Gepubliceerd op: maandag 12 december 2022

EI 342: Wim Bluemers – Batterie-kinder / Batterij-kinderen

 

Bangladesh, sloppenwiek
Kilamur
Dree maol in de wekke
komp ter ne vrachwagen
vol olde batteri-jen
en wordt der estort
Op den barg zit moders
met kleine kinder
Met ne bolle iezer
slaot ze de batteri-jen
in stukke
Twee kwartjes daags
kriegt ze um der de
koolstaven uut te slaon
Poriendepe zit ’t grei
in eure gezichter
en in eure hande
Veur twee kwartjes
daags ne reize naor
de helle
Kinder as laevensverzekering
veur de olden
Hoo old ze wordt??!!
Halima is now negen
zol ze nog tien joor
te good hemmen?
’t Vergif zit now al
depe in eur
Zolle onze batteri-jen
der ok hen gaon?
Bangladesh, sloppenwijk
Kilamur
Drie keer in de week
komt er een vrachtwagen
volgeladen met oude batterijen
die daar worden gestort
Op de berg zitten moeders
met kleine kinderen
Met een staaf ijzer
slaan ze de batterijen
in stukken
Twee kwartjes per dag
krijgen ze om de
koolstaven eruit te slaan
Poriëndiep zit het stof
op hun gezichten
en op hun handen
Voor twee kwartjes
per dag een reis naar
de hel
Kinderen als levensverzekering
voor de ouders
Hoe oud worden ze??!!
Halima is nu negen
zou ze nog tien jaar
tegoed hebben?
’t Vergif zit nu al
diep in haar
Zouden onze batterijen
daar ook naartoe gaan?

(Vertaald door Hans de Beukelaer)

 

De inhoud van het gedicht is een aanklacht tegen de harteloze exploitatie van kinderen in een even troosteloze als uitzichtloze regio, namelijk de voortdurend door overstromingen geteisterde delta van de Ganges, Bangladesh. Het gedicht heeft qua inhoud meer weg van een stukje proza of van een korte column. Maar dat deert niet. Het ontbreken van witregels is niet zonder reden. Er lijkt anno 2022 nog steeds geen einde te komen aan de schier oneindige kinderstromen die door nood en armoede gedwongen hier en elders op smerige afvalbergen rondstruinen om in leven te blijven.

De titel van het gedicht, ‘batterij-kinderen’, is tevens het thema. Een samenstelling die naar kinderen verwijst die met het kapotslaan van batterijen een karige kost verdienen; een titel ook die aan kinderen refereert die gedoemd zijn elke dag opnieuw als batterijen opgeladen te worden om in stank en stof geestdodend werk te verrichten en tenslotte verwijst de titel naar pril ontluikende mensenkinderen wier leven al onttakeld is voor het echt begonnen is.

De dichter verplaatst de blik van de lezer naar de sloppenwijk Kilamur. Wekelijks komt er drie keer ‘een vrachtwagen / volgeladen met oude batterijen’ die leeggestort wordt op een alsmaar hoger wordende afvalberg: restanten van overdaad en verspilling elders. En op die bergen vol gif en ongedierte sloven Bengaalse gezinnen, moeders met kroost, voor een schamele bete broods.

Zij slaan batterijen in gruzelementen met provisorisch gereedschap, waaronder ijzeren staven of bij gemis daarvan vuistgrote stenen. In die batterijen zitten giftige stoffen zoals cadmium, lithium en kwik. En als de batterijen gaan lekken komen er de gezondheid schadende zuren vrij. Het verbrijzelen van batterijen kan bovendien leiden tot ontploffingen die verwondingen aan huid en zicht kunnen veroorzaken. En dat allemaal voor de enkele stuivers opleverende metalen als koolstofstaaf, nikkel of lood.

De verontreinigde afvalbergen zijn niet alleen het domein van schoolkinderen die er lange dagen slavenwerk doen maar ook voor peuters en kleuters die er ’spelen’ onder moeders rok. Het uitputtende werk in nu eens vochtige broeierigheid en dan weer zware regenval tast de gezondheid aan en laat diepe groeven achter op gezicht en huid. Het is de hel op aarde, zoals de dichter in v19 aangeeft.
Kinderen verworden tot louter economische objecten; zij zijn als goedkoop materieel of werktuig nodig om gezinnen in leven te houden. Kortom: ‘kinderen als levensverzekering’ voor de ouders. Zij kennen geen horizon, geen droom of hoop alleen maar wanhoop. En dat doet de dichter de prangende vraag stellen: ‘Hoe oud worden ze??!!’ Hij geeft de ellende vervolgens een gezicht. Een van de slaafjes daar, is Halima, een meisje dat nu negen jaar is. Hoeveel levensjaren wacht dit kind nog met verstorven lach, dofheid in de ogen en als neergeknuppeld in levenslust? Zou ze nog 10 jaar tegoed hebben? Het onzichtbare gif vreet zich intussen een weg in haar vitale organen. Ze zal steeds zwakker worden en op een dag niet meer opstaan.

Aan het eind van het gedicht wordt er door de dichter in de vorm van een wat bizarre formulering een vraag gesteld: ‘Zouden onze batterijen / daar ook naartoe gaan?’
Alsof een ontkenning daarvan ons -verwende en egoïstische westerlingen- zou vrijwaren van enige schuld of compassie! Kortom, de lezer wordt een gedicht voorgeschoteld waarvan de strekking niet vaak genoeg kan worden herhaald.

 

 

De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie
101 gedichten uit het Koninkrijk van 1945 tot nu
samengesteld door Tsead Bruinja
Uitgeverij Querido
ISBN 9789021436937

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.