Gepubliceerd op: zondag 19 december 2021

Delphine Lecompte – Mijn moeder vergeeft eerst de kindermoordenaars, dan pas mij

 

Terwijl mijn moeder in de geblokkeerde lift van een oogziekenhuis
Een sneeuwruimer op de vingers tikt omdat hij ooit een berouwvolle kindermoordenaar
Heeft aangevallen met een bronzen windhond in een mistroostig pretpark
Denk ik na over de pedofiele tuinman van mijn grootouders, en over hoe
Hij het luxueuze woord ‘kosmos’ uitsprak, alsof zijn mond vol watten en karamellen zat
Die hij moest scheiden: de karamellen links, de watten rechts (‘My Fair Lady’)
Hij wroette met een spade in de aarde en hij noemde het handvat van de spade
Kosmos, maar ook de regenworm in twee gehakt was Kosmos, en later mijn geslacht
Wanneer de pedofiele tuinman mijn geslacht of de regenworm in twee gehakt
Of het handvat van de spade Kosmos noemde dan plaagde ik hem
En deed ik alsof ik hem verkeerd begrepen had, alsof hij ons ‘Rotzooi’ had genoemd.

‘Waarom noem je ons Rotzooi? Heb je ons nog niet voldoende vernederd?
Verdienen we geen mooiere koosnaam? Kosmos bijvoorbeeld?’
Op een dag droeg ik de twee stukken regenworm naar mijn grootmoeder
En ze duwde de stukken in het potje pudding van mijn overspelige grootvader
Maar de gulzige sater slokte het dessert verstrooid naar binnen en kreeg geen krampen achteraf
Ik heb de pedofiele tuinman nooit gevraagd hoe zijn huis eruitzag,
In welke positie hij sliep, waarom hij een hekel had aan roeiers en varkens,
Waarom hij niet net als ik een hekel kon hebben aan steltlopers en kamelen,
En of hij stemvorken en siertegels en wasknijpers en kapotte broodroosters
En opgezette ijsvogels en nazihoofddeksels en grote voorraden schorseneren in room
En pluchen veelvraten uit Bulgaarse dierentuinen en zwembekers gewonnen
Door anderen verzamelde om de eenzaamheid te bezweren.

Nu ben ik eindelijk ook eenzaam
Maar ik verzamel niets, het ligt niet in mijn aard
Ik spring uit mijn bed en loop naar het Astridpark
Ik kom Patricia de ex-cipier met de protheseduim tegen
Tijdens onze sollicitatietraining werd ze bijna doodgemept door een achterlijke bakkersknecht
Maar een heroïsche toekomstige pistoolschilder kwam tussenbeide
Ik was geërgerd, het was de laatste dag van onze sollicitatietrainingsweek
En de taartjes stonden klaar, een lange tafel vol lekkernijen
Alle cursisten hadden hun steentje bijgedragen, behalve Patricia en ik
Uiteindelijk ben ik het lokaal uitgelopen en heb ik in de dichtstbijzijnde supermarkt
Een fles rum en een zak zure beertjes gekocht, het was een akelige dag.

Twee taxidermisten die ik vaag kende pleegden zelfmoord in verschillende kelders
Respectievelijk met een banale glasscherf en een sprookjesachtig stuk touw
Taxidermist nummer 1 gunde zichzelf eerst nog een kreeft en een analfabetische jongenshoer
Maar hij slaagde er niet in om te genieten van hun bedrieglijke weelderigheid
Taxidermist nummer 2 speelde eerst nog patience op zijn laptop,
Zocht de hoofdstad van Paraguay op, en de voornaam van zijn favoriete Duitse expressionist
Want die was hij domweg vergeten
En een man die in een vogelopvangcentrum werkte brak mijn neus met een badkuipklauw
Omdat ik hem geen kauwgom wilde geven, ik had er geen op zak.

Patricia zegt: ‘Werken zit er voor mij niet meer in
Ik ben verliefd geworden op mijn neef maar we houden het geheim
Ik ben ontgoocheld, constant ontgoocheld
Er was eens een bordercollie die maar niet zindelijk wilde worden
Mijn grimmige nonkel gooide hem tijdens een communiefeest in de waterput
En iedereen giechelde, nee proestte, proestte van het lachen
Ik liep weg en vond een betere familie
Nee ik moest mijn eigen boontjes doppen, zo jong
Ik voelde me pas sterk toen ik een narwal op mijn enkel liet tatoeëren
Nee toen ik een broze lankmoedige metselaar ontmoette die elke avond
Linzensoep voor me maakte en aan de lopende band scatologische grappen vertelde
Helaas wilde niemand hem een nier schenken toen hij er een nodig had
Ik ook niet, ik had teveel schrik om te sterven op de operatietafel.’

Ik luister geduldig naar de groteske jammerklachten van Patricia
En keer dan terug naar mijn huis
Ik kruip in mijn douchecel en bel mijn moeder op:
‘Mama, waarom haal je nooit meer mijn kastanjes uit het vuur?
En is het te laat om piloot of massamoordenaar te worden?
Het was slecht van je om mij geboren te laten worden, mama:
Een korzelig eczeemgedrocht met visvoeten en slierterige haren
Ik kwam Patricia tegen, alles is goed gekomen
Ze is verliefd geworden op haar neef, hij is een volstrekt onschuldige okapiverzorger
Mama, waarom heb je me wijsgemaakt dat de wereld een genadige plek was
En dat ik eender welke kooivechter, trompettist, buikspreker of gynaecoloog
Kon verleiden? Nu zit ik hier in mijn douchecel met geknakte dromen,
Altijd maar die verschrikkelijke jeuk, en een tombolajachtmes op mijn keel.’

Mijn moeder lacht en zegt: ‘Ik weet niet wie Patricia is
En ik heb nooit beweerd dat de wereld een genadige plek was
En dat je eender welke kooivechter, trompettist, buikspreker of gynaecoloog kon verleiden
Leg het mes weg en maak een Driekoningentaart soldaat, maar zet de kroon niet
Op je hoofd. Je verdient het niet om de kroon te dragen.’
‘Oké mama,’ zeg ik gedwee
Ik verlaat mijn douchecel en maak vreugdeloos een Driekoningentaart soldaat
De papieren kroon lijkt op een lama in barensnood.

Over de auteur

Delphine Lecompte