Gepubliceerd op: donderdag 15 december 2022

Delphine Lecompte – Kerst onnozel, Pasen ernstig

 

In onze familie werd Kerst beschouwd als kitsch, het belangrijke religieuze feest was Pasen.
Van de volwassenen hield enkel zotte tante Katrien van Veurne van Kerst, tot grote ergernis van haar intellectuele zussen en atheïstische broer. Wij, de onnozele kinderen, hielden uiteraard het meest van Kerst. Maar ik had ook een boontje voor Pasen. Vooral van de heidense overlappingen: de paashaas naast de piëta, de kerstman hand in hand met Balthazar, de palmtakjes gelijmd op de lelijke kleuterklaskleurtekeningen van de klokken uit Rome en de plastieken rendieren uit Lapland op de frisse stralende gloedvolle adventskrans.
Dat Jezus een naakte imbeciele boorling was in een stal en een drietal maanden later reeds uitgroeide tot een verguisde briljante heldhaftige profetische verkeerd begrepen dertiger die werd bespot en gehoond en getergd en verloochend en gekruisigd vond ik vreemd en bovennatuurlijk. Wat het ook was.

Er bestonden slechts twee soorten Jezus in mijn kindertijd: de boorling en de terdoodveroordeelde.

Pasen was ingewikkeld, zowel de liturgie als de chronologie. De staties, het rouwen, de tuin, het kruis, de pesterijen, het terugkeren, het verrijzen, het graf, het verdwijnen uit het graf, het nooit echt verdwenen zijn… zeer raadselachtig en wreed en pervers en onlogisch allemaal.
Kerst was simpel en bevattelijk: ster, stal, ezel, os, mirre, kribbe, Maria, liefde, herders, koningen, wierook, stro, vulva, navelstreng, Jozef.

Tijdens de kerstperiode werden er vettige glanzende hartige romige spijzen en grote decadente potsierlijke misselijkmakende taarten geserveerd.
Een paasmaal daarentegen was ernstig, stug, sober, plechtig, droog en bloedeloos. Een corvee, contemplatie, straf en boetedoening. Het was wrang om de executie van Christus te vieren. Uitbundigheid zou misplaatst geweest zijn.
Maar ook de geboorte van Jezus ging niet over rozen: zijn ouders waren nergens welkom, in geen enkele herberg, er was nochtans plaats zat, ze doolden rond en moesten in totale wanhoop hun toevlucht nemen tot een stal. Ze maakten er het beste van, de herdertjes kwamen. En later maakten ook de wijzen hun opwachting.

Kerst had de beste liedjes, volkse sentimentele hartverwarmende melodietjes met teksten die je meteen kon onthouden.
Pasen had de loodzware donkere strenge ascetische vermaningen van Bach en Haydn.

Kerst werd door iedereen gevierd in De Panne: de bipolaire visser, de verweerde paardengokker, de bulderende meubelmagnaat, de necrofiele tegellegger, de racistische fietsenmaker, de visboer die als twee druppels water op Clint Eastwood leek… iedereen wilde de kerstsfeer opsnuiven en de mensen hingen neon nativiteitstaferelen en sjofele kerstpoppen aan hun gevel om elkaar te overtroeven. De brave onuitstaanbare burgers wier nijdige opzichtige kerstdecoratie uitsluitend bedoeld was om de buren de loef af te steken strafte ik met stront en kadavers: ik dropte de drollen van mijn boxerhond Fredo in hun brievenbus en legde omineuze dode vogels op hun drempel. Wie rijk was en een tuin had plaatste een slede met lichtjes en bordkartonnen silhouetten van gehurkte engelen naast de glunderende gnomen en onsympathieke kastanjebomen. ’s Nachts smolt ik de sleden en molesteerde ik de engelen.
Kerst was vulgair en goedkoop en sentimenteel en artificieel en materialistisch. Ik was een vroom devoot kind en ik ging streng van deur tot deur om aan alle deerniswekkende stervelingen van De Panne te vragen of ze Bethlehem konden spellen. In 1986 kon iedereen Bethlehem spellen, maar in 1987 vielen de narcistische makelaar Acou en de incestueuze imker en de morose windhondenfokker door de mand: B-E-E-T-L-E-J-U-I-C-E, zo werd Bethlehem in 1987 volgens hen gespeld. Heidenen! Ontmaskerd!! Ik bekogelde hun gevel met zeewier en dode krabben en meeuwendrek.

Maar toch was het ook voor mij moeilijk om niet in de melige stroperige val van Kerst te trappen. Het was een ontzettend geurig, kleurrijk en bedwelmend feest. Van zotte tante Katrien uit Veurne kreeg ik elke Kerst hetzelfde geschenk: een grote chocolade schelp gevuld met kleine chocolade mosselen en zeepaardjes. Mijn neefjes Simon en Thomas kregen hetzelfde. Zij waren de achterlijke kinderen van tante Anne uit Leuven. Simon en Thomas sliepen tijdens de kerstvakantie in mijn slaapkamer, en ik sliep tussen mijn grootouders. Dat was een groot voorrecht.
In de hoek van de slaapkamer stond een jachtgeweer en boven het bed hing een erotische Japanse ets: een man met slagtanden vingerde twee vrouwen tegelijk, maar slechts één leek te genieten van zijn strelingen. Mijn grootvader sliep diep en robuust en snurkte formidabel, mijn grootmoeder las Sartre of Bataille en hoestte slijm op en ging naar beneden om een glas grappa te drinken en soms vertelde ze een sprookje maar ze maakte elk sprookje saai, zoutloos, kil, bestraffend, ruig en moralistisch. Mijn grootmoeder stond om 5u op om het ontbijt klaar te maken voor de gasten en voor mijn grootvader, ik bleef nog enkele uren liggen naast mijn grootvader: verliefd bestudeerde ik zijn vlezige wangen, zijn joviale boerse neus met de gesprongen aders en zijn decadente kapsel, hetzelfde kapsel als Robert Mitchum in The Night of the Hunter. Sinister, charmant, sadistisch, ontwapenend, vals. Mijn grootvader dweepte met Robert Mitchum, maar nog meer met Ernest Hemingway en Orson Welles. Hij wilde een verschrikkelijk blasfemisch geniaal verschroeiend monster zijn, maar hij was hopeloos verknocht aan mijn koude misprijzende pretentieuze anorectische superieure genadeloze adellijke grootmoeder.
Ik stond samen met mijn grootvader op om 8u30, we hadden allebei een ochtendhumeur. Mijn grootvader at twee zure appels en drie taaie dadels in ontbloot bovenlijf, aan het hoofd van de tafel. Hij had weelderig borsthaar en vijf purperen wratten net boven zijn rechtertepel. Ik vond die wratten vreselijk en bad elke avond dat ze op een nacht door een goedaardige onzichtbare trol met een tapijtschaar verwijderd zouden worden.
Mijn grootmoeder at staand in de keuken een zuinig potje ongesuikerde yoghurt en twee okkernoten, melancholisch staarde ze naar de buxushaag van het tandartsenkoppel waar ze eens mee op reis was gegaan naar Istanbul, maar ze hadden ruzie gekregen.

Tijdens de kerstvakantie probeerden Simon en Thomas mij in het nauw te drijven en te bevrijden van mijn kleren. Het lukte ze eens in de badkamer, mijn gele kleedje werd gebruikt als blinddoek. Simon stond net op het punt om me te penetreren toen mijn grootvader ons betrapte, hij sloeg Simon bijna dood. Ook dat was Kerst, incest.
Van 23 december tot en met zes januari kwam er vrijwel constant bezoek over de vloer: moordenaars, kreeftenkoks, onderpastoors, brandweermannen, poetsvrouwen, grafdelvers, brillenverkopers… Mijn grootvader gaf iedereen evenveel voedsel en drank, en hij was pas tevreden wanneer er werd gebraakt in een blauwe emmer. Elke gast braakte in diezelfde blauwe emmer en ik was degene die de emmer mocht aanreiken, altijd net op tijd. Niet te vroeg, te vroeg was beledigend. Ook niet te laat, te laat was verwoestend voor het tapijt.

Mijn grootmoeder haatte de eet- en drinkgelagen. Ze haatte het kindeke Jezus. En ze verafschuwde slingers en dennenbomen. Pasen was het feest van mijn grootmoeder. Pedant stond ze erop om het Pesach te noemen. Mijn grootmoeder wilde een Jodin zijn. Intelligent, zwervend, schertsend en lijdzaam. Niemand kwam over de vloer tijdens de paasvakantie, noch familie noch losbandige kennissen of lukrake vreemden. Mijn grootvader ging op fazantenjacht in het Noorden van Frankrijk, nee hij ging van bil met een wulpse garnalenpelster in Lo-Reninge. Maar hij had ook een minnares in Cabourg: Valentina, de piepjonge bastaarddochter van een Oekraïense graaf en een Weense-Boheemse messenwerpster. Oh wat haatte ik Valentina, ze was niet veel ouder dan ik en ze mocht spelen met de purperen borstwratten van mijn geile gulzige saterachtige grootvader. Ze hadden een houten huisje in het bos, speciaal voor hun escapades.
Ik sloeg ze gade met groteske afgunst en razernij die mijn gezicht ouwelijk en toverkolachtig maakten. Ik hoopte dat Valentina een misstap zou begaan. Het gebeurde, de misstap: op een nacht knipte ze de woeste krachtige magische gelukbrengende filmsterharen van mijn grootvader, stiekem en ongevraagd zoals Delilah. Mijn grootvader gaf Valentina een pandoering, ze krijste en riep: ‘Mijn naam is Fedora, wanstaltig seksistisch zwijn! Fedora!!’ ‘Fedora is een hoofddeksel, lichtzinnige troela!!’ schreeuwde mijn uitzinnige cholerieke grootvader.
Het was een droevig spektakel, ik ging weg van het raam en fietste terug naar De Panne. Mijn grootmoeder was hemden en lakens aan het ophangen aan de waslijn, de pedofiele tuinman sprak geestdriftig over het lamskroontje dat hij de vorige dag bij zijn zus en schoonbroer had soldaat gemaakt. De pedofiele tuinman hield net als mijn grootmoeder van Pasen.
Kerst maakte hem somber, hij was eens in elkaar geslagen op Kerstavond.

Over de auteur

Delphine Lecompte