Gepubliceerd op: donderdag 1 september 2022

Delphine Lecompte – Paarden, een hatelijke ode

 

Ik hou van koeien, maar ik kan een weide vol koeien passeren zonder veel acht op ze te slaan. Dat zou me nooit overkomen met paarden. Kom ik voorbij een weide met paarden dan val ik verbijsterd en geschokt op mijn knieën, huil ik onbedaarlijk, ervaar ik een razende religieuze ontroering, stom geslagen extase, sensuele primitieve ergernis, sadistische sjamanistische verbolgenheid. Ik word overvallen door een vreemde jeukerige donkere sinistere ambivalente devotie waar ik geen weg mee weet.
Paarden zijn altijd aards, fabelachtig, hooghartig, nobel, schichtig, wild, enigmatisch, opportunistisch, gewiekst, alert, lucide, profetisch, onweerstaanbaar, onbetrouwbaar, onheilspellend en onuitstaanbaar. Adellijk en antipathiek.
Ik aanbid paarden, ik haat paarden.
Een paard steigert en een paard wil je vertrappelen.
Een paard heeft geen poten, maar benen.
Paarden zijn dodelijk en edel.

Mijn nonkel Samuel de charlatan, etser, stroper, goudzoeker, poppenkastspeler en poolreiziger beweerde eens dat paarden uitstekende zwemmers zijn en dat ze uitsluitend dromen over water en martelingen. Hij gaf me op Kerstavond 1986 een rijk geïllustreerd boek over paarden, maar toen ik het boekje openklapte viel er een vodje papier uit met beverig geschreven voodoospreuken en kannibalistische dreigementen gericht aan mijn moeder. Ik gaf het boek op tweede Kerstdag aan Julien de imbeciele klusjesman met de oranje muts. Hij woonde in een caravan in de tuin van zijn ouders, twee zure zuinige zwijgzame scrupuleloze cipiers.

Als kind moest ik vaak mijn sportieve nichtje Alexandra vergezellen naar de manege in Adinkerke. Zij was meteen een volleerde amazone. De paarden en instructeurs respecteerden en bewonderden haar, en ze kreeg de mooiste zweep en de meest glanzende tok. Van haar vader kreeg ze ook nog eens verrukkelijke fascistoïde sprookjesachtige laarzen die bijna tot aan haar schaamlippen reikten wanneer ze zich bukte in de stal om de buik van haar favoriete hengst te roskammen. Mijn tok was te groot en niemand vond het een goed idee om mij een zweep te geven. Mijn schoenen waren debiele sportgympen met fluorescerende strepen en infantiele velcro gespen.
Ik herinner me mijn eerste paard, mijn eerste stal: ik benaderde het zware doffe monsterlijke onbegrijpelijke stoïcijnse beest angstvallig, schroomvallig, hees, bedeesd, kruiperig, flemerig, geknakt en gebogen. Ik had suikerklontjes meegebracht, zoals Dikkertje Dap voor de giraf in het vriendelijke weldadige gedicht dat mijn grootmoeder voor me voordroeg wanneer ik koorts had of van de tandarts kwam. Het was uiteraard de verkeerde benadering en iedereen lachte me uit. Maar de straf dat het paard zelf me uitdeelde deed nog het meest pijn. Het eerste paard dat me strafte was een merrie, ze heette Laura en ze was de traagste lelijkste zwartste minst sierlijke knol van de hele manege. Ik besteeg haar laf, traag, kortademig en omslachtig. In mijn klamme handen hield ik de teugels veel te strak en de schurende klittenband van mijn onnozele gympen maakte fijne schrammen en snijwondjes in de mythische flanken van lelijke brede autonome goddeloze onvolprezen Laura. Mijn domme benepen zweterige angst werd genadeloos afgestraft: Laura wierp mijn daverende lijfje van haar majestueuze rug, als was ik een vervelend verwerpelijk nietig broos stompzinnig zinloos zeurderig insect.
Ik lag te spartelen in het zand van de paddock en alsof het allemaal nog niet erg genoeg was werd ik ook nog eens aangevallen door de dolle demonische boosaardige bouvier van een fezelende gemelijke geniepige incestueuze fazantenjager. Mijn favoriete rode gewatteerde winterjas werd aan flarden gescheurd, maar heeft misschien wel mijn leven gered die dag.

Na de manegedebacles met mijn nichtje Alexandra werden paarden abstracter, theoretischer, historischer, kunstzinniger: het vriendelijke boerse genereuze geruststellende daken beklimmende schimmelpaard van Sinterklaas, het hilarische onvoorspelbare mismaakte paard en tevens parlementslid van de wrede wanstaltige potsierlijke onberekenbare Caligula, het trotse erotische fabelachtige mensen verslindende paard van Alexander de Grote, het listige artificiële paard van Troje een vergiftigd geschenk, Het Rijmende Paard van Suske en Wiske, Pegasus op het dak van een operagebouw in Polen, diezelfde Pegasus die de favoriete film van mijn grootvader aankondigde: The Lady from Shanghai, Tornado de trouwe bliksemsnelle hyperintelligente weergaloze gitzwarte hengst en metgezel van Zorro, Jolly Jumper het slome sjofele sullige gezapige soms cynische sardonische witte ros van Lucky Luke, het heilige prozaïsche noodlottige oorlogspaard Seabiscuit, het paard uit Animal Farm dat naar de lijmfabriek werd gezonden, een rare performance van Joseph Beuys met cimbalen en een verbijsterd paard op de achtergrond, maar ook de magische bezwerende uiterst geruststellende grottekeningen van Peche Merle en Chauvet, de nonchalante wispelturige geërgerde paarden van het genie Degas, het befaamde galopperende paard van Eadweard Muybridge, de snobistische aristocratische paradepaardjes van George Stubbs, de poëtische paradijselijke blauwe fabeldieren van Der Blaue Reiter, …
En natuurlijk Kaspar Hauser met zijn unieke onvergetelijke raadselachtige intrieste uitspraak: ‘Ik wil een ruiter worden zoals mijn vader was.’

Maar ik leerde ook het paard kennen als vulgair tijdverdrijf: het gokken van nonkel Wilfried en de pedofiele tuinman. Dat heette vreemd en naargeestig ‘tierce’. Op de hoek van de Kasteelstraat in De Panne was er een groezelige gevaarlijke amorele blasfemische herberg waar je geld kon inzetten op de paardenwedrennen, en waar in het jaar 1990 maar liefst veertien paardengokkers werden doodgemept tijdens uit de hand gelopen caféruzies over onbetaalde rekeningen, omgekochte jockeys, kwaadaardige Oekraïense stalknechten met traag werkend gif, en gniffelende hoefsmeden met jeukpoeder en distels.
Dan was er nog het paard als ordinaire ongeliefde veelgeplaagde werkkracht: het lelijke zeurderige zuinige knoestige boerse ploeteren van de bonkige Brabantse hengsten met hun stugge versmachtende manen, het monotone utilitaire geestdodende ploegen en bemesten.
Medelijden had ik vooral met de deerniswekkende knol als knullige vreugdeloze lamlendige toeristische attractie, in het bijzonder met Bianca. Zij moest een zomer lang een vissersloep vol jengelende kinderen over de branding van het strand van De Panne slepen, heen en terug, een Sisyfusarbeid. Als elfjarige zag ik het vreemde obsolete folkloristische spektakel van de houten kruidenierskar in Gent, getrokken door een veel te mager, onverzorgd, mishandeld zigeunerpaard. De kruidenierswaren werden veel te hoog gestapeld en de groteske pompoenen en gigantische bloemkolen dreigden het zigeunerpaard de das om te doen. Wat uiteindelijk ook gebeurde: op een dag bezweek het paard in het midden van de Sint Jacobsstraat.
Het paard als sekssymbool, als incubus, als droom, als Satan, als goeroe, als tovenaar, als incestueuze vader, de mysterieuze sadistische verkrachter.
Het circuspaard, het politiepaard, de vossenjacht, het garnaalvissen, de Apocalyps.

Maar toen ik twintig werd stopte de theorie abrupt: ik belandde in het gekkenhuis van Knokke en ik werd er smoorverliefd op de bebrilde geraffineerde hippofiele pernicieuze nachtverpleger Rik. Over de seksuele smerigheden in de isolatiecel en in het bed van de dode junkie Nina wil ik hier niet uitweiden. Haast vreselijker was die keer toen de nachtverpleger me meenam naar de dreigende deprimerende uitgeregende paardenmarkt van Sint-Lievens-Houtem. Het paard als handelswaar, als afdankertje, als tombolaprijs, als slaaf. Keur de benen, haal je vettige vingers door de manen, sper open die mond (je mag een gegeven paard niet in de bek kijken), staar naar de aars doorheen de stugge kalende staart. Daar op die paardenmarkt heb ik me voor het eerst geïdentificeerd met het paard, met alle paarden. We waren nog zo verschillend niet.
De nachtverpleger kocht een Indianenpaard, pinto heet het ras geloof ik. De nachtverpleger was in zijn nopjes met de merrie die hij banaal Luna doopte. Hij at een worstenbroodje (honger als een paard) aan een houten tafel en keek laatdunkend naar een Elvisimitator met lekkende haarverf op zijn wangen. Love me tender, Return to sender. Het was een vreselijke dag en een paar maanden na mijn ontslag uit het gekkenhuis heb ik de bus genomen naar het huis van de nachtverpleger, om te zien hoe de merrie het stelde.
Heel goed.
Beter dan ik.
Ze blaakte van gezondheid en leek in haar nopjes in de tuin van de sadistische pernicieuze genadeloze nachtverpleger. Ik had een breekijzer bij me, ik was van plan geweest om haar te bevrijden. Ik maakte rechtsomkeer en werd stomdronken in een gemeen café dat Monaco heette. Ik ging mee naar de kleine zolderkamer van een gepensioneerde stierenvechter. Hij had twee waterschildpadden en ontzettend veel boeken over Toetanchamon, Rilke en Houdini. Hij gaf me ijsthee en marmercake, hij was lief en geduldig. Ik prevelde repetitief, beschonken en incoherent: ‘Keur de benen, keur de benen, keur de benen! Wees wreed, wees wreed, wees wreed!’ Maar de gepensioneerde stierenvechter bleef gewoon lief. Lief en geduldig. We werden vrienden en dat zijn we nog steeds.
De gepensioneerde stierenvechter heeft een heilige schrik van paarden, je zou het een fobie kunnen noemen. Maar voor de rest is hij volmaakt.
Zo volmaakt als ik.

Over de auteur

Delphine Lecompte