse taferelen. Vaak de mirakels van Jezus, maar ook de ladder van Jacob en het bedrog van Esau en de ark van Noah. Nooit Eva en de slang en de appel, nooit de verdrijving uit de hof van Eden. Ik hield ook van Thomas omdat hij me vaak streelde in de camionette van zijn vader als we terugkeerden van een stichtelijke uitstap naar een klooster of Gallo-Romeins museum.
Tante Anne nam de hoorn terug en zei: ‘Je grootvader heeft geen pijn geleden.’ Dat kon zij niet weten. Ze huilde en herpakte zich, ze huilde opnieuw. Haar huilen werd hortend en hysterisch. Ik verbrak de verbinding en at een blik maïs aan mijn kleine vastgenagelde keukentafeltje.
Ik voelde niets.

Toen ging ik naar buiten en in de nachtwinkel naast de carnavalswinkel kocht ik een grote zak pickleschips en een exorbitant geprijsde fles passievruchtenjenever. De struise achterdochtige sceptische zwaarmoedige fronsende Nigeriaanse uitbater zei: ‘Mijn dochter heeft een machinist vermoord.’ Ik vroeg: ‘In Afrika?’
‘Nee, hier in Brugge, vlakbij, in de Gouden Boomstraat. Ken je de Gouden Boomstraat?’
‘Ja.’
‘Wel, daar dus.’
Ik staarde nog een tijdje naar de fopartikelen en de tovenaarshoed in de etalage van de carnavalswinkel en keerde daarna schoorvoetend terug naar mijn piepkleine studio in het pand vol gespuis: junkies, slachters uit de Dominicaanse Republiek, messentrekkers, kannibalen, schizofrene Armeense ex-pornosterren, pyromanen, helers en alcoholisten. Ik had schrik van de helers en ik haatte de slachters. Behalve Ramon.
Terug in mijn studio zocht ik op een kaart van Brugge waar de Gouden Boomstraat lag. Net buiten de Ezelpoort, een aangename wijk, rustig, veel groen. Maar nu was er een machinist vermoord door een jonge Nigeriaanse vrouw en de wijk zou jaren nodig hebben om van de brutale moord met voorbedachte rade te bekomen.

Ik zette me op mijn bed en bekeek lamlendig snookerwedstrijden op een Engelse zender. De diepe plechtige mystieke concentratie en klederdracht van de snookerspelers trof me als fel ontroerend en lichtjes afgunstwekkend. Ik was versnipperd rusteloos dromerig lomp verward stuurloos doelloos… walgelijk en onwaardig. Ik had geen roeping, ik had zelfs geen hobby. Geen enkele sport die ik beoefende en een man had ik ook al niet. In de supermarkt was ik de vreemde eend in de bijt. Enkel Jacques en Christine verdroegen mij. Vooral Christine die blond stekeltjeshaar had en een anorectische lichaamsbouw. Ze ging vaak naar Luxor en ooit had ze in een karaokebar aldaar een gouden hangertje van een pijlstaartrog gekregen van Tom Jones. Althans dat beweerde ze. Christine had een nukkige kastanjebruine merrie die ze vereerde. De merrie heette Judith, maar Christine noemde het beest meestal Jukebox.
Ik dronk de fles passievruchtenjenever te vlug leeg en ik braakte op mijn donsdeken en op mijn werkschort. Ik nam de laatste maanden de moeite niet meer om na mijn werk van kleren te veranderen, ik kwam toch zelden buiten.

Ik ging opnieuw naar de nachtwinkel en kocht een tweede fles passievruchtenjenever. De uitbater deed alsof hij me niet kende. Ik zei guitig en frank: ‘Je dochter heeft een machinist vermoord in de Gouden Boomstraat.’
‘Ja, dat klopt. Hij was haar opvliegende verloofde maar ze had dat niet mogen doen.’
‘Nee.’
‘Ze heeft hem vermoord met een broodmes.’
‘Wauw!’
‘Wauw?’
‘Sorry.’
De uitbater gaf me woordeloos een dikke plastieken opbergdoos die gevuld was met zwarte olijven. De etalage van de carnavalswinkel was veranderd: in de plaats van de tovenaarshoed lag nu een vampiercape en waar de fopartikelen hadden gelegen lagen twee stapels maskers: de ene stapel was Ronald Reagan en de andere stapel was een Slavisch ogende tekenfilmwolf. De tekenfilmwolf was het minst populair, het was de hoogste stapel.

Terug in mijn piepkleine studio at ik de zwarte olijven op en ik dronk heel traag de tweede fles passievruchtenjenever leeg. Ik viel in slaap en droomde dat ik mijn jongste zusje Zoë liet vallen van een balkon en dat er een hagedis uit haar gespleten schedel kroop. Ik was ontroostbaar en sloeg op de vlucht, maar in een kusttram werd ik bij de kraag gevat door een wrede man met een lelijk bronzen beeld van een gespietste stier. Hij leek op Orson Welles en hij vond dat ik meteen geëxecuteerd moest worden. Dat vond ik zelf ook, maar twee stokoude dames met stola’s begon te krijsen en eisten eerherstel voor mij.
Toen ik wakker werd fatsoeneerde ik mijn kleren, dronk ik koffie, at ik een zachte sandwich met een hele dikke laag chocopasta en las ik de laatste pagina’s van The Heart of the Matter en fietste dan vlug naar de supermarkt.
Ik popelde om in de armen te worden genomen door de dorre verbiedende matrones en crêpeachtige fantasieloze serpenten. Maar toen ik mijn collega’s vertelde dat mijn geliefde grootvader was gestorven vonden ze dat ik geen medelijden verdiende omdat hij oud was en niet mijn vader. Maar mijn grootvader van De Panne was veel warmer en wijzer en guller en tederder en exuberanter en onstuimiger en hypocrieter en vrolijker en essentiëler geweest dan mijn kille ontoereikende vader ooit zou zijn!

Christine had een vrije dag en ik liet een glazen pot roze yoghurt vallen. Ik lachte omdat ik moest denken aan de grappig getitelde dichtbundel van Gust Gils: Afschuwelijke Roze Yoghurtman. Ik wilde zo graag een gloedvolle bezielde interessante subversieve tegendraadse dichter zijn, maar de weinige verzen die ik neerpende zaten vol seks en kalkoenen en zelfmedelijden en moederhaat.
Ik nam een glasscherf en sneed mezelf in mijn onderarm. Rita begeleidde me zwijgend naar het dispensarium, waar de blozende schelmachtige Rudiger van de wijn- en borrelnootjesafdeling me oplapte. Hij zong mee met de supermarktmuziek: ‘Give a little bit of your love to me.’ Ik had altijd stiekem van dat liedje gehouden, en van Rudiger. Hoe schriel en armzalig en sullig en boers en naïef hij er ook uitzag. Aan Rudiger kon ik het kwijt: het grote verlies dat de dood van mijn grootvader van De Panne betekende. Ik vertelde aan Rudiger dat mijn grootvader een geile onverzadigbare complexe gekwelde wellustige emotionele bandeloze duizelingwekkende sater was geweest met een grote liefde voor de films van John Cassevetes en Howard Hawks, met wilde paarden en een zeilboot Juanita genaamd, met woeste Wit-Russische minnaressen en bastaardkinderen bij wulpse garnalenpelsters en talloze gokschulden in Hondurese havensteden. Een echte man en we hadden elkaar bemind, mijn grootvader en ik, ruwe ambigue onbehoorlijke liefkozingen waren dagelijkse kost geweest in De Panne, oh De Panne. Mijn grootvader kneep mij en beet mij en kietelde mij en likte mij en knevelde mij en kwelde mij en chanteerde mij en verwende mij en verwenste mij en vergiftigde mij en vleide mij en joeg mij de stuipen op het lijf en schudde mij door elkaar en hing mij ondersteboven aan een tak trap trapeze, trapeze trap tap tap tap tat tat tat ratatat trak trak trak tak! De hoogste tak van de melktandenboom.
Ik huilde en Rudiger depte mijn tranen met zijn grote lichtgele zakdoek met kuikentjes. ‘Pasen?’ vroeg ik met bevende stem. ‘Ja, een paasgeschenk van mijn petekind.’ Ik pijpte Rudiger dankbaar en keerde terug naar de zuivelafdeling. Tussen de flan en de margarine nam ik me voor om een betere dichter te worden: gedisciplineerd zou ik elke dag minstens drie uren lang aan mijn gedichten werken. De discipline zou misschien vuur worden. Vuur zou bezetenheid kunnen worden. Van bezetenheid was het een korte route naar genialiteit. Of waanzin.
Maar toen ik die dag thuiskwam van mijn shift was ik uitgeput. Ik at een blik kidneybonen en maakte 24 Melo -Cakes soldaat en daarna luisterde ik naar de comeback van de korzelige venijnige onweerstaanbare Morrissey: You are the Quarry, en viel ik in slaap.

De volgende dag ging ik naar De Panne voor de begrafenis. Het was niet prachtig. Mijn moeder gaf een aanstellerige speech en niemand erkende mijn afschuwelijke peilloze verdriet, een taaie knagende ergerlijke pijn die nooit meer voorbij zou gaan.
Ik stal veel geld in de vestiaire tijdens de rouwmaaltijd. Zotte tante Katrien betrapte mij, maar ze glimlachte samenzweerderig en haalde mild en meisjesachtig haar schouders op. Aspergesoep en vol-au-vent. Mijn moeder flirtte met een verre neef: een pretparkuitbater met een te brede tong voor zijn nauwe amfibische mondje.
The End.

Over de auteur

Delphine Lecompte