Gepubliceerd op: donderdag 20 januari 2022

Delphine Lecompte – Praag is gevaarlijk

 

In 1998, in het laatste middelbaar, gingen we op schoolreis naar Praag. Mijn beste vriendin Nicky Dewildeman was hoogzwanger en kon dus niet mee, maar ze kwam onze reisbus uitzwaaien op blote voeten en met een veer in haar opgestoken haren. Haar buik was prachtig en ik mocht hem elke dag kussen, maar nu zou ik Nicky vijf dagen vergeten en me concentreren op het onvoorspelbare onherbergzame woeste mystieke poëtische anarchistische maar ook moederlijke koesterende heilige heilzame genezende verlossende Praag.
Onze leerkracht Engels De Kat had ons gewaarschuwd dat Praag gevaarlijk was. Hij wist het uit eigen ervaring, hij was er geweest in de jaren zeventig en elke dag had hij slaag gekregen van pooiers en duivenmelkers en halfblinde compleet krankzinnige zeppelinbouwers. Iedereen sloeg er maar op los in Praag, ook de mensen waarvan je het niet zou verwachten: vrouwen, kinderen, senioren, dwergen, en ex-astronauten met zachtmoedige snorren en filantropische beroepen. De uitspraak van De Kat ‘Praag is gevaarlijk’ werd een mantra, en toen Harald de zelfverklaarde Eros en Gandhi en Warhol van de klas na de Praagreis van school werd gestuurd omdat hij een pot vloeibare honing had uitgegoten in het hoofddeksel van de directrice schreef hij met zijn stront PRAAG IS GEVAARLIJK op de muur van de jongenstoiletten. ‘Praag is gevaarlijk’ werd onze code voor ‘volwassenen zijn dom en willen dat je burgerlijk en fatsoenlijk wordt, laten we hen vermoorden.’
Praag was mooi.

Praag was vooral druk, toeristisch, folkloristisch, kneuterig, behaagzuchtig. Praag was Brugge! Dat was mijn eerste indruk en ik voelde me bekocht. Maar even later reed onze bus door de buitenwijken en toen zag ik dat we wel degelijk in een Oost-Europese oorlogszone waren terechtgekomen en dat al onze westerse waarden overbodige verwennerijen en aanstellerige tierlantijntjes waren. Alle vrouwen en kinderen en tandeloze mannen waren hoeren. De rest was pooier en dichter. En verver of kuiper. Iedereen was moordzuchtig en drugverslaafd en baldadig en atheïstisch. En behulpzaam.

In het hotel logeerden nog andere scholieren. Duitse scholieren! Kenneth en ik schreeuwden vanuit onze hoteldeuropening: ‘Mein Kampf! Mein Kampf!’ We dachten dat het vreselijk zou kwetsen. We dachten ook dat het betekende: dit is ons terrein! Dit is ons terrein! Ik werd opgebeld, het was Filip die in de hoorn ‘foef’ zei en proestend de hoorn neersmeet. En opnieuw, en opnieuw, en opnieuw. Hij sliep in de kamer naast de mijne, de muren waren flinterdun en ik hoorde het neersmijten van de hoorn klaarder en beter dan het obscene kinderachtige woord ‘foef’ proestend uitgebraakt. Filip was verliefd op mij en ik was verliefd op Kenneth. Kenneth zag eruit als een kruising tussen Toetanchamon en Keanu Reeves. De Kat was ook verliefd op Kenneth, en een homoseksuele kooivechter die elke dag aan de schoolpoort stond met kersenbonbons, pluchen orka’s, en hangende tulpen van het lange wachten. Kenneth was verliefd op niemand, Kenneth was een synthesizer spelende monnik.
De leerkrachten die ons tijdens de Praagreis begeleidden hadden hun eigen geheime agenda en ze lieten ons vrij, zolang we maar heelhuids voor 11u ’s avonds terug in het hotel zouden zijn. Dat is steeds min of meer gelukt.

De eerste dag trok ik op met Isabelle omdat Heleen met wie ik liever was opgetrokken één van haar donkere, prikkelbare en solitaire buien had. Voordien had ik nooit contact gezocht met Isabelle, omdat ze dik en dof en mediocre was. Ze droeg grijze kleren en treiterde zelden of nooit de leerkrachten die het allen verdienden om getreiterd te worden. Vanwege het op niets gebaseerde gezag dat ze klakkeloos hadden aangenomen, en waar ze in zwolgen. Maar in Praag zag ik een andere kant van Isabelle: haar veerkracht, haar stugge lijden, het opgroeien in een arm gezin, een incestueuze imker als vader, een romantische gekwelde broer met littekens die in een goktempel werkte.
Isabelle gebruikte geen werkwoorden. Ze zei: ‘Broeder, croupier.’ Ze zei niet broer maar broeder. Waardoor ik in mijn hoofd een verhaal begon te verzinnen over een man met gokschulden die zich op de vlucht voor de maffia verschuilt in een abdij en de harten van de ‘echte’ broeders wint. Tot ik besefte dat dit het scenario van Sister Act was, zo ongeveer, en dat we die film hadden bekeken in de bus maar ik was toen al half-comateus van de rum aan het knikkebollen en kwijlen terwijl op mijn discman Satellite of Love op repeat stond. Thijs had foto’s getrokken van mijn dronkenschap, maar hij zou ze genadig en vriendschappelijk verscheuren en de snippers voederen aan de rottweiler van Kenneths nieuwe aanbidder.

Isabelle hield van Praag en Praag hield van Isabelle. Op een oever tussen junkies en punkers en toneelschrijvers picknickten we met abominabele kaas, zuur brood, en perziklikeur. Ik zei voor de grap dat ik haar vulva wilde likken. Ik besef nu ook wel dat het ongepast was. Ja, nu pas. Isabelle stond op en liet me in de steek. Daar zat ik dan alleen op de oever, geen spoor van Kafka en ik was bang. De toneelschrijvers keken dreigend in mijn richting.Ik kreeg de indruk dat mijn uiterlijk en mijn maniertjes niet aansloegen in Oost-Europa. Het stemde me droevig want ik dweepte met alles wat Slavisch was en ik sprak al een mondje Russisch: bedankt, is deze plaats nog vrij?, een glas water alstublieft, je bent een duivel, ik kan niet zwemmen.

De tweede dag waren er verplichte activiteiten en dus weiger ik om over de tweede dag te schrijven.
De derde dag bezochten we een concentratiekamp buiten Praag, ver buiten Praag. Bijgevolg kan ik over de derde dag ook niets kwijtgeven.
De vierde dag was een triomf. Waarvan? Van wie?
Ik bedoel: het was een geestige, zorgeloze, uitbundige, gulle, zwervende, jubelende dag met wolken die opvielen en die op briljante flamboyante wasbeerverzorgers leken en met extreem veel zon en jazz die niet ergerde en handgemaakte juwelen en werkelijk overal profeten en gratis drugs voor wie slim genoeg was om ze aan te nemen. Heleen en ik waren slim. We trokken opnieuw met elkaar op. We vergaten terug te keren naar het hotel, Heleen zorgde ervoor dat ik niet verkracht werd door een groep imbeciele vogelwichelaars en een meute naargeestige ginnegappende touwslagers. De zon kwam op en we gingen met de tram naar de ontbijtzaal van het hotel. De leerkrachten hadden katers en schrammen, ze spraken niet tegen ons. Op de voorpagina van alle kranten stond de boude ontsnapping van onze Belgische boeman Dutroux. Ik vroeg een glas water in het Russisch, de verrukkelijke blonde overspannen hotelmedewerkster zei in het Duits dat ze het te druk had om me te helpen en dat ik DAAR DAAR DAAR KSSSJJJTTT moest aanschuiven, scheer je weg!

Op de laatste dag was iedereen wanhopig en vrolijk. We hadden Praag overleefd en Filip had zelfs een handtekening van Zatopek bemachtigd. Een naam die me hilarisch scheen. En bloeddorstig, primitief, jungleachtig, sjamanistisch, sadistisch, mystiek, Zuid-Amerikaans. Maar neen, hij was gewoon een banale ordinaire volkse renner, een Tsjecho-Slowaakse sportman. Terug in Brugge vroeg mijn moeder hoe ik het had gesteld in Praag. Ik zei: ‘Praag is gevaarlijk.’ En gaf typische Tsjechische koeken in een typische Tsjechische blikken doos die ik had gekocht in een Duits benzinestation waar ik eindelijk mijn mondje Russisch had kunnen gebruiken: je bent een duivel en ik kan niet zwemmen. De Duitse pompbediende had daarop geweigerd om de Tsjechische blikken doos in te pakken in geschenkpapier. Mijn moeder zei: ‘Ik ben op dieet, stout kind!’
Ik was bijna twintig.
Ik herhaalde: ‘Praag is gevaarlijk.’
Mijn moeder zuchtte en ging verder met het bereiden van een ingewikkelde notensalade voor mijn sombere mompelende stokoude hypochondrische meestal bedlegerige stiefvader.
Ze was hoogzwanger.
Ai ai ai.

Over de auteur

Delphine Lecompte