Gepubliceerd op: zaterdag 25 december 2021

KP11: Ida Gerhardt – Kerstnacht

 

Kerstnacht – het woord is als een lafenis,
een koele sneeuw, glanzend onder het zachte
stralen der sterren – op de landen is
het weerloos stil, een ongerept verwachten.

Kerstnacht – het eenzaam zwerven der gedachten
rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
verlangen naar het helder zingen in de nacht en
het opgaan van de ster, een lichtend teken.

Kerstnacht – het sneeuwt op uw geschonden aarde,
dun en verstuivend dekt een huivering
van ijle val, een lichte zuivering
het vragen, dat wij ongestild bewaarden.

 

‘Kerstnacht’ is een op klassieke leest geschoeid gedicht. Op het aambeeld van haar smidse smeedt Gerhardt een vormvast gedicht. Drie strofen die steeds aanvangen met een zelfde prolepsis: ‘Kerstnacht’. Een aanhef die door zijn drievoudige, geïsoleerde positie bijzondere wijding krijgt. Versregels met gelijkmatige afwisseling van het aantal lettergrepen. In strofe 1: 10x, 11x, 10x, 11x; in strofe 2: 11x, 13x, 11x, 13x; in strofe 3: 11x, 10x, 11x, 10x. Strakke en kunstig gecreëerde eindrijmen: strofe 1: gekruist rijm; strofe 2: gekruist rijm; strofe 3: omarmend rijm. De eindrijmen – afwisselend glijdend en vrouwelijk – getuigen van een meesterlijke beheersing van taal en poëtica, zoals direct al blijkt uit v1 en v3: ‘lafenis’ versus ‘landen is’ en uit v2 en v4 ‘gedachten’ versus ‘de nacht en’.

Daarbij is het taalgebruik verrijkt met woorden die wij kennen maar die door hun ordening en positionering als herboren klinken. De schoonheid van het gedicht komt ook tot uitdrukking in de rake, asyndetische vergelijkingen zoals in de eerste strofe ‘het woord (…) / een koele sneeuw’ en in de tweede strofe ‘het opgaan van de ster, een lichtend teken’. En wat te denken van het ontkennend woordgebruik ‘ongerept’ (v4), ‘nimmer’ (v6) en ‘ongestild’ (v12)? Door het voorvoegsel ‘on-‘ zorgen deze bijwoorden er mede voor dat juist deze ene nacht als een baken in de donkerte oplicht en zich van al die andere nachten onderscheidt.

Verstild, ver van rijk beladen tafels en luidruchtig feestrumoer klinken Gerhardts woorden. Als een klaagzang van een stervende zwaan, wier jongen zich -even dartel als dom- van hun moeder afkeren en stoeien naar eigen kuur en gril (vrij naar Dante in Paradiso V 81-83).

Die nacht is ‘het weerloos stil’. Zo verwonderlijk maar ook zo hulpeloos deze nacht. Een nacht die verkwikt als ‘koele sneeuw’. Liefst driemaal wordt zij aangeroepen want verstoten lijkt zij uit de fel verlichte, lawaaierige grootstad. Alleen op de stille landen en verlaten landouwen luistert nog -gedempt door val van sneeuw- ‘een ongerept verwachten’, een diepe hunkering, zoals na een lange tocht een zwerver aan een bron zijn uiteindelijke ‘lafenis’ wacht. En onder de zachte glans van hemelsterren is er als een rijzende ster een op’lichtend teken’. Nabij klinkt aanzwellend een helder lied, een serafijnse zang.

In de verte is het alsof een nog kleine drom mensen zich huiverend rondom het houtvuur schaart. Voor één moment lijkt de schoot van de aarde on’geschonden’ en ‘ongerept’ te rusten in haar zuiverend wit. Eén nacht slechts van korte ‘zuivering’, waarin de woorden van het oud verhaal als sneeuwvlokken neerdwarrelen om daarna weer in ijlte te verstuiven.

Bedoelt de dichteres dat de mens doof is voor de woorden uit ‘het oud verhaal’? Dat het verlangen naar licht niet meer wil gekoesterd worden? Meent zij dat hem rest louter een terugkeer naar een ‘geschonden aarde’? En toch, tòch is het alsof de dichteres in de laatste versregel zegt, dat diep in de mens een bijna verzonken, maar niet te stillen verlangen schuilgaat, dat hongert naar de zuivering van die ene nacht.

Nòg wordt die ene nacht herkend, maar gekend niet meer. . .

Over de auteur