Gepubliceerd op: donderdag 20 oktober 2022

Delphine Lecompte – Zuid-Afrika, je bent horror en prikkeldraad

 

In 2012 zegde ik toe om voor te dragen in Zuid-Afrika. Meteen nadat ik had toegezegd sloeg de paniek toe. Ik zocht de moordcijfers op van Zuid-Afrika, redelijk onrustbarend. Ik zocht de dodelijke spinnen en slangen op, maar eigenlijk had ik weinig schrik van de dieren. Het waren de mensen die me angst inboezemden, niet de dieren.
Ik was opgegroeid met de verhalen over de Apartheid en over de wrede gevangenschap van de minzame serene waardige haast heilige Nelson Mandela. Mijn moeder en mijn sombere hypochondrische stiefvader hadden de sinaasappelen van Outspan geboycot, en ook alle andere citrusvruchten die uit Zuid-Afrika afkomstig waren. Maar de Apartheid was voorbij en nu was Zuid-Afrika: de Tafelberg, sympathieke zakkenrollers, uitstekend georganiseerde sportwedstrijden en oogverblindende robben en gazellen. Bovendien waren mijn favoriete dichters er actief, en ik keek ernaar uit om voor het eerst in mijn leven een vliegtuig te nemen.
De oude kruisboogschutter zou me vergezellen, hij had gevochten in Congo en hij had een vreemde sentimentele hartstochtelijke ambigue tirannieke paternalistische betuttelende houding tegenover Afrika. Hij was in zijn nopjes dat hij met me mee mocht. Ik kocht onze vliegtickets en de oude kruisboogschutter regelde de rest. De week voor ons geplande vertrek bekeek ik elke dag Groundhog Day in mijn zolderkamer, soms wel vijf keer na elkaar. Ik kreeg weinig eten naar binnen, ik at soms een half blik erwten en een sneetje peperkoek. Daarna kotste ik alles uit.

Dan was het zover: op 5 september om 12u stipt namen we de trein naar Zaventem, ons vliegtuig zou pas om 22u vertrekken. Mijn nagelschaartje, oestermes, samoeraizwaard en benzodiazepines geraakten zonder problemen door de controle. Ik was dan ook een kleine onopmerkelijke spichtige witte vrouw zonder tulband of andere zichtbare religieuze symbolen. De oude kruisboogschutter deed het alarm afgaan. Hij zei dat hij een pacemaker had. Het was een leugen, maar ook hij kon probleemloos het vliegtuig op.
In het vliegtuig werden we in de watten gelegd: de miniatuurflesjes brandewijn werden kwistig uitgedeeld en we konden ook witte wijn en melkchocolade en fluwelen ooglappen krijgen als we wilden. Allemaal gratis! Ik had niets nodig. Ik luisterde met een koptelefoon van de vliegmaatschappij naar een verzamelalbum van John Lennon: Just gimme some truth
Op een kaart van Afrika kon ik de route volgen: we vlogen over mythische woestijnen en fantastische jungles, ik vond de woeste solide compromisloze onherbergzaamheid van Afrika zeer opbeurend. Er was turbulentie, het vliegtuig zakte naar beneden en we moesten onze veiligheidsgordels aandoen. De oude kruisboogschutter was bang. Of toch alleszins ongerust. Ik niet!
Opnieuw: mensen zijn gewelddadig en onvoorspelbaar en huiveringwekkend, maar dieren en natuurfenomenen bestaan gewoon en als ze mijn pad kruisen dan leg ik me neer bij het lot dat ze voor mij in petto hebben. Ik nam evenwel een dubbele dosis Xanax, en een beetje later viel ik in slaap met mijn hoofd in de schoot van de oude kruisboogschutter. Het ontbijt was afschuwelijk: twee minuscule bordkartonnen croissants en veel te slappe koffie.

In Kaapstad werden we opgewacht door de vrouw die tien dagen lang onze gids en vertrouwenspersoon zou zijn: Eureka.
Eureka was een witte pittige bebrilde racistische babbelzieke vijftigjarige vrouw die meteen gecharmeerd was door de oude kruisboogschutter. En hij door haar. Ik had meteen een hekel aan Eureka: te luid, te opzichtig, te neerbuigend over de zwarte haveloze zielen die aan de stoplichten kraalkettingen en houten poppetjes probeerden te verkopen aan de toeristen. Eureka deed de ramen en deuren van haar Mercedes op slot, maar ik wilde minstens tien houten poppetjes kopen voor mijn zusjes. En een simpele kraalketting voor mezelf. Het mocht niet. We reden verder.
Eureka vertelde onzin over de Nederlandse en Portugese ontdekkingsreizigers die Zuid-Afrika groots en modern hadden gemaakt. Ze negeerde de sloppenwijken en de woeste natuur. Ze legde Bob Dylan op, het begon te donderen. Ze sprak Afrikaans en we begrepen haar moeiteloos. Ze bracht ons naar ons verblijf in een residentiele wijk: overal zag ik witte peuters in buggy’s die door slome ietwat hooghartige en verveelde zwarte vrouwen werden voortgeduwd. De huizen hadden allemaal prikkeldraad. Ook ons verblijf had prikkeldraad, de eigenaars waren cynische bikkelharde rabiate haters van de regenboognatie. Er was een zwembad en ik sloeg een praatje met de zwarte man die het zwembad onderhield, hij had een grappige naam: Kievit. Kievit hield net als ik van Bill Murray en van okapi’s. Tijdens de welkomstbarbecue die avond kreeg ik een standje van de vrouw des huizes omdat ik met Kievit had gesproken, en de volgende dag was Kievit vervangen door een norse zwarte man die me ostentatief negeerde. Hij was jonger en minder zwart dan Kievit.

De eerste nacht sliep ik goed. De tweede dag huilde ik onbedaarlijk en wilde ik naar de Belgische ambassade gaan om daar te schuilen en te wachten op de eerste vlucht naar huis. De oude kruisboogschutter genoot van Zuid-Afrika: van de wijnen, van de ibissen, van de springbokkoteletten, van de grollen met Eureka, en van de Westerse kaastaarten. Pas na vier dagen mocht ik voordragen: in een universiteitsaula met andere dichters uit West-Europa. Maar eerst werden de geesten verjaagd door een zwarte sjamaan met een staf en weinig kleren. Ik moest denken aan het stripalbum Kuifje in Afrika. Het stripalbum was controversieel geworden vanwege de kolonialistische karikaturale vernederende typeringen van de ‘inboorlingen’, maar de sjamaan in die aula leek op de sjamaan in het stripverhaal.
Het spijt me.
Het spijt me niet.
Het publiek was zwart en weerbarstig en rumoerig en kritisch en opstandig. Ze waren opgegroeid in de sloppenwijken en ik schaamde mij voor de verdorven sponzenverkopers en de incestueuze imkers die mijn gedichten bevolkten. Ze leken plots bespottelijk en wereldvreemd. Ik gaf een stroeve voordracht, een Duitse dichteres wilde niettemin een gesigneerde bundel van me kopen achteraf.
Diezelfde dag moest ik ook nog voordragen in Stellenbosch, voor een kleine klas welgestelde slaafse kruiperige hypocriete leerlingen. Wit en fantasieloos, maar ook lief en nieuwsgierig. Een verademing, eerlijk gezegd.

De volgende dag dronk ik wijn en op die manier werd Zuid-Afrika draaglijk. Ik bleef wijn drinken, aan de lopende band. Ik kreeg uilen en luipaarden te zien, helaas in gevangenschap. Ik mocht een zieke uil voederen. De zieke uil beet in de muis van mijn hand, zachtjes.
Ik kocht in een onafhankelijke boekenwinkel een bijbel in het Afrikaans, en twee dichtbundels van Charl-Pierre Naudé. Het viel me op dat zwart en wit gescheiden leefden, ik dacht eerst dat ik het me verbeeldde maar nee… Ik zag geen enkel gemengd koppel, en de wijken waren ofwel volledig zwart ofwel volledig wit. Wie had me wijsgemaakt dat de Apartheid was opgeheven? Dat Zuid-Afrika was genezen, geheeld, uit zijn as herrezen? Het land was nog volop zijn wonden aan het likken. Het was een explosief agressief verbrokkeld verminkt schizofreen niemandsland.
De oude kruisboogschutter zei: ‘Was ik jonger dan zou ik me hier vestigen en een succesvol frietkraam uitbaten, want goede Belgische frieten die hebben ze hier nog niet.’
Ik vond het grappig dat de oude kruisboogschutter zijn fictieve utopische frietkraam het adjectief ‘succesvol’ toekende. Ook al zou het frietkraam nooit bestaan toch was het reeds succesvol.

De laatste dag nam Eureka ons mee naar een botanische tuin. Het was zalig. Ik maakte kennis met de fabelachtige tarentaal, oftewel: helmparelhoen. Ik knielde voor de tarentaal en de oude kruisboogschutter nam driftig en gulzig foto’s. Hij registreerde alles en het ergerde mij. Ik zei streng en kastijdend: ‘Zo mis je alles!’ Maar dat begreep hij niet. Hij dacht net dat hij op die manier niets miste.
Na de botanische tuin voerde Eureka ons naar de luchthaven. Ze omhelsde de oude kruisboogschutter en gaf mij een klam handje. Ze droeg een zonnebril en ik zag mezelf in de glazen: mijn neus was nog altijd gedrochtelijk, maar ik was fel vermagerd. Hoera!
Het vliegtuig zat niet vol, ik had een lege stoel naast mij en kon dus vrij comfortabel slapen. Ik droomde dat ik tientallen gedichten had geschreven in Kaapstad. In werkelijkheid had ik geen letter op papier gezet in Zuid-Afrika! Ik voelde me daar heel schuldig over, maar eens terug in Brugge zou ik dubbel zo hard werken en alles goedmaken.

Mijn eerste poëzievoordracht in België vond plaats twee dagen na de Zuid-Afrikareis, in de bibliotheek van het West-Vlaamse gehucht Oostkamp. Er was een interviewer die me aan de tand voelde over mijn psychiatrische problematiek, over mijn psychosegevoeligheid.
Ik zei: ‘Ik wil spreken over Zuid-Afrika.’
De interviewer zei: ‘Spreek dan!’
Ik kon niet spreken.
Maar ik schreef.
Ik werkte dubbel zo hard.
En dat doe ik nog steeds.

Over de auteur

Delphine Lecompte