Gepubliceerd op: donderdag 18 augustus 2022

Delphine Lecompte – Waarom haten priesters mij?

 

Priesters haten mij. Instinctief. Op het eerste zicht. Meteen. Meteen zeer rabiaat en onmiddellijk met een grote onverklaarbare grimmige fanatieke verbetenheid. Dat is niet erg christelijk.
Het begon reeds vroeg: in de kleuterklas van juffrouw Nora op Aswoensdag. Een kribbige wrattige snuivende loensende achterdochtige gnoom waggelde het klaslokaal binnen in een zwart gewaad dat in het midden was toegesnoerd met een lelijke lompen houten rozenkrans. Wij de vierjarige kinderen werden in een hoek gedreven en we moesten in een oncomfortabele houding bang afwachten wat de gnoom met ons van plan was: op onze hurken, alsof we in een weide stiekem en schaamtevol aan het defeceren waren. Toen doopte de priester zijn duim in een klein gouden doosje en toen zijn duim weer tevoorschijn kwam was die volledig zwart! De priester maakte met zijn beroete duim een groot kruis op het voorhoofd van de voorste kinderen. We werden één voor één gebrandmerkt als kalveren wier oren worden geperforeerd wanneer ze rijp zijn voor het slachthuis.
Ik zag het ernstige vlekkeloze Carolientje de dochter van de bulderende naargeestige meubelmagnaat dankbaar en gedwee het kruis in ontvangst nemen, haar beste vriendin de oliedomme stotterende Micha wier moeder een kleine bloemenwinkel in de Meeuwenlaan uitbaatte imiteerde haar slaafs, Johan de nijdige brandweerzoon fronste dreigend maar daar bleef het bij, Benedict wiens vader een beroemde zeilkampioen was grinnikte hol en vreugdeloos maar ook hij liet de sinistere priester begaan, dikke Peter was eveneens passief en gelaten, de enigmatische half-Zweedse Bjorn maakte als enige agressieve storende spottende klikbewegingen met zijn tong, Anneke De Schuimer piste in haar broek, Katharina beet angstig in haar pluchen moerasschildpad, en de hypocriete tandartsentweeling Bieke en Véronique zeiden flemerig: ‘Bedankt meneer pastoor.’
Toen was het bijna mijn beurt om gebrandmerkt te worden… Ik raakte in paniek en begon te schreeuwen. Ik rende de klas uit en werd achternagezeten door Juffrouw Nora en door de waggelende benepen kortademige trol. Ze kregen me te pakken onder de kloeke regenboogkleurige plataan op de speelplaats. Juffrouw Nora gebruikte de schors van die plataan om het krijt uit haar sponzen te krijgen op het eind van elke schooldag. Het krijt waarmee ze schoolbordtekeningen maakte van farao’s, zandkastelen, sprookjesfiguren en antropomorfe konijnen. Alle kinderen haatten haar kneuterige naïeve sentimentele allesbehalve virtuoze tekeningen. Vooral ik.
Ik probeerde me te wurmen uit de stalen greep van de genadeloze priester, maar ik kreeg geen grip op de gladde stof van zijn gewaad. Dus klauwde ik naar de rozenkrans. De rozenkrans brak en de kralen kletterden op de tegels van de speelplaats. De priester was bijna volledig naakt onder zijn habijt. Om me te straffen kreeg ik geen kruis op mijn voorhoofd, maar een grote onvriendelijke krasse vijfpuntige ster.
De rest van de schooldag verliep zonder incidenten: we aten pannenkoeken en maakten knutselwerkjes met gekleurd papier, tandenstokers en kastanjes. Juffrouw Nora las een gecensureerde versie van Klein Duimpje voor, Benedict kreeg een indrukwekkende astma-aanval en nijdige Johan toonde zijn genitaliën aan de imbeciele klusjesman in de hoop dat de klusjesman hem de zijne zou tonen. Maar de klusjesman was uitsluitend geïnteresseerd in vierjarige meisjes, niet in vierjarige jongens.

Een beetje later was er een tweede aanvaring met een priester: deze keer in Koksijde tijdens een openluchtmisdienst. Het gebeurde tijdens de eucharistie: het meest democratische, meest gezellige, meest gekoesterde en meest begrijpelijke gedeelte van het katholieke misgebeuren. Ik was, onder invloed van mijn gulle gulzige bruisende briesende diepgelovige grootvader die ik aanbad, een uiterst vroom kind geworden met een grote kennis en diep ontzag voor de katholieke liturgie en rituelen. De eucharistie in het bijzonder ontroerde me hevig. Al vond ik het toch een tikkeltje vreemd en pervers om Jezus te moeten opeten, alsof we primitieve barbaarse kannibalen waren die van niet beter wisten. Niettemin genoot ik telkens van de hostie die sinds kort niet meer op de tong, maar in de palm werd gelegd. Door ebola en tyfus, beweerde mijn kille neerbuigende goddeloze agnostische grootmoeder.
Tijdens die misdienst in Koksijde liep er iets mis: ik draaide me te vlug weg van de priester en hij dacht dat ik de hostie in de zak van mijn versleten fluwelen vestje had weggemoffeld. De priester greep me bij de kraag en ik moest mijn vestje uittrekken. Hij rukte het vestje uit mijn handen, en schudde en schudde. Hij werd almaar witter en razender. Maar de hostie dropte niet op de grond, want ik had de hostie wel degelijk in mijn mond gepropt en daar was Jezus’ vlees gesmolten op mijn tong. Zoals het hoort. De priester schold me uit en zei dat ik moest verdwijnen vanonder zijn ogen en dat ik nooit meer welkom was in zijn kerk. In geen enkele kerk! Ik huilde bittere tranen en liep naar de dijk waar ik mezelf troostte met de grijpertjes in het lunapark. Ik slaagde erin om een pluchen inktvis te pakken te krijgen, maar ik bleef somber en ontroostbaar.

Ik was vijf jaar oud en ik brak definitief met de katholieke kerk. Om mijn grootvader te paaien ging ik wel nog steeds met hem mee naar de vele katholieke misvieringen. En ik deed braaf en gedwee mijn Eerste Communie. Maar ik voerde de rituelen hortend en vijandig uit. En ik rammelde de gebeden af op automatische piloot. Ik voelde me een hansworst wanneer ik knielde, en een schijnheilige heks wanneer ik de extatische hymnen zong.
Toen ik in Gent bij mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader ging wonen kwam ik terecht in een progressief atheïstisch sarcastisch blasfemisch anarchistisch snobistisch intellectueel antiklerikaal milieu. In de basisschool in de Onderstraat volgde ik zedenleer, zoals de meeste kinderen. De Koude Oorlog, hongersnoden, sociale ongelijkheid, Vietnam, Gandhi, Boeddha, bla bla bla… Ik haatte zedenleer, de thema’s waren vaag en vaal en chaotisch en nihilistisch en hopeloos en vrijblijvend.
Ik begon de kerk te missen. Ik vroeg aan mijn moeder of ik de katholieke godsdienstles mocht bijwonen en opnieuw naar de kerk mocht gaan. Dat ging niet zomaar, eerst moest er een onderpastoor langskomen om te kijken hoe ons gezin in elkaar stak. De onderpastoor had geen hoge pet op van mijn moeder, een gescheiden vrouw die samenwoonde met een twintig jaar oudere antipathieke atheïstische laatdunkende zwaarlijvige hypochondrische drankzuchtige man van wiens geld ze hield maar niet van zijn kinderen. En mijn moeder stak niet onder stoelen of banken dat ze de onderpastoor een gênant gedrochtelijk anachronistisch misbaksel vond die geld aftroggelde van simpele volkse wanhopige naïeve goedgelovige zadelmakers, bobijnsters en parapluverkopers. Gelukkig vond de onderpastoor mij koddig. Hij nam me op schoot en rook aan mijn haren. Hij zei dat mijn haren hem terugvoerden naar de appelgaarden en de liefelijke rammelaars van zijn onschuldige kindertijd in Aalter. Ik mocht de katholieke godsdienstles bijwonen, en elke zaterdagavond en zondagochtend ging ik op eigen houtje naar de misdiensten in de Sint Jakobskerk.

Toen mijn biologische vader erachter kwam dat ik opnieuw was gevallen voor de hocus pocus en transfiguratie van Jezus Christus was hij woedend en ik moest de stripverhalen van Donald Duck die hij voor mij uit een container had gevist allemaal teruggeven.
Een klein offer.
Het was goed om offers te brengen voor je geloof.
Mijn grootvader in De Panne werd op de hoogte gebracht van mijn terugkeer naar de christelijke kudde, en hij zond me per post een prachtige levensgrote pluchen mannetjesleeuw op. Ik vond het een verwarrend geschenk. Heidens. Maar mijn moeder zei dat ze het meende te begrijpen: mijn biologische vader heette Jeroen naar de heilige Hiëronymus. Er was eens een gewonde leeuw binnengestrompeld in het klooster waar Hiëronymus in opleiding was. Alle kloosterbroeders sloegen op de vlucht, behalve Hiëronymus. Hiëronymus bekeek de gewonde leeuw en zag dat er een doorn in diens poot zat, hij verzorgde de poot van de leeuw en de leeuw werd mak en volgzaam en lieftallig.
Maar mijn vader bleef kwaad, en ik bleef de leeuw een verwarrend en heidens geschenk vinden. Ik gaf de leeuw weg aan Noémie die drie jaar ouder was dan ik en in de Congostraat woonde. Noémie worstelde met een zware eetstoornis, haar ouders dreigden met een opname. Dankzij mijn pluchen leeuw is Noémie genezen.

Toen had ik eindelijk de leeftijd bereikt waarop ik mijn Plechtige Communie mocht doen, Het Heilig Vormsel. Mijn trotse grootvader was onderdeel van het ritueel, ernstig gaf hij me weg aan de katholieke kerk met een zware hand op mijn schouder. Na de kerkdienst in Gent reden familieleden en vrienden met verschillende auto’s naar De Panne om het woeste liederlijke hitsige luidruchtige feest in de tuin van mijn grootouders bij te wonen. Ik at elf langoustines en dronk onnoemelijk veel glazen champagne. Ik kreeg een groen sporthorloge van zotte tante Katrien en haar gefrustreerde sadistische man Wilfried. En een monografie van Vincent van Gogh van nonkel Samuel de neushoornjager, stukadoor, rokkenjager, vechtersbaas en charlatan. Op het eind van de dag zwom ik met mijn moeder in de zee.
Niet veel later kreeg ik kleine borstjes, dikke dijen, en mijn maandstonden. De onderpastoor begon zich opvallend koud en afstandelijk te gedragen tegenover mij.

Ik werd twaalf en moest naar een grote verre gevaarlijke school in de Voskenslaan achter het Sint Pietersstation. Iedereen was er gemeen en scrupuleloos en corrupt en vulgair en uitgelaten en misdadig. Je was een freak en een nietsnut wanneer je ervoor koos om de katholieke godsdienstles bij te wonen, 98 procent van de scholieren volgde zedenleer. Ik bezweek onder de groepsdruk: de Koude Oorlog, hongersnoden, sociale ongelijkheid, Vietnam, Gandhi, Boeddha, bla bla bla… Maar ik ben altijd de katholieke kerk en de priesters blijven missen, vooral de priesters die mij haatten.
Waarom haatten priesters mij?
Waarom haten priesters mij?

Over de auteur

Delphine Lecompte