Gepubliceerd op: donderdag 27 oktober 2022

Delphine Lecompte – Een korte geschiedenis van mijn valpartijen

 

Ik viel vaak als kind. Ik viel graag als kind. Ik viel vaak en graag.

Mijn eerste spectaculaire valpartij vond plaats op 14 juli 1983, net na het defilé van de Schotse veteranen. Mijn oudste aanbeden neef Steven was zijn Matchbox safarijeep kwijtgeraakt op de dijk van De Panne en ik wilde degene zijn die de jeep zou terugvinden. Dus fietste ik koortsig de dijk op en af, maar ik vond enkel confetti en gebruikte condooms en een klein plastieken paardje met een pluim op zijn hoofd. Ik wikkelde het paardje in een zakdoek en legde het voorzichtig in mijn fietsmandje. Uiteindelijk fietste ik naar het eind van de dijk, daar stond het strenge kaarsrechte standbeeld van Koning Leopold de eerste. Het beeld deed me altijd denken aan de slotscène van Don Giovanni, waarin het standbeeld van Il Commendatore tijdens een feestmaal verschijnt en Don Giovanni meeneemt naar het hiernamaals omdat de schalkse gulzige wellustige onweerstaanbare Don Giovanni herhaaldelijk heeft geweigerd om zijn leven te beteren en minder vrouwen aan zijn degen te rijgen. Mijn moeder zei dat de eerste Leopold aardig en liberaal was geweest, maar dat de tweede Leopold een nietsontziend monster was geweest dat aan de lopende band de handen van Congoleze kleptomanen had afgekapt. Ik maakte mij vaak schuldig aan winkeldiefstallen, vooral in de kruidenierszaak van Josephine, en op een dag bekende ik alles en ik bood mijn handen aan en zei: ‘Neem een bijl en kap ze af, ik heb het verdiend.’ Maar Josephine schaterlachte enkel en ze nam pragmatisch de nieuwe missiespaarpot die naast de kassa stond en overhandigde die bruusk aan mij, ze blafte: ‘Als de spaarpot vol is mag je hier weer binnen. Rot nu maar op!’ Mijn grootvader vulde de spaarpot en de volgende ging ik deemoedig naar de kruidenierszaak van Josephine om de spaarpot te overhandigen en sherry en gedroogde abrikozen te kopen voor mijn grootmoeder. Ik heb nooit meer gestolen in de kruidenierszaak van Josephine, maar ik bleef stelen in de bakkerij van Mevrouw Blomme. En ook in de drogisterij van de morose ex-bokser Fons en in de eerste supermarkt van De Panne bleef ik een onverbeterlijke dief.

Terug naar mijn eerste spectaculaire valpartij: er lag een licht glooiende esplanade met een bescheiden fontein naast het standbeeld van de eerste Leopold en het was daar dat ik ten val kwam. Naast de bescheiden fontein. Ik viel achterover van mijn fiets. Dat waren mijn favoriete valpartijen: de weerloosheid van het achterover vallen, niet zien waar je zal landen en je handen niet kunnen gebruiken om de botsing met de grond zachter te maken. Mijn hoofd landde eerst, hard en oorverdovend luid. De rest van de val was slechts een week slap poppenkastachtig in elkaar klappen, banaal en onbedoeld komisch. Ik sloot mijn ogen en bleef liggen. Niet omdat ik aandacht wilde, dat er volwassenen waren die zich rond mijn gevallen lijfje schaarden en mijn fiets opraapten vond ik net zeer vervelend. Totaal ongewenst, hun bezorgdheid: ‘Ben je oké? Weet je welke dag het is? Waar zijn je ouders? Hoe heet je? Kom je mee naar mijn huisje om pannenkoeken te eten en te bekomen in de gezellige logeerkamer met de pauwen op het behang? Ga weg, viespeuk!’ Ik negeerde de stomme vragen. Ik negeerde zelfs de aanlokkelijke uitnodiging van de lieve viespeuk. Ik bleef liggen en wachtte op de dood.
De dood was God en ik wilde zo graag God zien. Ik leefde graag maar ik kon mijn nieuwsgierigheid naar God niet bedwingen. Daarom viel ik zo graag: om te sterven en God te ontmoeten. Want pleegde je zelfmoord dan had je het verkorven bij God en dan zou je enkel Satan leren kennen, en dat was niet wenselijk. De volwassenen begonnen aan mijn kleren te trekken. Ik opende kwaad mijn ogen en zei: ‘Laat me met rust, ik wacht op God!’ Toen stoof mijn moeder de esplanade op, ze sleurde me hardhandig naar de fontein en duwde mijn hoofd in het water. ‘Nu heb je je lesje wel geleerd!’

De volgende dag liet ik mezelf vallen van de eerste verdieping van het oogziekenhuis, maar ik kwam terecht in de armen van een gesluikstorte kermisbeer. Ik nam de beer mee naar het huis van mijn grootouders. Er stond een hakenkruis in zwarte viltstift op de pet van de beer, dus knipte mijn grootmoeder eerst het hakenkruis weg en naaide ze vervolgens de opening dicht met een groene lap stof. De pet was rood. Toen mocht de kermisbeer mee naar mijn slaapkamer, hij was te groot voor mijn bed maar ik zette hem in de hoek waar hij de wacht kon houden. Die nacht plande ik een nieuwe valpartij: ik zou me niet laten vallen van een gebouw deze keer.- De volgende dag was een woensdag en dan ging ik altijd spelen bij mijn nichtje Alexandra in Veurne. Ik zou haar vragen om me op een onverwacht moment een duw te geven in mijn rug, ergens waar veel grint lag want ik wilde graag bloeden. Alexandra was wreed, ze zou vast akkoord gaan met mijn plan. Ze zou opgetogen en euforisch zijn zelfs! En inderdaad: toen ik de volgende dag mijn plan uit de doeken deed in Veurne begon mijn nichtje Alexandra meteen te glunderen. Ze griste een officieel ogend blad papier van de schrijftafel van haar vader, een bitter gefrustreerd advocaatje, en ze schreef een korte tekst waarin stond dat ze niet verantwoordelijk was voor mijn eventuele dood (ze schreef ‘heengaan’). Ik ondertekende het document en we verlieten haar ouderlijke huis in de Sporkijnstraat. Ik wilde vrolijk en onbevangen zijn, maar ik was onvermijdelijk op mijn hoede. Schichtig en achterdochtig. Me steeds bewust van de nakende aanval. Maar toen we voor de grote etalage van de speelgoedwinkel van de half-Filipijnse gifmengster Pepita stonden en ik de pluchen walrussen en schildpadden en de tinnen cowboys met lasso’s en de vulgaire smurfenhuisjes zag staan verloor ik mijn behoedzaamheid en Alexandra schopte tegen de achterkant van mijn knieën en gaf me een por in de rug die me naar lucht deed happen. Ik schoot door het raam en ik verloor het bewustzijn.
De ambulance kwam, ik werd wakker. Er was veel bloed en ik kon mijn glimlach niet onderdrukken. Mijn nichtje Alexandra keek niet schuldbewust, ze zwaaide met het juridische document en riep: ‘Ze heeft er zelf om gevraagd, ze heeft er zelf om gevraagd, ze heeft er zelf om gevraagd!!!’
Pepita zei: ‘Scheer je weg!’ Ze gaf mij een lelijke sleutelhanger van een trol met roze haar en een sticker van een bespottelijke eenhoorn. De eenhoorn was het enige fabeldier waar ik niet om gaf, waar ik een hekel aan had. Op de spoedgevallendienst werd ik opgelapt, de ruimte tussen mijn bovenlip en mijn neus moest worden gehecht. Zeven draadjes! ‘Een heilig getal,’ zei de spoedarts die overduidelijk niet van kinderen hield. ‘Een sprookjesachtig getal, dus heidens,’ verbeterde ik hem. ‘Maar ook het getal van James Bond,’ voegde de zwoele Wit-Russische verpleegster met de prachtige polstatoeage van een koddige nekstreepwezel verzoenend toe. ‘Ja James Bond, dat klopt,’ gaf ik toe. De spoedarts gaf niets toe. Wel integendeel, hij werd woedend en schreeuwde: ‘Zeven is de bijbel, de bijbel, de bijbel, de bijbel, de bijbel, de bijbel!!!’ Ik zei pesterig: ‘Je zei slechts zes keer bijbel, geen zeven keer. Zes is het getal van het Beest.’ De verpleegster grinnikte. Het verraste me, ik bloosde en ik voelde plots een hartenklop in mijn schaamstreek. Voor het eerst. Een orgasme.
Mijn grootvader kwam me ophalen, hij had een videospelletje en een skateboard voor me gekocht. Aan mijn nichtje Alexandra had hij een pluchen lam gegeven dat oorspronkelijk ook voor mij bedoeld was. Ze had krokodillentranen geproduceerd en de goedgelovige idioot had medelijden gekregen met haar.

Ik bleef vallen, maar mijn valpartijen werden almaar minder spectaculair. Uiteindelijk beperkte ik me tot struikelen, en dan een hele tijd niets meer. Tot ik als twaalfjarige van de trap viel in het huis van guitige Lori, mijn aartsrivale. Het was de keldertrap en toen ik landde had ik geen schrammetje, maar om te bekomen van de schok nam ik een slok van een fles bruine rum. En nog een slok en nog een slok en nog een slok. Ik raakte verslaafd aan de drank. De valpartijen werden opnieuw spectaculair, maar er gebeurde niets. Ik brak niets en bloedde zelden, want een dronkaard valt als een lappenpop. Een zatlap heeft geen tijd om zich schrap te zetten, heeft niet de tegenwoordigheid van geest om zich te verweren.
Veel later in het gekkenhuis raakte ik bevriend met Eddy die in Malta op het balkon van zijn hotelkamer een Martini aan het drinken was en plots zijn evenwicht verloor en achterover viel. Hij moest lang revalideren en eindigde in een rolstoel. Zijn verloofde liet hem in de steek voor een gierige vreugdeloze parkietenkweker.
Na het gekkenhuis ben ik nog maar twee keer sensationeel gevallen: twee keer in het huis van de oude kruisboogschutter. De eerste keer van de trap, door een traptapijtje dat loslag. En de tweede keer was op oudejaarsavond 2017, toen ben ik uitgegleden in een urineplas van mijn incontinente neurotische naakthond Zohra. Beide keren was ik dronken. De eerste keer was ik misschien niet dronken genoeg, want toen heb ik vier ribben gebroken.

Ondertussen heb ik de drank afgezworen, maar het verlangen naar een stevige valpartij zit er nog altijd in. Ik wil ook nog steeds God ontmoeten, maar iedereen beweert dat ik de duivel zal zien wanneer ik het hiernamaals betreed. Eigenlijk is het enkel de oude kruisboogschutter die dat beweert wanneer hij kwaad is omdat ik zijn chocoladerepen met bananenvulling heb opgegeten, of als hij radeloos en wanhopig is omdat ik in mijn Humo column alweer heb geschreven over de pijpbeurten die ik uitdeel aan robuuste walvisvaarders en blasfemische horlogemakers.
Heks, heks, heks, heks, heks, heks, heks.
Val, val, val, val, val, val, val.
Val heks, val heks, val heks, val heks, val heks, val heks, val heks, val heks.
Heks val, heks val, heks val.
Zes keer of zeven keer. Of acht keer. Of slechts driemaal. Heidens of heilig. Het doet er niet toe, zolang ik maar al mijn botten breek en eindelijk kan uitleggen aan God dat ik geen gewetenloze zondares ben.
Dat weet Hij al.

Over de auteur

Delphine Lecompte