Gepubliceerd op: donderdag 13 oktober 2022

Delphine Lecompte – Op taalkamp

 

Mijn moeder had snobistische trekjes: ze vulde haar huis met zeefdrukken van Raoul De Keyser, met pepervaatjes en wc-borstels van Philippe Starck en met stoelen en zetels van Le Corbusier en Eames. Ook ik moest voldoen aan haar beeld van de perfecte welopgevoede gesofisticeerde beheerste twaalfjarige: ze stak me in kleren van Benetton, dwong me om van Ingmar Bergman te houden (het is nooit gelukt), liet gruwelijke metalen blokjes plaatsen op mijn tanden waar niets mis mee was en ze sloeg me wanneer ze me betrapte op een vreetbui met bokkenpootjes en baconchips. Ze was er als de dood voor dat ik een dikke vrolijke vulgaire sensuele puber zou worden. We spraken Frans in de keuken en in de Veldstraat. Mijn sombere mompelende hypochondrische stiefvader mocht niet weten dat we Frans spraken, hij kwam uit een Vlaams-nationalistisch gezin en hij had als student geijverd voor het Nederlands als voertaal in de universiteit waar hij… Romaanse filologie studeerde!

Zowel het snobisme van mijn moeder als de grillige ambigue ideologie van mijn stiefvader bevestigden wat ik al een tijdje wist: volwassenen waren krank en wispelturig en hypocriet. Ik hield van de taal Frans, maar ik hield niet van het Frans dat ik had gehoord in de zeilclub van De Panne: het schabouwelijke opzichtige Frans van verwende notarisvrouwen, narcistische makelaars, naargeestige bontmagnaten met verzonnen Wit-Russische voorouders en pafferige limonadetycoons met dure glanzende mocassins en vlinderhondjes wier frêle pootjes nooit de grond mochten raken. Toen mijn moeder Frans met me begon te spreken verdween mijn liefde voor die taal volledig. Ik gebruikte opzettelijk de verkeerde lidwoorden (ik zei koppig ‘un abeille, un table, la bateau, le vache…’), ik weigerde de Franse werkwoorden te vervoegen (‘je voire, tu manger, elle jouer, nous finir, vous avoir, ils être) en ik sprak de letter ‘r’ uit met de punt van mijn tong: hard, boers en alveolair.

Mijn moeder zond me ten einde raad op taalkamp. Ik was de vreemde eend in de bijt. Ik was het enige kind van gescheiden ouders, het enige kind met een haviksneus en eczeem. Ik wist meteen dat ik het taalkamp zou haten en veel heimwee zou hebben. We kregen kamers toegewezen, nee geen kamers, kotjes slechts van elkaar gescheiden met dunne witte gordijnen. Mijn onbedaarlijke huilbui was hoorbaar voor iedereen. ‘Elle pleure,’ zei mijn pesterige overbuur treiterend, met veel leedvermaak. Ik schreeuwde: ‘Nee!! Ik pas pleurer! Ik chanter, insensitive wankers!’ Ik was een heel kwaad kind en ik vloekte als een metaalarbeider uit Birmingham. Om te bewijzen dat ik niet huilde begon ik Children of the Grave van Black Sabbath te zingen, maar het was te moeilijk (de structuur van het liedje was te lijzig en te slepend voor mij) en dus schakelde ik over op Love Her Madly van The Doors. Dat klonk fantastisch. Ik klonk fantastisch.

Ik werd gestraft door monitrice Esther. Het was verboden om een andere taal dan het Frans te gebruiken en dus moest ik buiten op het rugbyveld afval rapen. Ik zong niet meer, maar ik huilde ook niet meer. De sportleraar kwam me gadeslaan, hij had een guitige blik, borstelige wenkbrauwen en een tatoeage van een mismaakte griffioen op zijn bovenarm. Ik was op slag verliefd en ik probeerde hem te verleiden. Knullig, ik wist nog niets. Ik vroeg: ‘Voulez-vous caresser mon ventre?’ Hij grinnikte en zei geheimzinnig: ‘Later, in het woud.’ Hij zei ‘woud’. Niemand zei ‘woud’. Iedereen zei ‘bos’. Woud klonk prachtig. Sprookjesachtig en een tikkeltje sinister. Ronduit roofzuchtig en pervers. Ik maakte er weer teveel van.
Ik ging verder met afval rapen.

De slome lankmoedige mollige monitor Thierry kwam me halen voor het avondmaal, hij was aardig en sprak honderduit over mijn zotte tante Katrien met wie hij blijkbaar een hete zomer in De Panne had beleefd toen hij twintig was en zij vijftien. Hij hield nog steeds van haar. Maar toen ik hem vertelde dat ze haar lange knoestige robuuste vlechten had afgeknipt en dat ze zich liet koeioneren door een bitter gefrustreerd advocaatje dat boeken over de Inca’s en over Middeleeuwse folterinstrumenten verzamelde maar de boeken nooit inkeek, toen keek Thierry beteuterd en ontgoocheld. Hij voelde zich gekwetst en verraden. ‘Blessé et trahi!’ Oh wat klonk dat groots en nobel en strijdlustig en zielsverheffend in het Frans. Ik vroeg: ‘Voulez-vous caresser mon ventre?’ Thierry antwoordde praktisch en bondig: ‘Ik zal je buik strelen om drie uur ’s nachts, kamer 208. Niet kloppen, gewoon binnenkomen en in mijn bed kruipen.’
Ik kreeg geen hap door mijn keel in de kantine, maar achteraf verslond ik op mijn bed in de slaapzaal achter de dunne witte gordijnen een zak zure beertjes, een pak suikerwafels en een gebroken chocolade kip die zat te broeden op een intacte chocolade mand. ‘Elle bouffe,’ hoorde ik mijn pesterige overbuur fezelen tegen haar beste vriendin wier bitsigheid door haar kreupelheid aan scherpte en geloofwaardigheid verloor. Ik zag hun silhouetten, ze waren al echte vrouwen met brede heupen en gigantische borsten. Ik was vooral jaloers op die borsten. Alle meisjes en vrouwen die ik tegenkwam hadden vanzelfsprekende pronte borsten, maar de mijne bleven klein en bespottelijk, mijn stiefbroer Jan noemde ze ‘muggenbeetjes’. Deze keer schreeuwde ik nog luider: ‘Nee!! Ik pas bouffer! Ik danser, mean spirited cunts!’ En ik begon als een bezetene gordijnen van de rails te trekken, de hele slaapzaal rond. Tot ik bij de kraag werd gevat door monitrice Tiffany, bijgenaamd ‘de emmer’ (ik weet niet waarom).

Ik werd opnieuw gestraft, deze keer moest ik de badkamer en de toilethokjes dweilen. Ik dweilde tot middernacht. Uitgeput viel ik in slaap. Om 7u werd iedereen met een megafoon wakkergemaakt door de directeur van het taalkamp, een akelige snuivende man die als twee druppels water op Mengele leek. Ik had mijn afspraak met Thierry gemist. Schuldbewust raakte ik zijn schouder aan in de kantine, hij verslikte zich in zijn pistolet met abrikozenconfituur. Maar hij herpakte zich algauw en vroeg: ‘Wie ben jij? Wat wil je? Mag ik niet op mijn gemak ontbijten?’
A l’aise.
Dat was een nieuwe uitdrukking voor mij. Ik wurmde me tussen een blonde korzelige tweeling en maakte vijf croissants met appelstroop soldaat. Iedereen vond mijn vraatzucht walgelijk.
In de voormiddag kregen we les, ik zat dankzij mijn moeder tussen de bollebozen. Ik deed mijn best en kreeg veel complimenten van de verrukkelijke veel te ernstige jonge professor die het Tourettesyndroom had en soms vloekte als een metaalarbeider uit Birmingham. Maar hij kon er niets aan doen.
Omdat ik uitblonk in de klas werd ik nog meer gehaat door de andere kinderen.

In de namiddag was er eerst sport: lopen en basketbal. Daarna bezochten we een boerderij. Dieren! Heerlijk! Ik stak mijn hand in de muil van een kalfje, het kalfje zoog gulzig en ik voelde me een moeder.
Of terug in de baarmoeder. Ik voelde me veilig en verzaligd. Gekoesterd.
Op de terugweg werd ons groepje in het nauw gedreven door een spichtige angstige zwerfhond. Ik streelde het miserabele uitgemergelde beest. Iedereen riep panisch en hysterisch: ‘Tu vas mourir!!!’ Maar de hond likte vriendelijk mijn hand en ik zei lacherig: ‘Nee, silly twats, vandaag ga ik niet sterven.’ Eigenlijk werd er geroepen: ‘Le chien va te mordre!!!’ Maar dat betekende niets, dat begreep ik niet. Pas een jaar later zou ik te weten komen dat mordre bijten betekent, en dat het niets te maken had met mourir.

Toen was het nog maar 17u, tijd om te bidden.
Ik weigerde.
Avondeten.
Ik weigerde.
Auditie voor een musical.
Ik wilde de rol van de sheriff.
Ik mocht een vis spelen.

Het was een rare musical: het ene gedeelte speelde zich af in het Wilde Westen en het andere gedeelte speelde zich af onderwater. Alle populaire meest gebruinde meest welgestelde kinderen met de beste tanden en de kleinste neuzen kregen een rol in het gedeelte van het Wilde Westen. Zij hadden ook de mooiste kostuums, de slimste dialogen en de beste grappen. Ik moest mijn twee benen in één pijp van mijn lichtblauwe pyjamabroek wurmen en toen was ik zogezegd een profetische vis. Ik moest een gedicht van Jacques Prévert voordragen. Mijn moeder haatte Jacques Prévert.
Ik kreeg overigens elke dag een kunstkaart van mijn moeder. Terwijl ik ploeterde en afzag op taalkamp zette zij de bloemetjes buiten in Parijs. Het was haar gegund. Mijn favoriete kaart was een paardenrace van Degas. De race moest nog beginnen, er was een jockey die zijn paard maar niet in bedwang kreeg. Het was prachtig, woest. Je kon enkel de ruggen van de jockeys zien en toch was het overduidelijk dat ze corrupt en gevaarlijk en charmant en onweerstaanbaar waren.
Na een week kwam Thierry eindelijk zijn excuses aanbieden, en we maakten een nieuwe afspraak. Die nacht streelde hij mijn buik een uur lang, ik zag de maan door het raam en ik zei: ‘Le lune.’ Thierry verbeterde mij: ‘La lune!’ Ik had de fout niet opzettelijk gemaakt. Natuurlijk was de maan vrouwelijk, hoe stom van mij! Thierry vroeg of hij me lager mocht strelen. Ik wist wat dat betekende. Het mocht. ‘Ik dacht dat je het nooit zou vragen!!’ Thierry was teder, maar te voorzichtig. Hij verveelde mij en ik kwam niet klaar.
De musical werd een fiasco, het onderwatergedeelte vooral.

Over de auteur

Delphine Lecompte