Gepubliceerd op: donderdag 22 december 2022

Delphine Lecompte – Hommage aan Pierre Dutertre en aan mijn brandwonden

 

Pierre Dutertre is een Noord-Franse wielrenner, dronkaard en diabeticus. Pierre zorgt voor zijn stugge inwonende catatonische dertigjarige junkiezoon. Pierre leest de poëzie van de door mij gehate Louis Aragon en de door mij (en vele anderen) aanbeden Guillaume Apollinaire, en dikke biografieën over (o.a.) Isaac Newton, Brancusi, Greta Garbo, Raspoetin, Lech Walesa en Jim Morrison.
Pierre is weduwnaar, hij heeft een langeafstandsrelatie met een ranke aristocratische apotheekster uit Bredene met een schildpaddiadeem in haar korte roodharige elfjescoupe (al beweert hij soms dat ze ‘slechts’ een sletterige gocartverhuurster uit Blankenberge is met een goedkope blonde Beierse vlechtenkrans uit een stoffige carnavalswinkel).

Elk jaar huren de oude kruisboogschutter en ik een aftands vissershuisje in het desolate gehucht Audresselles. Pierre is onze joviale huisbaas. Hij verhuurt vier aftandse vissershuisjes, gelegen op vijftig meter van de Noordzee: het smalste huisje is altijd bestemd voor een flutmannequin die in het zomerseizoen geld komt bijverdienen als serveuse in een kreeftenrestaurant in Wimereux. Ze knielt altijd voor mijn bastaardhondje Bernard, keuvelt tegen hem en negeert mij. Ze is mooi en sproeterig, haar benen zijn afgunstwekkend lang en glad en jongensachtig. De oude kruisboogschutter is verzot op haar, maar Bernard wil niets met haar te maken hebben.

Het huisje op de hoek wordt meestal ingenomen door een tragische verminkte gekwelde katholieke ex-bokser met vijf chihuahua’s: Girofle un, Girofle deux, Girofle trois, Girofle quatre en ‘La Comédienne Jeanne Moreau’.
Het derde huisje gaat naar wisselende gezinnen met weinig geld en veel kinderen, stoere veerkrachtige gezinnen met een mijnwerkersachtergrond en een eigen hoekig taaltje en forse grappen waar je als buitenstaander niet om mag lachen. Het derde huisje is modern ingericht met een Amerikaanse frigo en een dvd-speler die werkt. Geen enkel huisje heeft een internetverbinding en zo hoort het.
Alle huisjes liggen in dezelfde straat: Rue Pasteur. Ook zijn eigen huis ligt in die straat en Pierre valt voortdurend binnen bij zijn vakantiehuurders en overlaadt ons dan met gulzige roddels en taarten en broden en potjesvlees en bruin bier en pornotijdschriften en kasteelgidsen en amuletten.

In 2016 ging ik naar Audresselles met brandwonden, en over die gedoemde vermaledijde vakantie wil ik het hier hebben.
De brandwonden had ik enkele dagen voor ons vertrek opgelopen in de keuken van de oude kruisboogschutter: ik had op die bewuste dag, een donderdag, veel wijn (en een beetje pastis, en een paar teugjes porto) gedronken en plots om 11u ’s avonds had ik razende honger gekregen, dus kookte ik spaghetti maar toen ik het kokende water in de gootsteen wilde gieten kiepte de kasserol de verkeerde kant op en het kokende water kwam op mijn benen terecht. Het deed helse pijn en de oude kruisboogschutter reed vlug naar de dichtstbijzijnde apotheek van dienst. Ik belde kermend mijn toenmalige beste vriendin Lara op die in de psychiatrie werkte, ze zei: ‘Water, water, de rest komt later.’ Ze klonk paniekerig, ze hield niet van crisissituaties. Haar paniek ergerde me en maakte me nerveus. Ik verbrak de verbinding, dronk de laatste fles graanjenever van de oude kruisboogschutter leeg, trok mijn kleren uit en at de gemorste spaghetti van de grond. Het was een groot kluwen en ik spoot er ketchup op om het kluwen zachter en verteerbaarder te maken. Ik spoot ook wat ketchup op mijn brandwonden.

De oude kruisboogschutter trof me bewusteloos aan, hij schudde me wakker en ik braakte. Hij stopte me in bed, vingerde me, smeerde zalf aan mijn brandwonden en zei dat ik een onherroepelijke treinramp was en dat hij me de volgende dag naar de dokter zou brengen. De volgende dag gingen we samen naar de negentigjarige hardhorige wijze empathische lankmoedige taaie Tsjechoviaanse dokter van de verworpelingen: François Hudders. Ik kreeg antibiotica en zwachtels mee. ‘Als de wonden zwart worden of als je koorts krijgt keer dan best terug naar België,’ zei dokter Hudders laconiek en weinig geruststellend.
Een paar dagen later vertrokken de oude kruisboogschutter en ik naar Audresselles, onze jaarlijkse korzelige liefdeloze kwellende beklemmende ergerlijke overbodige traditie. ‘Vertel niets over je brandwonden aan Pierre,’ zei de oude kruisboogschutter in het wegrestaurant. Het was maar anderhalf uur rijden naar Audresselles, maar de oude kruisboogschutter stond er altijd op om even te stoppen aan het eerste wegrestaurant net over de grens. Hij vond dat romantisch, het herinnerde hem aan zijn legertijd in Duitsland.

Hij kocht een souvenirsleutelhanger in de vorm van een kogel en we deelden een broodje kaas in de kantine. ‘Waarom mag ik eigenlijk niets vertellen over mijn brandwonden aan Pierre? Pierre is een uitstekende luisteraar en hij is een dronkenlap net als ik, dus hij zal me niet veroordelen.’ De oude kruisboogschutter zuchtte geërgerd en probeerde daarna te flirten met een Moldavische vrouw wier peuter een blauw oog had, maar haar man kwam ostentatief en vijandig bij haar staan. De man had een vreemde mix van tribale, nautische en nazistische tatoeages op zijn armen staan. En het Engelse woord SERENITY stond in zijn hals met slordige orchideeën rond de letters S en Y. Niets aan de man straalde sereniteit uit, maar het was lovenswaardig dat hij ernaar streefde. Ik vond het ontroerend, maar ik wilde hem waarschuwen dat het een absurd onhaalbaar doel was.
Ook voor mij, absurd en onhaalbaar: sereniteit. Ik had mij daar al lang geleden bij neergelegd. Ik begon te zingen: ‘Sereniteit, sterilisatie, sereniwoesie poesie, tutti frutti ik moet niet weten wat het is, sereniteit en initialisatie, serenimoetie oetie loetie king kong tutti jungle frutti Kellogg’s Smacks en Nutella chocopasta, maar geen tomatensoep met balletjes in het strenge internaat met de wrede nonnen die je molesteren met notenkrakers penitentie penetratie peni wroetie kloetie knoetie bloetie snoetie simsalabim groetie roetie sloerie teef heks kreng de oven in salut en de kost!’
Het was mijn ietwat sinistere versie van Intimiteit van Raymond van het Groenewoud, één van zijn mindere liedjes.

De oude kruisboogschutter verliet kwaad het wegrestaurant en ik beweerde dat ik naar het toilet moest gaan, maar ik kocht vlug twee grote blikken Tsjechische pils en kapte ze in mijn keel naast een rek stropdassen met Polynesische vrouwen van Paul Gauguin als motief. Onmiskenbaar erotisch, zowel de stropdassen zelf als het motief (de Polynesische vrouwen). Impulsief en sentimenteel kocht ik vijftien stropdassen en op de parking deelde ik ze uit aan stugge onbehouwen en verbijsterde truckchauffeurs. Maar de oude kruisboogschutter en de Moldavische neonazi kregen geen stropdas, nee zij kregen niets. Ze waren me te bars en te onbehouwen, te streng en te mooi. Want oh wat was hij verrukkelijk, mijn Moldavische neonazi, hij leek op Kiefer Sutherland in Flatliners.

Twintig minuten later reden we Audresselles binnen. De vakantie werd een tragische slepende deprimerende lethargische catastrofe.
Ik dronk constant zoete witte wijn in het geheim en ik luisterde honderd keer na elkaar naar The Comedians van Roy Orbison. Wanneer de oude kruisboogschutter meezong uit gezelligheid of om de moed erin te houden werd ik woest en opvliegend en schopte ik hem. Hij schopte terug.
Hij bezocht oorlogsmusea en bunkers. Hij kocht een levende krab en kookte het arme nijdige beest levend. We keken naar de lange film Giant. James Dean speelt een megalomane corrupte oliebaron en ik geloof dat het zijn laatste rol was. Elizabeth Taylor is zoals altijd de pittige feministische vranke onafhankelijke Southern Belle. En Rock Hudson is kleurloos en ongeloofwaardig.

Mijn brandwonden genazen miraculeus snel. Te snel. Ik liet Pierre Dutertre zalf smeren op mijn wonden. We dronken Picon vin blanc om 10u ’s ochtends en we spraken over de Franse surrealistische dichters met wie ik als puber zo enorm had gedweept, vooral met Paul Eluard en André Breton. Pierre had op het internet foto’s van me gevonden waarop ik voordroeg tijdens knullige literaire evenementen. Hij beweerde dat ik mooi was op de foto’s, mooi en mysterieus. We tongzoenden en ik zocht zijn erectie, maar ik vond slechts een slap aanhangsel, een deerniswekkend uitsteeksel. ‘Ne t’en fais pas,’ zei ik zacht en grootmoedig. Hij barstte in huilen uit, hij miste zijn erectie. Ik vroeg of hij mijn vagina wilde likken, maar hij vond dat een te tedere te intieme daad. ‘We kennen elkaar niet goed genoeg.’ Gefrustreerd keerde ik terug naar het vakantiehuisje dat ik deelde met de oude kruisboogschutter van wie ik nooit echt zou vervreemden. Hij likte mijn vagina geestdriftig. Ik moest het niet eens vragen.

De volgende dag gingen we samen naar de kerk van Wissant. Er hing een indrukwekkende gekruisigde Jezus in het zijschip. Hij leek als twee druppels water op Conchita Wurst. Na het kerkbezoek trakteerde de oude kruisboogschutter me op een ijslolly. Een circuskaravaan reed voorbij en ik zag een glimp van een melancholische leeuw.

Over de auteur

Delphine Lecompte