Gepubliceerd op: donderdag 14 juli 2022

Delphine Lecompte – Wim en zijn vleesetende plant en de penis die hij graag tevoorschijn toverde

 

De vriendschap met Wim was een verplichte aarzelende ietwat wantrouwige vriendschap. Onze moeders waren bevriend en van ons werd bijgevolg hetzelfde verwacht. Wim en zijn moeder kwamen nooit bij ons over de vloer, wij gingen altijd naar hun huis. Het was een donker vochtig doch gezellig huis vol verleidelijke vetplanten, antieke duikpakken, roestige opwinddieren, foto’s van Mongoolse tentenkampen, kapotte panfluiten, sprookjesachtige samowars, rode stiletto’s, campingfornuizen, gasflessen, handspiegels, carnavalspruiken, samoeraizwaarden, schurftige asielkatten en onbetaalde waterrekeningen. Er heerste een anarchistische oerwoudachtige magische fatalistische sfeer in het huis.

De moeder van Wim was een huilerige roodharige drankzuchtige anorectische cafébazin die te frêle en te zweverig en te kwetsbaar en te goedgelovig was om alleen achter de toog van een sinistere herberg te staan, en misogyne stierenvechters en hitsige leeuwentemmers van repliek te dienen. Wim aanbad zijn moeder, hij was twaalf maar kroop constant op haar schoot om haar natte kussen te geven in haar nek en decolleté, en hij kocht om de haverklap azalea’s en cactussen en hoestbonbons voor haar.
De slaapkamer van Wim was slordig maar gezellig. Er stond een stapelbed, Wim sliep in het bovenste bed. In het onderste bed had zijn drie jaar jongere broertje zichzelf van kant gemaakt met een jachtmes. De buurtbewoners verdachten Wim, maar de moeder van Wim zei dat haar jongste zoon de dood van zijn vader niet had kunnen verkroppen en dat de zelfmoord geen verrassing was. De vader van Wim was opgepeuzeld door kannibalen in een jungle in Papoea-Nieuw-Guinea, althans: dat was de versie van Wim. Volgens de moeder van Wim had de vader in een bar in Guatemala ruziegemaakt met de verkeerde man, een vervaarlijke tandeloze organisator van hanengevechten, en was hij simpelweg neergestoken. Hoe het ook zij: Wim en zijn moeder spraken met weinig sympathie over de vader en het broertje zaliger, en ze leken haast opgelucht en blij dat ze als enige twee waren overgebleven.

In de slaapkamer van Wim stond een vleesetende plant die tot mijn verbeelding sprak. De plant was niet groter dan een Franse buldog, maar ik was ervan overtuigd dat ze me zou opslokken als ik me te dicht in haar beurt zou wagen. Wim gooide bromvliegen en rauw rundergehakt in de plant en dan klapte de plant dicht met een luide knal als een Tupperware doos, en maakte ze tevreden genoegzame zoemende ritselende ratelende borrelende geluiden. Zowel donkere mystieke atavistische spirituele bovenmenselijke oerwoudgeluiden als de ordinaire decadente schreeuwerige prozaïsche geluiden van een bruisende orgie met opium en analfabetische jongenshoeren en gedomesticeerde poema’s en champagne in de goktempel van een mondaine badstad.
In de slaapkamer toverde Wim graag zijn penis tevoorschijn. Het was een groot breed vlekkerig onbesneden exemplaar, ik mocht ernaar kijken maar aanraken was verboden. Wim zei dat hij, wanneer hij een beetje ouder was, veel geld zou verdienen met zijn roede. En dan zou hij een grote villa kopen voor zijn moeder, met struisvogels en chowchows en rododendronstuiken in de tuin. En met een veranda en een vleugelpiano en een vriendelijke onverstoorbare robot die milkshake en moussaka zou maken en de strijk zou doen, en een kelder vol zonnebanken en roeitoestellen.

Soms kwam er ook een woest verwilderd neefje over de vloer, het ongeleide projectiel Titus. Titus was acht jaar of jonger, en hij leerde ons zakkenrollen en roken. Hij viste peuken uit de zandbak in het Baudelopark en maakte kundig en virtuoos sigaretten voor ons, ik vond het degoutant maar wilde niet onderdoen voor de jongens. In het zakenrollen blonk ik meteen uit: het eerste object dat ik stal van een wildvreemde zogeheten onschuldige voorbijganger was een ivoren schaakpion, de toren. Wim zei trots: ‘Ik ben een uitstekende schaakspeler!’ Titus lachte hem uit en ik deed mee. Diezelfde dag stal ik ook nog: een opgezet penseelaapje, een dwarsfluit, een schildpadinktpot, een waardeloze kam, een dreigbrief, een hondenfluitje, een gouden kalkoen, een pornotijdschrift en een souvenirlepel van Bremen.
Titus was onder de indruk en vroeg of hij mijn geslacht mocht zien. Ik nam hem mee naar het huis van mijn moeder en mijn stiefvader, ze waren beiden aan het werk. In het koertje toonde ik mijn geslacht aan Titus, hij zei: ‘Precies een doodgeboren halsbandlemming, ik weet niet wat ik ervan moet denken. Spreid je benen wat meer.’ Ik leunde achterover tegen de muur en spreidde mijn benen wat meer. Titus porde met de handvat van een zeeflepel in mijn vagina en ik kwam luid klaar. De buurvrouw gooide een emmer water over ons heen en ’s avonds verklikte ze me bij mijn moeder. Ik kreeg een ferme pandoering en moest mijn moeder beloven dat ik vanaf nu met meer zelfrespect en terughoudendheid zou omgaan met mijn vagina. Maar het was toen al te laat, als zesjarig kind in De Panne had ik mijn vagina al genereus uitgedeeld aan de pedofiele tuinman, aan Julien de imbeciele klusjesman, aan de turnleraar en aan de Boeman van de duinen.

Dat wist mijn moeder natuurlijk niet, mijn moeder dacht dat ik nog teer en broos en rein en puur en bloedeloos was. Ze had spijt van de pandoering de volgende dag. Ik kreeg een dambordspel en een pluchen konijn met een aristocratische kanten kraag zoals de stralende adellijke dame uit Genua die de door mij verachte Rubens zo prachtig had neergezet. Het enige schilderij van hem dat ik kon verdragen.
Mijn moeder trakteerde me op thee, mastellen en notenbrood in de Joodse patisserie Bloch, en ze vertelde me op docerende pedagogische en steriele wijze over Titus.
Niet over Titus het woeste verwilderde neefje van Wim, niet over Titus de verbeten kettingroker, blijmoedige zakenroller, onweerstaanbare branieschopper en charmante piepjonge loensende tegennatuurlijke vrijgevochten viespeuk. Mijn moeder sprak over Titus de aanbeden zoon van de briljante vadsige barokke tekenaar, schilder en etser Rembrandt. Titus overleed aan de pest. Dat was de normaalste zaak van de wereld in de zeventiende eeuw, maar niettemin erg tragisch.
Terug thuis toonde mijn moeder me enkele werken van Rembrandt in een dikke dure monografie met Duitse uitleg die ik niet verstond, maar ik verstond de doffe droefgeestige profetische visionaire pracht: Bijbelse figuren, Titus in een habijt, Minerva, een Poolse edelman, Saskia, opnieuw Saskia, nog eens Saskia, Ariadne, Titus, Titus, Titus, Titus, een jonge vlijtige onbevangen Titus die aan een grote studeertafel zit en peinzend doch ook een tikkeltje deugnietachtig opkijkt van zijn pen en papieren. En heel veel zelfportretten.
Hoe ouder en wrattiger en wanstaltiger en kreupeler en geliger en gebrekkiger Rembrandt werd hoe vaker hij zichzelf als onderwerp nam, zo lijkt het wel. Een methode om de doodsangst te bezweren allicht. Ik ging meteen overstag, aanbad Rembrandt zonder voorbehoud.

De volgende dag hing ik mijn dweepzucht aan de grote klok in de klas en op de speelplaats, maar ik wist geen enkele andere twaalfjarige warm te maken voor Rembrandt en meester Luc noemde me snobistisch en pedant. Na school rende ik naar de zandbak waar het ongeleide projectiel Titus van de peuken perfecte sigaretten aan het maken was voor zijn onzichtbare vriendjes. Ik vertelde hem gulzig en geestdriftig over Rembrandt, en hij leek oprecht geïnteresseerd. Ik nam hem opnieuw mee naar het huis van mijn moeder en mijn stiefvader, we waren opnieuw alleen. Titus verstond de Duitse uitleg naast de geniale schilderijen van Rembrandt. Zijn vader was blijkbaar een Keulse onderwaterlasser. Maar hij vond de schilderijen niet geniaal, de schilderijen verveelden hem en ook ik werkte op zijn zenuwen. Hij trok aan mijn haar en hij wierp de dikke dure monografie uit het raam. Het boek belandde in het midden van de smerige Congostraat en werd meteen bezoedeld door jeeps en brommers en duiven en krankzinnigen en heksen en vrachtwagens.
Titus probeerde me aan te randen, maar mijn moeder kwam net op tijd thuis. Ik kreeg geen slaag, ik wachtte en wachtte en wachtte maar de pandoering bleef uit. Mijn moeder heeft nooit meer gesproken over Rembrandt, noch over Titus.
En Wim en zijn moeder? Wim en zijn roede?
Ze kwamen een jaar later om het leven in Oostenrijk.
In een skilift, in duistere omstandigheden.

Over de auteur

Delphine Lecompte