Gepubliceerd op: donderdag 19 mei 2022

Delphine Lecompte – Je hoort er nu bij

 

In de vele gekkenhuizen waar ik heb verbleven werden wekelijks uitstappen georganiseerd: dorre opvoedkundige pragmatische uitstappen en geestige ontspannen verwennende uitjes zonder angel of adder in het gras.
De eerste groep uitstappen waren bijvoorbeeld: naar een supermarkt gaan om ingrediënten te halen die we dan tijdens de kooktherapie moesten gebruiken, een vernederend tandartsbezoek, het visserijmuseum, en het fitnesscentrum. Het visserijmuseum was onbegrijpelijk en het fitnesscentrum zadelde ons op met de verplichting om ons lichaam als een tempel te beschouwen, wat wreed was en onmogelijk kon verwezenlijkt worden aangezien wij bijna allemaal slachtoffers van langgerekt inventief seksueel geweld waren, en de meeste patiënten hadden minstens een dozijn incestueuze familieleden.
De geestige ontspannen verwennende uitjes waren simpel en vereisten een minimum aan concentratie: wafels eten op de dijk, wandelen met asielhonden, een diavoorstelling bijwonen over Schotland, het atelier van een goudsmid bezoeken, een paard leren beslaan, een imker aan het werk zien, pralines maken, paarse botsauto’s uitproberen, …

Eerst verzette ik mij tegen de uitstappen, tegen beide soorten. Ik was niet gek zoals de andere patiënten gek waren: ik nam minder medicatie, ik spuugde niet om de haverklap in het gezicht van de verpleegkundigen, ik toonde mijn borsten niet aan de vrijwilligers, ik stichtte geen brandjes in de badkamer, ik hield mijn demonen grotendeels voor mezelf, mijn familieleden schreven thesissen over Rilke en Lermontov en hadden bijgevolg weinig tijd voor incest en andere folterpraktijken, en ik had nog nooit in mijn genitaliën geroerd met een staafmixer. En dus wilde ik aanvankelijk niet verbroederen met de andere gekken, want ik zou toch niet lang blijven.
Maar ik bleef wel lang, want ik was wel degelijk knettergek, paranoïde, psychotisch en gekweld. Mijn pijn was bodemloos en ik kerfde erop los met scalpels die ik kocht van een apotheker in de Fortuinstraat vlakbij het gekkenhuis. En ik leed aan vergiftingswanen en OCD, en ik was mager en leugenachtig, en ik stal van kinderen en blinden, en ik was sletterig en ik had vreetbuien, en ik was manipulatief en opvliegend en dan werd ik opgesloten in de isolatiecel en platgespoten.
En na zo’n nacht in de isolatiecel wist ik het wel: de gekken waren mijn bondgenoten en het medisch personeel was kwaadaardig, pinnig, bestraffend, wispelturig, diabolisch. Na de eerste isolatiecelervaring sloot ik me aan bij de patiënten en vanaf dan nam ik ook deel aan de uitstappen.

Soms was het pijnlijk, dan liep ik rond met een groepje schizofrene alpacafokkers, afatische truffelraapsters, kwijlende ex-bordeelhoudsters, incontinente degenslikkers, en dementerende orgeldraaiers en een kleurloze ergotherapeut in een winkelparadijs, en plots stond daar Nicky mijn voormalige beste vriendin met een reeks blozende peuters met hippienamen aan haar zijde. Niet dat Nicky zulke hoge toppen scheerde, maar ze kon gaan en staan waar ze wilde, en ze kon zich laten bezwangeren zonder bemoeienis, en ze kon Afghaanse wiet roken en deelnemen aan orgieën, en als ze wilde kon ze een avondcursus voetreflexologie volgen. Nicky wilde altijd een avondcursus voetreflexologie volgen.
Nog veel erger was botsen tegen Kenneth op wie ik hartstochtelijk verliefd was geweest, we waren eens samen naar een concert van Philip Glass geweest, en achteraf aan de bar had hij een rare theorie over de planeten en de piramiden uit de doeken gedaan en ik had kokhalzend gereageerd, maar we waren vrienden gebleven en ik had zelfs eens een theatertekst voor hem geschreven, maar na de zelfmoord van zijn moeder en het gelijktijdige ontstaan van mijn zelfverminking was er een wig gekomen, een spleet, een scheur, een breuk: niettemin toen ik tegen Kenneth botste op de dijk met in mijn zog: Bertrand de zwaarlijvige godsdienstwaanzinnige melancholische baggeraar, de achterlijke bakkersknecht, de Zweedse ex-hoer, de versleten ex-bokser, een nieuwe zwijgzame gokverslaafde mystieke chrysantenkweker, en een oude krasse kregelige bijgelovige exhibitionistische mandenweefster die door de verkeerde medicatie afschuwelijke groteske grimassen maakte en in haar borsten kneep alsof ze een drenkeling of een kameeldrijver was, toen was dat absoluut het verkeerde moment om Kenneth terug te zien. Ik koesterde nog hoop en lust, een jaar voordien hadden we nog naast elkaar gezeten in de klas van meneer De Kat en les gekregen over motetten. Maar Kenneth reageerde heel koel en hautain en nonchalant op onze onverwachte reünie, ijzig beleefd schudde hij mijn hand, en spottend onverschillig vroeg hij wie mijn kameraden waren. Hij droeg een opzichtig horloge met diepzeefuncties en een hartslagmeter, en dure Italiaanse mocassins en een stropdas met strenge grafische Eschervissen, en op zijn hooghartige kruin troonde een pseudo-tribaal haarknotje dat hem het air gaf van een wrede Azteekse krijger, en er lagen twee doffe blauwe pruimen in zijn grote handpalm, en hij had een belangrijke functie in een makelaarskantoor dat geen lofts verhuurde aan uitschot zoals wij. Ik staarde naar de doffe blauwe pruimen, mijn gekke kameraden staarden ook naar de doffe blauwe pruimen. De Zweedse ex-hoer wees naar de pruimen en zei: ‘De koude klootjes van een ringstaartmaki!’ Iedereen lachte, behalve Kenneth de makelaar. Hij liet de pruimen vallen en Bertrand de zwaarlijvige godsdienstwaanzinnige melancholische baggeraar raapte ze op, veegde ze schoon met zijn T-shirt van een Bulgaars pretpark en hij at de pruimen lelijk, obsceen, morsend, achteloos, intens genietend op. De kleurloze ergotherapeut stond erbij en wist niet of er een inbreuk was gebeurd, hij zei uiteindelijk tegen de Zweedse ex-hoer: ‘Het woord ‘klootjes’, ik heb liever dat je dat woord niet gebruikt. Ik bedoel: niet hier, waar de buitenwereld je kan horen.’

Terug in het gekkenhuis zocht ik in een dierenencyclopedie de ringstaartmaki op: een koddig, lui, geil, sociaal dier met een ziekelijke moederbinding. Het dier had dus veel overeenkomsten met de gemiddelde psychiatrische patiënt. De ringstaartmaki werd tijdelijk mijn lievelingsdier en ik belde mijn moeder op om te vragen of ze de volgende keer wanneer ze op bezoek kwam een postkaart van een ringstaartmaki wilde meebrengen. Maar het werd een postkaart van een plompe lori, en dus werd de plompe lori noodgedwongen mijn lievelingsdier. De plompe lori was nochtans het omgekeerde van de ringstaartmaki/gemiddelde psychiatrische patiënt: eenzelvig, nachtelijk, giftig, schimmig, chagrijnig, schuchter, egocentrisch, maniakaal.
Er bestaat geen gemiddelde psychiatrische patiënt.
Elke psychiatrische patiënt is deels ringstaartmaki deels plompe lori.

Boodschappen doen voor de kooktherapie vond ik het vreselijkst, omdat we naar de winkel moesten gaan zonder supervisie: drie gekken met een boodschappenlijstje en geld. En er was altijd wel iemand die zei: ‘We kopen gewoon twee flessen rum, een afgeprijsde chocolade goedheiligman trek je beste tabbaard aan, en een zak marshmallows, en dan bouwen we een feestje in een bunker op het strand, en we gaan pas terug naar het gekkenhuis wanneer de goedheiligman trek je beste tabbaard aan verslonden is en de rumflessen leeg zijn, maar de zak marshmallows moet nog intact zijn want die zullen we geven aan de hoofdverpleegster om haar te sussen.’
Ik was meestal de aanstichter.
De les?
De les is dat het prettig is om in een gekkenhuis te verblijven, op voorwaarde dat je niet afstandelijk doet tegen de andere patiënten en niet konkelfoest met het personeel. Op voorwaarde dat je je gekheid ten volle omarmt, dat je je vereenzelvigt met je waanzin.
Naar de tandarts ben ik slechts één keer moeten gaan, maar het was ontzettend vernederend. De tandarts trok uit sadisme en uit wellustige machtsontplooiing twee perfecte broodnodige muurvaste oogverblindende oergezonde ultrasterke tanden uit mijn muil. Bovendien gebruikte hij barbaarse zestiende-eeuwse instrumenten uit Moldavië, al weet ik niet zeker of Moldavië al bestond in de zestiende eeuw. De tandarts zei: ‘Je bent te mager, je lijkt op een ezel.’ Ik grinnikte ondanks de pijn en de ijzeren staven in mijn muil. De tandarts frunnikte aan de ritssluiting van mijn jeansbroek, maar hij bedacht zich en gooide een kleine cactus uit het raam. Ik verliet de tandartspraktijk en ik herinner me dat ik opgelucht was dat ik bij de gekken hoorde, zij waren tenminste puur en eerlijk en zachtaardig en vrijgevig, en ze zouden nooit zonder goede reden vastzittende tanden uit mijn muil sleuren.
Ik betrad een spookhuis en voor het eerst in mijn leven was ik niet bang van het valse verende ongeloofwaardige spinrag en de blikkerige karikaturale ijzingwekkende kreten en de fluorescerende plastieken skeletten, slapjanussen poppenkast bedrog loop naar de maan!
’s Avonds keerde ik terug naar het gekkenhuis en ik toonde de leemten in mijn gebit aan de achterlijke bakkersknecht en aan de versleten ex-bokser. Ze troostten mij en ik werd overladen met zure beertjes, boeken over Pol Pot, pluchen salamanders, roddeltijdschriften, goedkope zegelringen, en gestolen parfumflacons.
De volgende dag probeerde Bertrand de zwaarlijvige godsdienstwaanzinnige melancholische baggeraar zelfmoord te plegen met de opgespaarde pruimenpitten.
Abrikozen, idioot, abrikozen!!

Over de auteur

Delphine Lecompte