Gepubliceerd op: donderdag 10 maart 2022

Delphine Lecompte – Het zwembad van Koksijde

 

Het zwembad van Koksijde lag in de schaduw van een moderne kerk. Zelfs als kind en zonder enige ervaring met andere zwembaden zag ik dat het zwembad klein en verouderd en onhygiënisch en levensgevaarlijk was. Je moest je omkleden in een claustrofobisch hokje met pleisters en bloed en condooms en doorweekte suikerwafels op de grond, en er was een getolereerde pedofiel die soms bovenaan kwam piepen of gluurde langs de kieren in de zijden, maar nooit was hij wanhopig genoeg om op zijn buik te gaan liggen. Of misschien was dat een perspectief dat hem niet beviel.

Ik was de slechtste zwemmer van de familie, maar ik dook graag en probeerde altijd mijn record onderwaterzwemmen te breken. Het was mijn hoop toen om de nieuwe Harry Houdini te worden, geketend, in een kooi gestopt, in diep water gedropt, en er toch nog in slagen om te ontsnappen, dat leek me fantastisch. Zelfs mijn vader zou aan de rand van het water met ingehouden adem wachten en een zucht van opluchting slaken en uitzinnig applaudisseren (maar niet juichen of joelen) wanneer ik eindelijk boven water zou verschijnen.

Vanaf ik acht was mocht ik alleen naar het zwembad trekken. Het was een daguitstap. Eerst bezocht ik het Paul Delvaux-museum, ik laafde me aan de treinen en de zuilen en de efemere haast doorschijnende deernen met lange dunne haren en grote verdwaasde ogen, dronk tomatensoep in de tuin van het museum, negeerde de pauw die niet wilde genegeerd worden, en daarna ging ik nog even langs bij tante Tineke en haar chagrijnige teckel Milord.
Tante Tineke gokte op paarden en soms mocht ik er ook een paard uitkiezen. De paarden hadden magische fabelachtige absurde vergezochte namen: Eerlijke Waterjuffer, Fruitige Draak, Paarse Kaviaar, Kwade Verleiding, Komische Regenboog, Aardige Schimmel, Liederlijke Gomarus, Wulpse Nitsa, Grillige Kokosnoot, Durfal Wilson, Jimmy Beëlzebub, Randy Mattress, …
Na het gokken rookten we sigaren en aten we confituurtaartjes. Tante Tineke gaf me tot slot een bundel bankbriefjes, kuste me op de mond en duwde me haar huis met het rieten dak uit.

Aangezien het gevaarlijk was om met een maag vol confituurtaartjes te zwemmen ging ik het geld eerst opmaken op de dijk van Koksijde, in de lunaparken. Dan kroop ik in een stilstaande raceauto en mocht ik sullige stukadoors en verloederde junkies van de weg maaien, zalig! Maar ik eindigde altijd bij de grijpertjes en nooit ben ik erin geslaagd om een plastieken sporthorloge of illegale Garfield of bloedmooie wijze nieuwgierige alerte realistische kangoeroe met gestikte ogen en primitief lappenkind in haar buidel uit de bak te vissen.
Ik had nog net genoeg geld over voor het entreegeld van het zwembad en voor een vies roze yoghurtdrankje achteraf in de kantine.

Korzelig en misnoegd kleedde ik me uit en propte ik mijn kleren in een blauw netje met een getal. Het netje moest je afgeven aan de nymfomane ex-ezeldrijvervrouw die sinds de scheiding van de ezeldrijver in het zwembad werkte, en het getal moest je onthouden anders had je pech en moest je in zwemkledij de genadeloze spottende straten van Koksijde trotseren. Ik onthield mijn getal altijd.
Getallen konden onheilspellend zijn: zowel 34 als 43 vond ik afschuwelijk en kreeg ik een van die getallen dan wist ik dat mijn zwempartij een vreugdeloze bedoening zou worden. Maar het ergst was 26, kreeg ik het getal 26 dan stierf er iemand tijdens het zwemmen. Ook 79 was gruwelijk, kreeg ik het getal 79 dan was ik ooggetuige van een dodelijk auto-ongeluk na de zwempartij, tijdens het naar huis fietsen. 13 het beruchte ongeluksgetal was onvoorspelbaar: toen ik eens het getal 13 kreeg werd ik gemolesteerd door twee slagersknechten uit Veurne, maar diezelfde dag kreeg ik ook een prachtig pluchen lam van mijn grootvader en mijn grootmoeder las ’s avonds sober en huiveringwekkend de ongecensureerde versie van Klein Duimpje voor.

Er waren zo veel regels en rituelen alvorens je het zwembad mocht betreden. Maar ze loonden allemaal de moeite want het zwembadwater was formidabel louterend paradijselijk reinigend plagend koesterend balsemend vergiffenis schenkend: het toppunt van extase of banaal geluk. Er waren twee soorten zwembadgebruikers: de verbeten zwemmers die eenzelvig en antipathiek baantjes trokken, en de mensen die roddelden en flirtten aan de rand van het zwembad. Uiteraard ging mijn voorkeur uit naar de tweede groep, zij hadden hun robuuste opzichtige klaterende charme en hun burleske wrede schaamteloze verhalen. Er was maar één zwembadopzichter, hij had een bierbuik en een walrussnor. Voordien was hij rattenverdelger geweest. Hij had Ierse voorouders en zijn vader had in Cambodja een pingpongspeelster of bordeelhoudster gewurgd, zo werd beweerd. De zwembadopzichter/ex-rattenverdelger had getatoeëerde armen: een zwaan, een otter, een ladder, een mislukte leeuwentemmer, een schele zeemeermin, een robot uit Star Wars, en het woord ‘sereniteit’. De consensus was dat het woord ‘sereniteit’ niet bij de zwembadopzichter/ex-rattenverdelger paste.

In het zwembad raakte ik bevriend met de meest uiteenlopende wonderlijke kleurrijke baldadige schepselen: met een limonademogol die als hobby bustebeelden van Horatius vernielde, met een loensende sproeterige parapluhersteller die nog roadie was geweest voor Status Quo, met een bedeesde zeepzieder met een kameleon die altijd moest wachten op de mosterdkleurige auto van de zeepzieder en de kleur aannam van de diademen van de passerende analfabetische jongenshoeren, met een gepensioneerde stierenvechter die bezeten was van Italiaanse salades en van Greta Garbo, met een anemische kaarsenmaker die twintig jaar in de gevangenis had gezeten voor de moord op een Bretoense tuinman, met een sjamanistische touwslager die me de beginselen van voodoo leerde, met een melancholische baggeraar die haiku’s schreef en ze meebracht naar de rand van het zwembad en iedereen was onder de indruk van de onontkoombare ongrijpbare superieure kwaliteit van zijn haiku’s, en met een imbeciele vogelwichelaar van mijn leeftijd met wie ik wilde plannen maakte om leegstaande discotheken en schommelstoelfabrieken in brand te steken.

Na de verwarrende cynische enigmatische gesprekken met de gevaarlijke onberekenbare bloeddorstige schepselen aan de rand van het zwembad dook ik naar de bodem en probeerde ik zo lang mogelijk beneden te blijven. Iedereen was sierlijk en glad en onschadelijk in het water. De ledematen van de zwemmers leken op Paaseilandbeelden en de buiken leken op verwilderde katten.

Het zwembad verlaten was treurig. Hoe grondig ik mezelf ook afdroogde ik bleef klam en mijn kleren pasten niet meer. In de kantine dronk ik met natte haren het vieze roze yoghurtdrankje en er was altijd een episode van veertig seconden waarin ik mijn leven haatte en zelfmoord wilde plegen.
Dan de fiets op en terug naar het huis van mijn grootouders. Mijn grootouders vroegen nooit hoe mijn dag was verlopen. Ik was een kind en bijgevolg waren al mijn dagen irrelevant en onnozel.

Over de auteur

Delphine Lecompte