Gepubliceerd op: zondag 5 december 2021

Delphine Lecompte – Ik ben het bloed op de sleutel van Blauwbaard en ik ben de olifant die wraak neemt

 

Mijn moeder vertelt altijd verhalen over mensen die hun benen verliezen
Door overmoed of ijdelheid
Maar vandaag zwijgt ze, ze speelt met een stoffen olifant opgevuld met zand
Ik zeg: ‘Er was eens een jongen van acht die naar de zoo ging met zijn klas,
Hij gooide genadeloos een zak noothulzen, een zak paperclips, een zak wereldbolsleutelhangers
(zijn grootmoeder die werd verwekt in Finland en verkracht in Paraguay had deze landen
Weggekrast, maar nu verschijnen ze opnieuw zoals het bloed op de sleutel van Blauwbaard),
Een slagroomtaart, een buste van Horatius, een bijenkorf en een opgezette lavameeuw
Naar de grijze gerimpelde flank van de kleinste meest verlegen minst fotogenieke olifant
Twintig jaar later ging de jongen nu man nu echtgenoot van een pittige Oekraïense mandenweefster
Nu vader van een dove peuter terug naar dezelfde dierentuin, dezelfde zoo.

Hij werd herkend door de olifant die hij zo genadeloos had belaagd met noothulzen,
Paperclips, wereldbolsleutelhangers (Finland en Paraguay zinloos weggekrast en weergekeerd),
Een slagroomtaart, een buste van Horatius, een bijenkorf en een opgezette lavameeuw
De olifant sprong over de sloot als een lenige gazelle-achtige pistoolschilder
En toen stond hij briesend als Tobias en Rafaël voor de 28-jarige man…’
‘Was er geen omheining? En wie zijn die briesende Tobias en Rafaël?’
Ik negeer mijn moeder en vertel verder: ‘De 28-jarige man naast korzelige
Echtgenoot van een overspelige vrouw en onwillige vader van een priemende peuter
Ook zelfgenoegzame eigenaar van een matrassenfabriek en een carwash Kon-Tiki genaamd
Zag meteen welk vlees hij in de kuip had, nee hij herkende zijn slachtoffer niet, maar hij zag haat
In de slimme blinkende heidense onverzettelijke oninneembare olifantenoogjes, haat en toorn.

Hij keek hulpeloos opzij naar de kamelenstrontrapers die aan het uitrusten waren op hun spade
En geanimeerd praatten over carnavalsstoeten, over galblaasoperaties, over aan lager wal geraakte
Astronauten, over gammele keukenladders, over bijna stikken in een olijf
Naast het zwembad van een hartelijke Holocaustoverlevende in het Zuiden van Frankrijk
En over het vermeende pluimveedieet van de enige echte enigmatische gluiperige gnoom Napoleon
Ze sloegen geen acht op de angstige bullebak, en de pittige overspelige Oekraïense
Mandenweefster droeg haar dove peuter, uitsluitend de hare, naar een kiosk
En ze kocht een pluchen poolvos en een sticker van een Patagonische haas voor haar dove peuter
Uitsluitend de hare, iemand had haar wijsgemaakt dat poolvossen
En Patagonische hazen vaak doof worden geboren, alle witte dieren overigens
De monsterlijke piepjonge baas van carwash Kon-Tiki en van een bescheiden matrassenfabriek
Werd vertrappeld door de olifant, enkel een pokdalige gierenverzorger zonder pinken
En met zieke eilandjes van Langerhans en met een tatoeage van een griffioen op zijn onderarm
Deed een halfslachtige poging om tussenbeide te komen, maar hij kreeg een klap
Van de slurf en droop af, de zoo uit en hij werd verliefd op een anemische goudsmid
Maar dat is een ander verhaal, bloedbad platte pannenkoek, uit guit snuit!’

Mijn moeder zucht en eet verveeld een kommetje muesli
Met doffe blauwe bessen die op lome wanhopige in zonnebankcentra terechtgekomen
Strontvliegen lijken, ik wil haar een trofee overhandigen
Maar ik ben niet de juiste persoon om dat te doen, en een trofee waarvoor?
Mijn moeder zegt: ‘Jij vertelt altijd verhalen over bullebakken die door olifanten
Worden vertrappeld. Jij bent de olifant.’
‘Ja, ik ben de olifant. De olifant. De olifant. De olifant.
Maar ik ben ook de dove peuter en de pokdalige gierenverzorger.
Ik ben tevens de hypochondrische goudsmid, nee de anemische goudsmid
Die slechts terzijde wordt vernoemd in mijn verhaal.
Ik ben uiteraard de grootmoeder die werd verwekt in Finland en verkracht in Paraguay.
En ik ben altijd de nieuwsgierige fatale vrouw met de bebloede vervloekte sleutel in haar vuist.’

Aan het prikbord van mijn moeder hangen foto’s van Glenn Gould en van haar vader zaliger
Ik heb lang gedacht dat mijn moeder wellustig, spitsvondig en veerkrachtig was
Nu weet ik dat ze een wrak is en dat ze spijt heeft van de honderden maanden die ze verspilde
Rollebollend met Montenegrijnse messenslijpers en minderjarige degenslikkers
Op de daken van deprimerende arbeidsbemiddelingsbureaus, op de parkeerterreinen
Van naargeestige struisvogelkwekerijen, en in groezelige flats boven wanordelijke
Wekkerwinkels waar je met een beetje geluk pistolen en impalamaskers en cactussen
En sporthorloges en teckels en luiers en Eskimo-amuletten en boeken over tornado’s kon kopen
Arme mama.

Ik sta op en ga achter mijn zittende moeder staan
Ik omhels haar brede intimiderende schokkende schouders
Gelukkig heeft de stoel een rugleuning
Ik omhels dus vooral de stoel waarop mijn moeder zit
De harde plank maakt mijn borsten nog platter
De gigantische borsten van mijn moeder rusten op de tafel
Ik wil ze amputeren zoals in het sprookje van de rode schoentjes
Niet echt, ik kus mijn moeder op de wang en verlaat haar grote sinistere huis.

Het regent, een broze metselaar vraagt me hoe je ‘geel’ en ‘badkuip’ zegt
In het Russisch en in het Frans
Ik kan hem helpen met ‘geel’ in het Frans en ‘badkuip’ in het Russisch
Het is niet genoeg
Hij wordt kwaad en slaat me met een roestige stemvork, met een opblaasorka vol gaten
En met een dokterstas waarin meer dan vijftig dode krekels ratelen
Ik bloed en huil, de dag moet nog goed en wel beginnen.

Over de auteur

Delphine Lecompte