Gepubliceerd op: donderdag 9 juni 2022

Delphine Lecompte – Het zijn je zaken niet

 

Ik draag geen korte mouwen, omdat ik geen zin heb om telkens opnieuw uit te leggen waarom er zoveel littekens op mijn armen staan. Waarom ik aan zelfverminking heb gedaan. Ik weet niet waarom, en wist ik het wel dan was de uitleg vast niet interessant. Krassen en kerven is nu schering en inslag (of: er wordt vaker over gesproken), maar toen ik het voor eerst deed was mijn omgeving gechoqueerd, gedegouteerd en gefascineerd.

In de Provence begon het te escaleren: mijn tante Anne en nonkel Carlos hadden een vakantiehuisje gehuurd en mijn moeder en ik mochten in een zijvleugel verblijven. Er was een zwembad, er waren hagedissen, er waren kersen, er was een openluchtcinema in het dorp, er waren paarse velden, er was een Japans nimfje dat elke dag grenadine kwam drinken (het vakantieliefje van mijn stugge zuinige ondoorgrondelijke introverte neef Steven die me The Doors leerde kennen), en er was Rémi de struise atletische geriatrische plagerige listige gulzige Holocaustoverlevende waar ik bevriend mee raakte. Ik was vijftien destijds en extreem zwaarmoedig en wantrouwig.

Ik was verliefd op een oliedomme sentimentele punker met een allesbehalve solide hanenkam, maar ik was ook verliefd op een vijftigjarige homoseksuele stukadoor die ik had leren kennen na een toneelvoorstelling en met wie ik kriekenbier had gedronken en we waren erachter gekomen dat we de enige twee schepsels van Brugge waren die van Ibsen en Malevich hielden, en ik haatte zijn verloofde die scherpzinnig en venijnig was en mijn zotte obsessionele verliefdheid meteen doorhad, en die mijn puberale hakkelende struikelende plompheid en mijn onvermijdelijke uitsloverige pedanterieën hekelde en misprees. Net voor we de nachttrein naar de Provence namen had de weergaloze stukadoor me meegenomen naar een vertoning van The Fearless Vampire Killers in Gent, en achteraf maakten we een lange wandeling doorheen het centrum, de ganse nacht, ik vond een ivoren armband en we kochten rozijnencakes en een fles wodka in een nachtwinkel, ik gaf de ivoren armband aan de beruchte schizofrene raaskallende ex-mandenweefster ‘Tsjoeleboele’, ze schold me uit maar nam de armband wel aan, ’s ochtends op het perron streelde de stukadoor mijn borsten lang en innig, en toen nam hij afscheid met de banale woorden: ‘Blijf mijn kleine koddige sukkelachtige ster, kleine koddige sukkelachtige ster.’

Het strelen van mijn borsten brandde nog na, ik was verward en extatisch achtergebleven op het perron en ik liet drie of vier treinen passeren.
Uiteindelijk verliet ik het perron en ik zocht de enigmatische stukadoor in de wachtzaal, in de bloemenwinkel en in de tijdschriftenkiosk. Maar hij was allang verdwenen. Ik kocht op het stationsplein een grote bak frieten met tartaarsaus, ik vergat een servet te nemen. Ik ging op de grond zitten om de frieten op te eten, maar ik beefde en de frieten met tartaarsaus vielen in mijn schoot, op mijn jeansbroek. Het was een vernederende kliederboel. Een jongen van mijn leeftijd stond op en liep naar het frietkraam om een dikke bundel servetten te halen zodat ik mezelf min of meer kon fatsoeneren. De jongen was lief en zorgzaam, zijn vriendin gaf hem een pluim, nee een standje: je bent veel te goed, ze is ons probleem niet. Ze was verrukkelijk, keizerlijk, bloedmooi, antipathiek, intelligent en genadeloos. Ik herinner me dat ik hoopte dat ze kaal zou worden.

In de nachttrein was het fijn: mijn moeder en ik deelden de coupé met luide ongecompliceerde Hollandse vrouwen die ergens in een pittoresk Frans gehucht pittoreske katten en pittoreske gevels zouden leren aquarelleren. Toen mijn moeder en ik gingen eten in de buffetwagen werd ze verleid door een sinistere besnorde machinist, compleet onbetrouwbaar. Hij gaf drank en doorzichtige complimentjes aan mijn moeder, mij negeerde hij bot. Mijn moeder goot de drank ongezien in de kleine bloempotjes die niet vastgenageld waren aan de tafel, maar toch mooi bleven staan. Vreemd roerloos. Uiteindelijk ging mijn moeder mee met de machinist en ik ging slapen boven een snurkende Hollandse dame.

Het was zalig om wakker te worden en te beseffen: oef, ik ben voor even verlost van de Vlaamse vaalheid. Nu kan ik drie weken blijmoedig ongegeneerd kinderlijk genieten van de exotische glooiingen met of zonder bosbranden, en van de bedwelmende geuren van lavendelvelden en incestueuze imkers, en van de krankzinnige caleidoscopische kleuren die Van Gogh en vele anderen heilig hebben gemaakt en daarna over de rand hebben gedreven. Mijn moeder zat zonder schaamte en zonder tekenen van vermoeidheid aan het raam een taaie toxische roman van Emile Zola te lezen. We werden in Avignon opgehaald door een kinderverkrachter die zijn straf had uitgezeten. Hij was de klusjesman van de eigenaars van het vakantiehuis. Mijn moeder zei: ‘Delphine, je weet hoe ik erover denk, iedereen verdient genade en een tweede kans: ook Polanski en de klusjesman. Vooral Polanski en de klusjesman. Dus: vriendelijk zijn en interesse tonen in het leven van de klusjesman.’ Maar ik was een norse tegendraadse puber, en dus was ik niet vriendelijk en toonde ik totaal geen interesse in de klusjesman.

Ik was veel te warm gekleed: ik droeg een zwarte jeansbroek en een zwarte lederen jas. Een zonnebril, en een belachelijk fluwelen hoofddeksel. Ik hield van de witte slaapkamer in de zijvleugel, er kwamen soms schorpioenen en duizendpoten door de kieren naar binnen en dan gilde mijn moeder en moest ik met een tijdschrift de insecten naar buiten leiden. Dan had ik de bovenhand en was mijn moeder een angstig hysterisch wrak, een cliché.
Op een stoel stond ze te krijsen, zij! In de namiddag gingen de volwassenen op uitstap en de pubers zwommen en neukten.

Behalve ik.

Ik bleef in de kamer en schreef brieven naar de argeloze punker met de flauwe hanenkam en naar de charmante onbevattelijke stukadoor wiens handen me hadden verzoend met mijn borsten. Maar de rest van mijn lichaam bleef ik ondraaglijk vinden. Vooral mijn gezicht. Mijn neus. Ik maakte krassen in mijn armen en benen met cassettedoosjes van Twisted Sister en Tracy Chapman. Maar het was niet genoeg en ik ging naar de keuken om een aardappelmesje te halen.
Ik ging aan de slag met het aardappelmesje. Mijn polsen. Er ontstond een bloedbad. Gelukkig was de stabiele nuchtere geruststellende Steven in de buurt. Steven voerde me naar de hardvochtige cynische dorpsdokter. De dorpsdokter zei: ‘Zelfverminking, daar hou ik niet van. Al helemaal niet bij toeristen. Toeristen moeten komen met een oorontsteking of een gebroken voet. Jij bent een lastpost!’ Hij lapte me niettemin op en Steven beloofde me niets te zeggen over mijn zelfverminking tegen de volwassenen.

De rest van de vakantie verliep niet idyllisch maar wel vlekkeloos: West Side Story op het dorpsplein, hernieuwde vriendschap en seks en kubisme met Rémi de holocaustoverlevende, abrikozen en olijven, hard afschuwelijk ordinair stokbrood waar de volwassenen overdreven lyrisch en lang over uitweidden, de oorontsteking van mijn imbeciele neefje Thomas en ik die mee mocht naar de dorpsdokter en hooghartig en vijandig naar hem staarde tot hij met zijn ogen knipperde, het Japanse nimfje leerde me duiken, ik leerde mezelf origamiwalvissen en origamiwasberen maken, ik las Isaac Bashevis Singer, ik probeerde vriendschap te sluiten met de stoere radicale veerkrachtige originele integere onafhankelijke Melina, een lesbienne van mijn leeftijd met een T-shirt van The Velvet Underground, geschoren haar en ringen in haar oorschelp. Maar ze vond me kinderachtig en aanstellerig, en te bezeten door mijn moeder. Te dweperig.

Terug in Brugge bleef ik mezelf snijden met messen, en mijn sombere mompelende onverschillige stiefvader moest me vaak naar de spoedgevallendienst voeren.
Uiteindelijk werd ik opgenomen in een psychiatrische instelling. Daar sneed ik nog veel dieper en veel vaker, want ik zag het bij de andere patiënten.
We wedijverden met elkaar, iedereen wilde de felste flagellant zijn. En de meeste aandacht krijgen. Aandacht van de mooie nachtverpleger die soms een merrie meebracht naar de instelling om de patiënten… Waarom eigenlijk? Niemand werd vrolijk van die nukkige barse onvoorspelbare primitieve levensgevaarlijke wrokkige merrie. Maar toen werd ik verliefd op Patrick de versleten ex-bokser, een revaliderende alcoholist die ook in de instelling verbleef. Ik vergat de snijdende meisjes.

Samen met Patrick herontdekte ik loom de wereld buiten het snijden, buiten de instelling. We luisterden naar John Lennon met mijn walkman in de tuin van de instelling. Later kregen we privileges en mochten we de tuin verlaten, de straat op. We gingen naar de dijk en aten ijsjes. Patrick kocht truffels en zure beertjes en armbanden voor mij. We droomden van een boot, een modelboot om in zijn zolderkamer in elkaar te lijmen. We hebben na ons verblijf in de instelling een tijdje tezamen gewoond, maar we hebben nooit een boot in elkaar gelijmd. Ik was moeilijk, lelijk, ledig, lomp, geniepig, slordig, stuurs en lamlendig.
Er vielen slagen en ik keerde terug naar mijn moeder. De zelfverminking ging nog een poosje verder, maar het had geen belangrijke functie meer. Ik had ondertussen andere, betere manieren gevonden om mezelf te kwellen en de tijd te verdrijven: anorexia, promiscuïteit, alcoholmisbruik. Boetedoening. Zelfkastijding. Iedereen moet zijn vorm vinden, iedereen straft zichzelf. Zo opzienbarend is het allemaal niet.

Over de auteur

Delphine Lecompte