Gepubliceerd op: zondag 2 oktober 2022

Delphine Lecompte – De spiegel weet dat ik nooit meer een opbeurend gedicht zal schrijven

 

Verdwijnen is prachtig
Ik kijk in de spiegel en zie een zieke vrouw
Die van ganzen en schildpadden houdt
Vooral van hun halzen, ik probeer mezelf te wurgen
Maar net op tijd zie ik in de spiegel een belangrijke kunstenaar
Die van Francis Bacon en Rogi Wieg houdt
Ik verlaat mijn huis en kom de antipathieke misantropische Bernadette tegen
Ze draagt een geruite broek en ze nodigt me uit om deel te nemen
Aan een mars tegen gekeelde varkens, tegen slachthuizen.

Ik zeg: ‘Zo’n mars is te vermoeiend voor mij
Ik blijf liever thuis, thuisblijven is zalig
Nee het is ziekmakend, er liggen dode wespen in mijn zetel
Weet jij of ze nog kunnen steken als ze dood zijn?’
Bernadette zegt mysterieus: ‘Ik probeer zo weinig mogelijk over dode wespen te spreken.’
We nemen afscheid en even later krijg ik een paternoster
Van mijn geweldige gewelddadige stiefvader, als kind werd hij in Toscane verkracht
Door een ordinaire parapluverkoper die beweerde een formidabele beiaardier te zijn.

Ik denk aan de Engelse uitdrukking over het kleine incident
Dat de rug van de kameel brak
In mijn moedertaal klinkt het zoveel banaler: de waterdruppel, de boerse emmer
Het kleine incident dat mij heeft verwoest was mijn geldbuidel verliezen
In de Klaverstraat, niet vanwege het geld
Maar ik hield zoveel van de geborduurde afbeelding op de buidel: een jachthond
Met een mooie aristocratische kraag, een jachthond poserend als graaf
De jachthond had bleke spookachtige ogen die me tot tranen toe bewogen.

Dat is sentimentaliteit
Ik moet het verfoeien
Ik verfoei mijn sentimentaliteit
Nu sta ik op de dijk: ik bekijk de bedeesde zeepzieder
Hij beloert een minderjarige fagottist, de fagottist speelt met een groene frietvork
Morgen worden alle frietvorken verboden: de groene
Maar ook de blauwe en de gele, ze worden verboden
Omdat de mensen de vorken lieten vallen in de branding
En toen kwamen er een heleboel vorken terecht in de luchtpijpen
En magen van profetische heilbotten en sympathieke heidense baarzen
Dat willen we in de toekomst tot elke prijs vermijden.

Dan ziet de bedeesde zeepzieder mij
Wie ziet hij?
De zieke vrouw of de belangrijke kunstenaar?
Of gewoon de vervelende persoon die verliefd op hem was
En hem achttien maanden belaagde
Hij vraagt formeel en vijandig: ‘Hoe gaat het met jou?’
Ik antwoord eerlijk: ‘Ik word geplaagd door mijn demonen
Vooral door de pedofiele tuinman en door mijn bittere drankzuchtige vader.’
De bedeesde zeepzieder geeuwt en haalt daarna een kleine clementine uit zijn rugzak.
Ik vraag: ‘Mag ik een foto nemen van je handen terwijl je de clementine schilt?’
De bedeesde zeepzieder zegt bars: ‘Jij hebt geen fotoapparaat
Jij hebt nooit een fotoapparaat bezeten.’

Het is waar.

Hij schilt de vrucht en smult wellustig en provocerend
Om me te kwellen maakt hij met het sap van de vrucht
Een broze doorzichtige ketting op zijn sleutelbeenderen
De ketting loopt naar zijn navel en droogt dan op
De mystieke chrysantenkweker komt bij ons staan
Hij vertelt een ingewikkelde grap over een kleine schelm
Een zadelmakerzoon Jantje genaamd, mager en taai
Jantje legt een buikspreker met een blonde pruik
In de luren aan de hand van een gemummificeerde krokodil
Plaats: Roemeense luchterwinkel
Tijd: Het IJzeren Gordijn.

Ik trek me terug
Ze hebben niets door, de seksistische zwijnen
Ik loop naar de Klaverstraat en zoek mijn geldbuidel
Ik vind mijn geldbuidel
Het geld is weg en plots is het verlies van mijn geld
Toch afschuwelijk, ik huil
Ik ben zo ontzettend lelijk wanneer ik huil.

De antipathieke misantropische Bernadette vliegt op me af
En ze troost me, ja ze troost me
Het is ongelofelijk
Ik geef haar mijn lege geldbuidel
Ze staart meewarig naar de jachthond met de aristocratische kraag, spook en graaf
Dan barst ook Bernadette in tranen uit, ik loop weg en vermoord mijn vader in mijn slaap.

Over de auteur

Delphine Lecompte