Gepubliceerd op: donderdag 8 december 2022

Delphine Lecompte – Onze luchtballonvaart

 

Toen de oude kruisboogschutter 75 werd trakteerde ik hem op een luchtballonvaart.
Ik had het twee weken voordien geregeld. We zouden opstijgen op de parking van een vleesfonteinenbedrijf in Oostkamp. De dagen voor de geplande luchtballonvaart regende het constant. Ik volgde koortsig het weerbericht, de wolken werden een tijdelijke obsessie. De luchtballonvaartfirma belde me op om te zeggen dat we niet in Oostkamp maar in Wetteren zouden opstijgen. In Wetteren zou het droog zijn.
Twee dagen voor zijn verjaardag verklapte ik de verrassing. De oude kruisboogschutter was extatisch, hij droomde al zijn ganse leven van een luchtballonvaart. Ik niet.

Ik herinnerde me de luchtballonvaart van meester Willy. Ik was tien en zat in het vierde studiejaar. We stonden met de klas op de Vrijdagmarkt in Gent en plots kroop meester Willy in een solide glanzende mahoniegekleurde mand. Hij had ons wijsgemaakt dat we een drukkerij zouden bezoeken die dag. Op de vrijdagmarkt lag een grill waaruit hete lucht kwam en de vulgaire vroegrijpe Wendy deed de beroemde scène uit The Seven Year Itch na. Een paar seconden later zag ik naast het standbeeld van Jacob van Artevelde een lege portefeuille en een gave mango liggen. Er stond een Canadese boyband op de portefeuille. Ik haatte boybands. Toch raapte ik de portefeuille op en ik stak hem in mijn achterzak. De mango liet ik liggen.
Naast de mand lagen treurige doeken en doffe zeilen. Het vuur zag er chemisch uit, niet magisch. Geen rode vlammen maar blauw gas. De doeken en zeilen werden opgeblazen en de mand steeg traag op. Meester Willy zwaaide naar ons, we zwaaiden niet terug. Meester Willy was een fiere racist en hij spotte altijd met de schilderijen van de Turkse kindjes. Elke dag moesten we een schilderij van het Belfort met de draak maken. Elke dag zei meester Willy tegen mij: ‘Er is geen groot kunstenaar aan jou verloren gegaan.’ Het deed pijn, want ik wilde zo graag een groot kunstenaar worden. Mijn idolen waren Degas, Ingres en Van Gogh.
We hoopten met z’n allen dat meester Willy ergens in een jungle in Papoea-Nieuw-Guinea terecht zou komen en dat een wrede speelse stam hem een lesje zou leren. Koppensnellers. Maar meester Willy en de mand landden na dertig minuten veilig op de Vrijdagmarkt en hij werd als een heldhaftige alpinist geïnterviewd door de regionale krant.

Van mijn moeder leerde ik die avond dat de twee Franse gebroeders Joseph Michel en Jacques Etienne Montgolfier de luchtballon hadden uitgevonden en dat ze er hun naam aan hadden gegeven: montgolfière (vrouwelijk). Een schaap, een haan en een eend waren de eerste passagiers geweest, de allereerste luchtballonreizigers waren de stadsmuzikanten van Bremen. Wonderlijk! Nee, afschuwelijk. Dierenmishandeling. Megalomanie. Een perversie van de ark van Noah.
Mijn vader vertelde me in het weekend (om de twee weken moest hij een weekend tegen zijn zin voor me zorgen) dat Jules Verne een avonturenroman had geschreven over een vijf weken durende luchtballonreis. Ik zei: ‘Die roman wil ik lezen!’
‘Waarom?’
‘Ik weet het niet.’
Mijn vader zuchtte geërgerd en liet me enkele uren alleen. Ik speelde met zijn twee meest exotische bezittingen: de Congolese xylofoon en de slagtand uit Namibië. En daarna kuste ik de sterren die ik herkende op de hoes van Sergeant Pepper’s: de dikke en de dunne, Marilyn Monroe en Mahatma Gandhi. Het was koud in de kleine studio en ik voelde me schuldig toen ik twee muntstukken stal die op de schoorsteenmantel lagen. Mijn vader kwam lichtjes beschonken terug en we aten zwijgzaam lauwe macaroni met kaassaus.

Toen ik de luchtballonvaart schonk aan de kruisboogschutter was ik dertig en volgde ik een cursus verpleegkunde voor volwassenen die de weg zijn kwijtgeraakt of plots idealistisch zijn geworden. Ik was de weg kwijtgeraakt. Voor de zoveelste keer. Ik haatte de praktijklessen, vooral de ingewikkelde hygiëneregels en het plooien van ziekenhuislakens. De les die me het meest beviel was anatomie, ik hield van de prachtige muzikale Latijnse namen voor onze vele botten: clavicula, scapula, mandibula en het smakelijk klinkende patella spraken het meest tot mijn verbeelding. Meestal ging ik niet naar de praktijklessen, maar verslond ik boeken over anatomie in de bibliotheek van de ziekenhuisschool.
Maar ik las ook romans: Belladonna en Onvoltooid verleden van Hugo Claus, en Disgrace van Coetzee. Een oude dokter die een gastcollege kwam geven over fagocyten sprak me aan en vroeg me of ik van poëzie hield. ‘Ik denk het wel,’ antwoordde ik met krakende stem.
Ik bloosde, ik was het niet gewend om met respect aangesproken te worden door autoriteitsfiguren. Het gastcollege was bestemd voor de studenten van het laatste jaar (ik zat in het eerste jaar), maar ik ging helemaal vooraan in de aula zitten en niemand jaagde mij weg. Ik was ontgoocheld dat de oude dokter geen oogcontact met me maakte. Fagocyten, ook al zo’n fantastisch doch sinister woord. Ik begreep bitter weinig van het gastcollege. Er was voorkennis nodig over fagocyten en die voorkennis had ik niet. De volgende dag zat ik opnieuw in de bibliotheek, de oude dokter betrad de bibliotheek en overhandigde me plechtig een bloemlezing van Baudelaire. Het waren donkere sierlijke macabere bezwerende gedichten en ze gaven me zin om ook poëzie te schrijven. Ik begon hele rare deerniswekkende gedichten te schrijven, het beviel me en ik begon meer poëzie te lezen en te experimenteren met vormen en klanken en stijlfiguren.

Op de dag van de luchtballonvaart, op de dag dat de oude kruisboogschutter 75 jaar werd waren er twee gedichten van mij aanvaard door de redactie van een literair tijdschrift. Ik sprong een gat in de lucht en belde mijn grootmoeder van De Panne op. Ze begreep het belang van de publicatie niet. Ze lachte schamper en zei hautain dat de publicatie niets betekende. Ik wilde haar wurgen, maar toen nieste ze en ik zag haar opnieuw graag.
Na het middagnieuws reden de oude kruisboogschutter en ik naar Wetteren, het was een koude sombere grijze herfstdag. De oude kruisboogschutter was als een kind zo blij, hij ratelde en werkte op mijn zenuwen. In het centrum van Wetteren werden we opgewacht door twee mannen en een vrouw. We reden samen naar een lege weide en tot mijn verbijstering was het de bedoeling dat de oude kruisboogschutter en ik zouden helpen met het uitrollen van de doeken en zeilen. Ik trapte in een koeienvlaai en dat vond de oude kruisboogschutter uiteraard hilarisch.
Van de vaart herinner ik me vooral het panische geblaf van de honden in de kleine kneuterige tuintjes, en de lamlendigheid van het ganse gebeuren: het tempo lag laag en de hoogte was niet eens zo spectaculair. De landing was bruut en Bijbels, we werden uit de mand gekatapulteerd en ik verzwikte mijn enkel. Omdat ik een VIP-arrangement had besteld kregen we een glaasje schuimwijn, een Tupperware potje met kaasblokjes en een foto van ons beiden in de lucht. De foto hangt nog steeds aan de binnenkant van de witte archiefkast van de oude kruisboogschutter, ik zie er gepijnigd uit. De oude kruisboogschutter kijkt trots en verlegen, als een plechtige communicant.
Na de luchtballonvaart wilde de oude kruisboogschutter me trakteren op konijn met kroketten en appelmoes in een herberg in Meetkerke. Ik stikte bijna in het sleutelbeen van het speciaal voor mij geslachte konijn: clavicula.

En de oude kruisboogschutter? Die is vergeten dat ik bijna stikte in het sleutelbeen van een konijn op zijn 75ste verjaardag. Hij is het vergeten omdat het een onbelangrijk incident was. En omdat alles op die dag werd overschaduwd door onze epische troosteloze luchtballonvaart te Wetteren. Een geschenk waarvoor hij mij nog elke dag overvloedig bedankt. ‘Hou erover op, ik vond het hoogst onaangenaam.’
‘Hoogst onaangenaam!’
‘Ja ja…’
‘Delphine, wat ben je vaak chagrijnig de laatste tijd,’ verzucht de oude kruisboogschutter.
Maar ik ben altijd chagrijnig geweest, zelfs mijn geboorte stak mij tegen.
Vooral mijn geboorte.

Over de auteur

Delphine Lecompte