Gepubliceerd op: maandag 7 maart 2022

EI 310: René van Loenen – Processie voor de Heilige Barbara

 

Wij zouden nog het liefst uw dode lijf
herenigd met uw hoofd, voor ieder zichtbaar
in een glazen kist, hier ronddragen.

Ook goed: alleen uw hoofd
In een gepoetste schrijn, geurend naar bijenwas.

Enkel een haarlok zou ook al mooi zijn,
zwart als ebbenhout, golvend en zacht.

Een splinter van een botje, in het uiterste geval
een stukje nagel van uw pink, door de pastoor gewijd.

Desnoods uw blik! Ja, laat het dan uw blik maar zijn
waarmee wij rondjes lopen rond de kerk:
uw blik van vastberadenheid.

 

De Culemborgse dichter René van Loenen is de jongere broer van de in Vianen woonachtige dichter Henk van Loenen, alias Julien Holtrigter van wie eerder in de Rubriek Eerste Indrukken een gedicht is besproken. Vandaag bespreken we van René een gedicht uit zijn laatst verschenen bundel Surplace. Het verhalende gedicht plaatst de lezer in een hagiografisch milieu met de heilige Barbara van Nicomedië als stralend middelpunt. Vele jaren was zij beschermheilige van Kuilenburg, ooit een Betuws vrijstadje dat asiel bood aan wanbetalers op de vlucht voor represailles van schuldeisers.
De eerste versregel opent met een niet nader gespecificeerd pronomen ‘Wij’. Het lijkt erop dat de dichter de bescheidenheidsvorm bewust hanteert in de hoop zijn persoonlijke aandacht en respect voor de schutsheilige met anonieme lezers te kunnen delen. Die hoop is waarschijnlijk ijdel want heiligen spelen in het leven van de moderne Nederlander nauwelijks nog een rol.
In de 3e eeuw na Chr. wordt Barbara wreed door haar heidense vader Dioscurus gemarteld en ten langen leste onthoofd vanwege haar onvoorwaardelijke geloof in de heilige Triniteit. Vanaf de Middeleeuwen neemt de verering rondom Barbara’s heiligheid sterk toe en is zij voor veel gilden de beschermheilige.
Maar wat zou het fantastisch zijn als haar hoofd met haar ontzielde lichaam kon worden herenigd. Zegt de dichter immers niet in de eerste strofe: ‘’Wij zouden nog het liefst [haar] . . . voor ieder zichtbaar in een glazen kist, hier ronddragen.’’ Dat ‘’ronddragen’’ zou dan moeten plaatsvinden in de vorm van een plechtige processie rondom een van de drie naar Barbara vernoemde kerken in Culemborg, in wiens hart en ommelanden de dichter bekendheid en waardering geniet als stadsdichter met haviksoog voor stilstand en detail.
De dichter weet dat díe eervolle ommegang met Barbara’s ‘’dode lijf’’ niet meer mogelijk is. Daarom neemt hij genoegen met louter haar kostbaar hoofd; opgebaard in een scrinium: ‘’een gepoetste schrijn, geurend naar bijenwas.’’ Dat kan helaas ook niet meer. Dan maar, aldus de dichter in de derde strofe: ‘’een haarlok, zwart als ebbenhout, golvend en zacht.’’ Met name in de katholieke kerk ontstond vanaf de Middeleeuwen de verering van relikwieën: delen van het lichaam of restanten van kledingstukken die ooit een heilige of martelaar toebehoorden.
Als er zelfs geen haarlok bewaard is gebleven van Barbara – die met prominente heiligen als Blasius en Christophorus is uitverkoren tot de 14 noodhelpers van de Roomse Kerk – mag het desnoods ook zijn: ‘’een splinter van een botje, in het uiterste geval een stukje nagel van [ de ] pink’’, als het dan maar wel ‘’door de pastoor [ is ] gewijd.’’ En is er helemaal geen tastbaar reliek meer, dan nemen ‘’wij’’ genoegen met haar ’’blik’’ die vastberadenheid uitstraalt: een blik ’’waarmee wij rondjes lopen rond de kerk.’’
Toch roept de opsomming naarmate het gedicht vordert ook een lichte zweem van spot op. De gedachte dat ooit een nagel of botsplinter plechtig werd rondgedragen, is op zijn zachtst gezegd vanuit het vigerende tijdsgewricht voor velen een ridicule gedachte. Laten we deze gedachte evenwel varen en ervan uitgaan dat het dichters zuivere intentie is om Barbara – na zoveel eeuwen – opnieuw te eren of op z’n minst voor een korte pose uit de vergetelheid op te lichten.
De rondgang om de kerk komt in zekere zin eveneens tot uiting in de strofenbouw van het gedicht: 3 – 2 – 2 – 2 – 3. De strofenbouw suggereert een cirkel, een rond parcours. De link naar de wielrennerij is dan snel gelegd. De titel van de bundel Surplace is immers een term uit de baanwielersport en betekent stilstaan. En dat is wat de dichter doet: stilstaan bij Barbara. Een processie voor deze heilige kan beschouwd worden als een ultiem eerbetoon van de dichter aan Barbara. Een heilige die door haar achterban lijkt te zijn vergeten en van wie slechts een schamel beeldje in een nis van de laatste stadspoort van het voormalige vestingstadje is overgebleven.
De inhoud van het gedicht kenmerkt zich door een afnemende opsomming die opnieuw de indruk wekt dat het met de verering van deze heilige van weleer in het Lekstadje is gedaan. Niets lijkt er van Barbara als martelares, maagd en lerares te zijn overgebleven. Haar rol lijkt definitief te zijn uitgespeeld. Toch is het alsof de dichter zichzelf moed inspreekt. Hij brengt vanuit zijn scherpe dichtersblik haar, die ooit velen troost en bescherming gaf, gepaste hulde, een laatste eer. De spiegeling van haar blik – voor de dichter een uiting van onverschrokkenheid en moed – is wat blijft. Zij stond voor haar zaak met rechte rug. Maar de homo novus leeft thans in geheel andere structuren.
De bel van de allerlaatste ronde heeft inmiddels geklonken en langzaam sterft weg op de vleugels van de tijd zijn ooit zo zuivere galm.

Meer weten? Zie:
Die historie van Sinte Barbara met die miraculen, Delf, 1497, 40 . De incunabel is te vinden in de KB te Den Haag. Het nummer is 71 H6.
F.J.A. de Grijs. ‘’Heiligen, wat zijn dat eigenlijk?’”. In: Andere structuren andere heiligen, o.r.v. R. Stuip, G. Vellekoop, Utrecht, 1983, p. 13 – 32.

 

Rene van Loenen Surplace

 

René van Loenen

Surplace

Buijten & Schipperheijn Motief

ISBN 9789463691666

 

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.