Gepubliceerd op: donderdag 5 mei 2022

Delphine Lecompte – Eerst was alles idyllisch

 

Alles was mooi na vier jaren excessief drankmisbruik.
Nee, niet meteen.
Eerst verbleef ik drie weken in een ontwenningskliniek.
De eerste week werd ik in beslag genomen door razernij en verwardheid.
De tweede week liep ik vaak weg overdag om de liefde te bedrijven met de voormalige vrachtwagenchauffeur, maar ook om huishoudartikelen en decoratiewaren te kopen: sponzen, detergenten, mierenlokdozen, kussenslopen met een motief van schelpen en citroenhaaien, servetten met parmantige teckels met een pitteleer en hoge hoed, een turkooizen ventilator, een kruidenrek, een samowar, een theemuts in de vorm van een stoomlocomotief, en een verjaardagkalender.
Want na mijn opname zou ik huiselijk en ordelijk en zorgzaam worden. Ha ha ha.
Pas tijdens de derde week had ik oog voor mijn medepatiënten: in de televisiezaal zat elke avond dezelfde jonge junkie met schilferende armen die voet bij stuk hield dat ze niet wist waarom ze was opgenomen.
Ze toonde me foto’s van haar perfecte leven: een foto van een Arabisch volbloed (‘Mijn Arabier!’), een foto van een doffe roerloze ongeïnspireerde litho van Alechinsky (‘Mijn zeldzame parel van Alechinsky!’), een zwetende anemische schichtige half-grijnzende palletbedrijfsgoeroe die als twee druppels water op John Stamos leek (‘Mijn prachtige sierlijke altruïstische onvolprezen palletbedrijfsgoeroe!’), en een blond meisje met een versleten pluchen kangoeroe met lege geperforeerde buidel en een verontwaardigde roofzuchtige blik en sensationele religieuze brandwondlittekens in haar hals (‘Zijn ziekelijke geniepige onuitstaanbare dochter!’).
De jonge junkie heette Tamara en we keken samen naar een antiekshow.
‘Zou jij die tafel uit Bali waaraan zowel Houdini als Arthur Conan Doyle hebben aangeschoven voor scampibrochettes en seances kopen?’
‘Zou jij die zwarte stoel gebruikt door een Zuid-Koreaanse kannibaal om zijn slachtoffers te intimideren kopen?’
‘Zou jij dat racistische paternalistische kolonialistische stripverhaal kopen?’
‘Zou jij die collage van de beroemde misogyne in ongenade gevallen blaaschirurg kopen?’
Tamara wachtte niet op mijn antwoorden.
Tamara wilde de tafel, maar niet de stoel.
Misschien de collage, maar het stripverhaal liet haar koud.
De schizofrene alpacafokker kwam bij ons zitten en vertelde voor de honderdste keer hoe gelukkig hij was geweest met zijn specifieke Moldavische benzodiazepinedruppels: dankzij die druppels kon hij zonder paniekaanvallen zijn alpaca’s borstelen, zuipen, zoete aardappelen eten, naar B-films met Kurt Russell kijken, zijn echtgenote cunnilingus schenken, slapen, dromen over zijn verdronken analfabetische jongenshoer van het Zwarte Woud, dromen over het folteren van honingdassen en circusberen, wakker worden, darts spelen, de gedichten van E. E. Cummings lezen, naar de volleybalwedstrijden van zijn kleinzoon gaan, liefdevol staren naar een kaasschaaf in een tijdschrift, en harde nougatrepen en marsepeinen wombatdemonen gooien naar de vervelende hooghartige reigers die als een terracottaleger zijn goudvisvijver trachtten te versmachten.
Maar op een dag werden zijn specifieke Moldavische benzodiazepinedruppels van de markt gehaald, en nu zat hij hier.
Opgescheept met ons.
De domste patiënt was de aardigste patiënt.
Erik de zwakzinnige ex-stukadoor werd mijn baken in de ontwenningskliniek.
Voor het slapengaan luisterden we vier keer na elkaar naar Isabelle, je t’aime van Les Poppys.
Tijdens de vierde luisterbeurt kreeg Erik een erectie, maar dat had niets met mij te maken.
Het had te maken met de naderende daverende medicatiekar, die werd gemanoeuvreerd door een bloedmooie enigmatische sardonische plagerige scherpzinnige vileine net niet verwijfde nachtverpleger met wie ik elke nacht over Rammstein en Iris Murdoch sprak.
Alle patiënten waren verliefd op hem, hij was de juiste keuze.
Maar ik ging het hebben over mijn nuchterheid na de opname: idyllisch ja, eerst was de nuchterheid fucking paradijselijk.
Alles was nieuw en glanzend en gezond: ik at kiwi’s en guacamole voor de vitamines en de kleur, ik keek naar de zonsondergang en de zonsondergang stemde me niet nostalgisch en niet mismoedig, ik kon opnieuw een roman uitlezen, mijn eerste roman na mijn ontwenning werd passend Oblomov.
Passend?
Ik raakte bezeten door bakwedstrijden op de televisie, door alle wedstrijden op de televisie, de knullige hobbyachtige wedstrijden zonder reis of prijzengeld op het eind van de rit.
Ik leefde mee en ik hoopte altijd dat de aarzelende schuchtere spichtige nerveuze hakkelende minst ambitieuze deelnemer zou winnen.
De voormalige vrachtwagenchauffeur bleef nors en teder zijn pilsjes drinken en wrokkig mompelen over zijn meubelmakervader die eigenlijk een vrek was geweest, en over zijn oude vlam Véronique die hem eens had getrakteerd op een weekend in Dorset en de ganse tijd had geklaagd over het gebrek aan dassen en pastorale sereniteit.
We keken naar de onstuimige tomeloze sprankelende sadistische televisieserie Killing Eve.
Brugge werd getroffen door een hittegolf, maar ik bleef zuiver en rechtlijnig en extatisch, en ik at een eindeloze reeks frisco’s zonder enige vrees voor de splinters en de onvermijdelijke bacteriën van de stokjes die op Zeg-eens-AAAAAAAHHHH spatels leken.
In de ontwenningskliniek hadden ze mijn neus en mijn keel en mijn bloed onderzocht, en alles was oké: mijn keel functioneerde uitstekend, mijn neus zat niet vol poliepen nee echt niet, en mijn bloed was fantastisch, werkelijk formidabel.
De voormalige vrachtwagenchauffeur hing nog steeds mijn keel niet uit en zijn manipulatieve ondoorgrondelijke charismatische scrupuleloze gokverslaafde zoon kwam nog maar zelden over de vloer.
Toen werd het herfst, mijn nuchterheid was ondertussen vier maanden oud: bijna een gewoonte, maar nog niet afgezaagd.
Ik nam deel aan een populaire televisiequiz en werd op slag beroemd.
Ik was verrukt en psychotisch.
Ik haatte de roem en ik kon niet meer slapen.
Er kwamen belachelijk veel journalisten over de vloer om me uit te horen over mijn alcoholmisbruik, mijn promiscuïteit, mijn pyromanie, mijn zelfverminking, en andere naargeestigheden uit het verleden.
Ik schreef elke dag een gedicht en een verhaal en een opiniestuk.
Ik was gedisciplineerd. Al moet ik erbij zeggen dat ik op het vlak van schrijven altijd gedisciplineerd was geweest, zelfs tijdens mijn meest excessieve drinkgelagen was ik steeds gedichten blijven schrijven.
Iron Maiden maakte de slapeloosheid draaglijk.
Mensen lachten me uit wanneer ik dat zei. ‘Zou je niet beter naar walvisgeluiden luisteren?’
Ze dachten dat Iron Maiden bijdroeg aan mijn slapeloosheid.
Dat was verkeerd: die slapeloosheid was er sowieso, in al zijn taaie slijmerige onverzettelijkheid, maar het album Powerslave verzachtte het woelen, de wanhoop, de dreinende pijn.
Later ontdekte ik nog hardere muziek: Slayer, Lamb of God, en Behemoth.
Ook hun liedjes waren een balsem.
Ik denk dat ik hun robuustheid en duidelijke gerichte gerechtigde kinderlijke pseudo-diabolische woede nodig had tijdens die brokkelige warrige ijle nachten.
Een houvast, een reddingsboei.
Tijdens de vijfde maand werd ik opnieuw opvliegend en agressief.
Kerst kwam en ik feestte vreugdeloos met mijn moeder en mijn zusjes en een kommetje zielige tarama en twee glazen wrange kininelimonade.
Het was alles wat ik wenste.
Mijn moeder en mijn zusjes aten hinde en warme appelen en kroketten.
Ze dronken uit solidariteit zo weinig mogelijk schuimwijn, maar mijn moeder werd toch een beetje dronken en ze begon te jammeren over tante Katrien en dat het zo gemeen van me was dat ik een verhaal had gepubliceerd waarin ik schreef over ‘zotte tante Katrien’.
Het was een liefdevol verhaal, maar dat wilde mijn moeder niet zien.
Dat wilde ze niet geweten hebben. Het kerstfeest was om zeep.
Op de laatste dag van het jaar kreeg ik een ooginfectie en om 20u ging ik naar bed met een tube antibioticazalf.
Ik sliep in de logeerkamer van de oude kruisboogschutter.
Vanaf Nieuwjaarsdag werd nuchter blijven een fors treurig episch gedoemd gevecht.
Gedoemd om te mislukken.
Toch hield ik de nuchterheid nog een hele tijd vol, maar op 11 mei (de dag voor Hemelvaartsdag) dronk ik acht blikjes bier.
Of negen.
Ik dronk heel vlug en raakte de tel kwijt.
Het was niet geestig en ik begon te klappertanden.
Ik kroop om 18u in bed en de volgende dag herpakte ik mij.
Veertien dagen later dronk ik opnieuw acht of negen blikjes bier.
Deze keer was het wel geestig.
Ik werd vrolijk en lichtzinnig en joviaal.
Ik belde de bedeesde zeepzieder op en we keuvelden zo ontzettend gemakkelijk en slim en diep en hartelijk en gelaagd en rijk en amicaal.
De voormalige vrachtwagenchauffeur vond het prettig dat ik dronk.
Hij moedigde me niet aan, maar ik merkte dat hij opgelucht was dat hij opnieuw een drinkmaatje had.
We aten samen een grote slagroomtaart op en maakten een klein potje rivierkreeftensalade met ananasstukjes soldaat, de volgorde was verkeerd.
Dat was het minste van mijn zorgen.

Over de auteur

Delphine Lecompte