Gepubliceerd op: donderdag 15 september 2022

Delphine Lecompte – Brigitte de frivole stiefmoeder met aambeien die me niets bijbracht maar liefhad

 

Brigitte zag eruit als de wildste meest losbandige minst scrupulevolle dochter van een Moldavische kermiswaarzegster. Dat is een compliment. Brigitte was fijn en meisjesachtig en koket, maar tegelijkertijd dierlijk en donker en onvoorspelbaar. Ze baatte een tweedehandsboekenwinkel uit in de Voldersstraat te Gent, en mijn vader kwam daar vaak over de vloer om uit containers geviste romans van Al Gore, stripverhalen van Piet Pienter en Bert Bibber, biografieën van Lev Trotski en beknopte insectengidsen met spermavlekken te verkopen aan Brigitte. Brigitte nam de boeken aan zonder te controleren of ze vanbinnen niet beschadigd waren, omdat ze medelijden had met mijn vader.
Alle vrouwen hadden medelijden met mijn vader, behalve mijn moeder. Mijn vader was geen lelijke man: hij had dikke zwarte krullen en een jongensachtige onbeholpenheid die niet gespeeld was. Hij was mager en verstandig, hoffelijk en principieel. Hij was klein en gespierd als het hulpje van de degenslikker in een circus. Maar genoeg over mijn vader…

Brigitte vroeg mijn vader ten huwelijk, omdat ze zeker was dat hij ja zou zeggen. Ze had een kind uit een vorige relatie: de koddige geniepige verwende aaibare Juliette. Juliette was twaalf jaar jonger dan ik en zij was het kind dat mijn vader zichzelf altijd had gewenst: Oosters, bevallig, geurig, aanbiddelijk, guitig, gedienstig, spraakzaam, en ongecompliceerd. Mijn vader leerde Juliette gitaarspelen en hij maakte origamikikkers voor haar.
Ik was twintig en niet echt jaloers. Ik studeerde Russisch in Gent en soms logeerde ik bij Brigitte en mijn vader. Brigitte had vaak aambeien en andere genitale aandoeningen, maar desalniettemin behield ze haar spitse verrukkelijke charme en haar dekselse zigeunerachtige vrijgevochtenheid. Ik haatte Juliette omdat Juliette dom was en me altijd verklikte wanneer ik een fles wijn uit de voorraadkast stal.
Ik was verliefd op mijn frivole lichtzinnige primitieve sluwe promiscue stiefmoeder Brigitte. Ik zag haar een stukadoor kussen in de Serpentensteeg en een week later een onderwaterlasser op de Beestenmarkt, maar ik verraadde haar niet. Brigitte las Paul van Ostaijen, goed zo. En ze las ook Neeltje Maria Min. Ze gaf me haar mooiste blouses en juwelen zodat ik er beter zou uitzien, maar de blouses waren pastelblauw en veel te strak, en de juwelen herinnerden me aan het spreekwoord ‘al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding’.

Mijn vader de bofkont mocht dus trouwen met Brigitte. Ik zou de getuige zijn van mijn vader. De avond voor de huwelijksceremonie ging ik op eigen houtje naar Brussel om een experimenteel toneelgezelschap aan het werk te zien. Willem Dafoe maakte deel uit van het gezelschap. Daarom was ik gegaan. Hij dronk bier in de lobby van de schouwburg, als een normale doordeweekse mens. Sterfelijk. Hij werd aangesproken door een zeer Belgische messenslijper met het Tourettesyndroom, en ik zag hoe vriendelijk en geduldig en hoffelijk Willem Dafoe reageerde op de messenslijper. Ik was enorm jaloers en ik beet in de muis van mijn hand tot ik bloedde. Ik wilde Willem Dafoe een boeket bloemen overhandigen maar het boeket was te overdadig en ik durfde hem niet te benaderen.
Ik miste de laatste trein naar Gent.
Ik gaf het grote veel te dure boeket aan een dikke Tunesische taxichauffeur met een gebroken neus en drie getatoeëerde zeepaardjes onder zijn linkeroog, hij reed weg met gierende banden en gooide de bloemen één voor één door het raam van zijn glanzende wagen. Pesterig.
Er zat niets anders op dan te overnachten in de stationshal van Brussel Noord, ik hoopte tegen beter weten in dat Willem Dafoe de stationsh al zou betreden en me op de mond zou kussen. Hij was fantastisch in Platoon, maar nog veel beter in Mississippi Burning.
Ik werd aangesproken door drie grimmige mannen met gouden kettingen en griezelige zegelringen en carnavaleske knipmessen, maar ik was niet bang. Ik vertelde de mannen over het nakende huwelijksfeest van mijn vader en Brigitte, en ze vroegen of ze mee mochten naar het feest.
Natuurlijk!

Ik kroop in een telefooncel en belde mijn moeder op, ze was misselijk vertelde ze me. Ze had teveel gegeten: eerst een grote moussaka van de delicatessenzaak in de Fortuinstraat, en daarna nog vier nougatrepen, zestien plakjes gerookte zalm, een blok belegen kaas uit Sluis, een marsepeinen berentemmer en een doos kersenbonbons. De vreetbui was de schuld van mijn vader, ze wilde niet dat hij hertrouwde.
Ik verbrak de verbinding en belde Meneer Devriendt op. Hij was mijn ex-leraar waarnemingstekenen en ik aanbad hem omdat hij gekweld en geheimzinnig was, en fatterige foulards en fluwelen gilets droeg. Hij had een pokdalige huid en een snor zoals Stalin. Hij kon de ‘r’ niet uitspreken en zijn Zwitserse moeder zat in de gevangenis omdat ze een kind had vermoord. Ik fantaseerde vaak over Meneer Devriendt, altijd hetzelfde: dat hij traag mijn kleren afstroopte, me zachtjes wurgde met een zijden sjaal waarop stijgbeugels en ossenstaarten en ringen van Saturnus broederlijk naast elkaar zweefden, en dat hij me penetreerde naast een badkuip op leeuwenklauwen. Hij zou kuchen tijdens de penetratie, wat me nog natter zou maken. Ik zou kijken naar de lucht door het badkamerraam: een zwerm zwaluwen en een vliegtuig op weg naar Malibu zouden me diep ontroeren, en na de penetratie zouden Meneer Devriendt en ik hartstochtelijk spreken over taxidermie en over onze kinderziekten. Meneer Devriendt zou me vertellen dat hij eenzijdig doof was geworden tijdens een bofepisode toen hij vijf was.
Meneer Devriendt nam niet op.

Ik toetste een lukraak nummer in en kwam terecht bij een gepensioneerde brouwer die niet te spreken was over de junkiezoon die ervandoor was gegaan met de bontjas en de zilveren pijlstaartrogbroche van zijn moeder. Niet eens zo waardevol, die broche. Ik zei geestdriftig: ‘Ik wil ook een zilveren niet eens zo waardevolle pijlstaartrogbroche!’ De gepensioneerde brouwer werd kwaad. Hij dacht dat ik spotte met zijn leed, hij vermoedde dat ik het liefje was van zijn junkiezoon en dat we hem een poets bakten. Hij verbrak de verbinding.
Tot slot telefoneerde ik naar mijn misogyne zelfgenoegzame pafferige ex-psychiater en ik schreeuwde: ‘Mijn schaamlippen zijn opgezwollen en ik ben ook zonder jouw hulp zelfredzaam en geniaal geworden!’
Toen was mijn geld op en maar goed ook. Ik verliet de telefooncel en ik vond een slaapplek naast een nerveuze Irakese dichter die beweerde dat ik leek op een gestrande ooievaar op een Turkse schoorsteen, maar het was niet duidelijk of dat een goede zaak was. Gestrand was geen goede zaak, en die schoorsteen kon mijn dood betekenen als er nog rook uitkwam. Toch viel ik in slaap.

Ik sliep enkele uren en ik werd wakker naast een injectienaald en een pitabroodje in aluminiumfolie. Ik at het pitabroodje op en nam de trein naar Gent. In het toilethokje van de trein trok ik mijn feestkleren aan. Een oranje polo, een zwarte minirok, witte kniekousen die afzakten en knellende rode muiltjes waar ik verzot op was. Ik zag er monsterlijk en potsierlijk uit. Tegen beter weten in hoopte ik dat Willem Dafoe de deur van het toilethokje zou openrukken, me zou zien in al mijn kwellende onzekerheid en me zou trakteren op frieten en een papegaaienshow. Maar dat gebeurde uiteraard niet en ik ging braaf naar de huwelijksplechtigheid van Brigitte en mijn vader.
Het duurde niet lang, mijn handtekening was beverig. We wandelden naar het Sint Jakobsplein en namen de bus naar de volkswijk waar het gezellige rijhuis van Brigitte (en nu ook van mijn vader) stond tussen verloederde kraakpanden en verdachte roeispaanhangars. ’s Middags deed iedereen een dutje: Juliette in haar gigantische slaapkamer vol lelijke poppen van Anne Geddes, en mijn vader en Brigitte in de mooie witte woonkamer met hier en daar een schelp en een smaakvolle talisman. Ik las De Kleine Blonde Dood op een harde gietijzeren stoel in de tuin, maar ik hield niet van het boek en ik ging wandelen doorheen de Gentse volkswijk en sloeg een praatje met een verdwaalde verdwaasde voetbalhooligan. Waarover? Over zijn gevangenisverleden en over zijn zomers als kind in Blankenberge.

Om 17u sijpelden de gasten binnen, het was geen grandioos trouwfeest. Mijn vader was een karige kribbige onwillige feestvierder. Ik ging rond met schuimwijn en toastjes. Een dik doch arrogant pubermeisje deed radslagen en haar broer plaagde mij vanwege mijn afzakkende kousen en mijn oranje polo en mijn stamelende struikelende morsende blozende onsuccesvolle pogingen om niet op te vallen. Ik was blij met zijn plagerijen, hij deed me denken aan de stoere woeste eenzelvige zoon van de veelgeplaagde ezeldrijver van De Panne.
Mijn vader had vijf broers, maar slechts de jongste was opgedaagd: Servaas. Hij legde de soundtrack van Reservoir Dogs op.
Een beroemde Limburgse zangeres maakte haar opwachting. Mijn vader had ooit een liedje voor haar geschreven. Hij was smoorverliefd op haar, nog steeds! Ze knabbelde aan een toastje met tonijnsalade, na drie minuten begon ze zich reeds te vervelen. Ze streelde dromerig een groene fles passievruchtenlikeur en daarna een houten treintje dat op de vensterbank stond. Ze bleef niet lang.

Ik bleef ook niet lang. Een bloedeloos boekhouderkoppel voerde me terug naar Brugge, eigenlijk naar Sint Kruis waar mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader woonden in een grote naargeestige villa vol spinnen en kieren. Het was bijna ochtend toen ik de villa betrad, mijn moeder was in de keuken borstvoeding aan het geven aan mijn halfzusje Zoë. Ze vroeg hoe ik het had gesteld. In Brussel, niet in Gent!
Ik zei: ‘Willem Dafoe is God.’
Mijn moeder echode mij zonder hoorbare spotternij: ‘Willem Dafoe is God.’
De zon kwam op en ik at met lange tanden vijf rijstwafels met een dikke laag chocopasta.
Ik vond dat Brigitte beter verdiende dan mijn vader.

Over de auteur

Delphine Lecompte