Gepubliceerd op: donderdag 30 december 2021

Delphine Lecompte – De melancholische woonkamers van tante Katrien en Jean Brusselmans

 

Het werk van Jean Brusselmans is pas vrij laat op mijn radar verschenen. Tijdens de stugge akelige inspiratieloze maand maart van het jaar 2021, het jaar waarin ik 43 werd en bijna mijn moeder neerstak met een tapijtschaar (de hare), betrad ik doelbewust het Groeningemuseum en daar zag ik Het grote interieur hangen, radicaal antireligieus. Gemeen, ordinair, vlak, plat, en ongewild poëtisch. En ik dacht: dit wordt mijn nieuwe totemkunstenaar: nooit sentimenteel, altijd eenzelvig. De toeschouwer wordt buitengesloten en dat is de moedigst mogelijke daad die een kunstenaar kan stellen. Het werk van Jean Brusselmans is ondraaglijk Vlaams en absoluut onverzoenlijk mistroostig, en toch is het niet dof en deprimerend. Zijn schilderijen stijgen op en de grijze kneuterigheid van le plat pays wordt Arcadia. Toen ik voor het eerst Het grote interieur zag moest ik denken aan zotte tante Katrien bij de kleine kolenkachel in haar keuken die ook de woonkamer is in het niet eens zo kleine huis in de Sporkijnstraat te Veurne. Er is geen geld om de andere ruimtes van warmte en licht te voorzien, behalve tijdens verjaardagen en communiefeesten.

Zowel tante Katrien van Veurne en Jean Brusselmans van Diepenbeek hebben kamers en lichtbronnen die ze niet met ons willen delen, en bijgevolg is het simpel en vanzelfsprekend en onvermijdelijk om deze twee zalige idioten te vereren. Tante Katrien gaf rondleidingen in het Paul Delvaux museum in Sint Idesbald toen ze nog niet schizofreen was, en soms mocht ze ook uitleg geven naast de ovens in het Bakkerijmuseum. Maar de treinen van Delvaux en zijn etherische notarisdochters tussen klassieke zuilen deden haar geen deugd. En de ovens van het bakkerijmuseum maakten haar morbide. Ze bleef thuis en werd een prachtige aanbiddelijke logge primitieve koesterende godheid. De dokters noemden haar heiligheid halsstarrig schizofrenie, en de diagnose bleef hangen.

Tijdens mijn slapeloze nachten wil ik dat zotte tante Katrien en sombere Jean Brusselmans mijn ouders zijn. Ik ben zes en ons leven is eenvoudig: brood, kaas, kat, vaas, crucifix, en een siertegel van een daguitstap naar Bremen. Mijn ouders zijn niet uitbundig, ze zijn in zichzelf gekeerd. Mijn ouders zijn heidens op devote wijze, maar niet iedereen moet het weten. Overdag denk ik niet vaak aan zotte tante Katrien en Jean Brusselmans. Overdag moet ik schipperen tussen een oude patserige protserige verontwaardigde kruisboogschutter en een tedere mislukte drankzuchtige voormalige vrachtwagenchauffeur.
Soms schrijf ik een gedicht en lees ik sprookjes: een kat steelt de kleren van een badende markies, een nijdige dwerg stampt zichzelf de vergetelheid in omdat iemand zijn dwaze naam heeft geraden en hij het koningskind niet krijgt, een wolf doopt zijn poot in bloem en kan doorgaan voor een geitenmoeder, later verdrinkt hij zoals Virginia Woolf met stenen, een meisje met een rode muts sluit een pact met een jager, twee kleermakers bedotten een fatterige keizer, een hond in een tondeldoos redt een ter dood veroordeelde soldaat maar krijgt niettemin een trap, een blond meisje steelt de pap van drie hartelijke beren en breekt hun stoelen, enzovoort…

Toch nog even terugkomen op mijn echte moeder: het was slechts in een prozatekst dat ik haar bijna neerstak met een tapijtschaar. En zelfs in de tekst was het ‘bijna’, zelfs in mijn fictie krijg ik het niet over mijn hart om haar van kant te maken. Nochtans heeft ze mij al tienmaal vermorzeld in haar verhalen, en heb ik al meer dan twintig keer zelfmoord gepleegd omdat ik haar schoonheid en talent niet kon verkroppen. Mijn moeder heeft geen scrupules, en daarom aanbid ik haar. Houden van is nog iets anders. Houden van was altijd eenvoudig op de schoot van zotte tante Katrien naast de kolenkachel in het gezellige stinkende huis in de Sporkijnstraat te Veurne. Ik hield van die straatnaam, er zat een gevaarlijke dynamiek in die naam. Een dynamiek die haaks stond op de lethargische mufheid en monotonie van de rituelen en objecten van tante Katrien. Mijn grootouders woonden in de Toeristenlaan, daar kan je je niet thuis voelen. Dan moet je wel de duinen in lopen en vriendschap sluiten met de hazen en de struiken en de Boeman van de duinen. Mijn verre exotische moeder woonde in de Mageleinstraat, wat pervers en luxueus en oriëntaals klonk. Een bordeel, een harem.

Terug naar Jean Brusselmans: Dorpstafereel, De juwelier, Lente. Lente is het ergst, het schokkendst. Ik heb eergisteren een ganse zondagmiddag op mijn stomme telefoonscherm naar Lente gestaard. Het was geen catharsis die ik ervaarde, integendeel. Ik herkende de onbevallige Vlaamse lucht, de harde zelfstandige velden, en de onoverkomelijke benepen heimwee. Ik kreeg pijnscheuten en herinnerde me de kwaadheid waarmee mijn grootvader mattentaarten at en de ziekelijke nauwgezetheid waarmee mijn grootmoeder prinsessenboontjes onthoofdde. Ik herinnerde me de Peugeot van mijn grootouders terugkerend van een orgie in een boerderij, ik gewikkeld in een deken, slaap veinzend, klaaglijk zong de wagen: ‘Kwistedai, kwistedai, kwistedai…’ Ik herinnerde me mijn grootvader op een ladder na twee flessen whisky, hij wilde een kat uit een boom redden maar hij was de enige die de kat zag en mijn grootmoeder was flauwgevallen in de keuken en had haar arm gebroken.
Wie eerst verzorgen? Toch gingen ze een maand later vredig en jubelend naar Istanbul. Zonder mij. Ik werd opgevangen door de vereenzaamde Russische gravin die tegenover ons woonde, maar ze deed vreemd koel tijdens mijn verblijf en ze weigerde om mijn kousen te stoppen en om me nieuwe woordjes Russisch bij te leren. Op de laatste dag van mijn verblijf zei ze dat ik een rare navel had.
‘Lelijk?’ Vroeg ik.
‘Ja. Lelijk.’
‘Wat is het Russische woord voor navel?’
De gravin verklapte het Russische woord voor navel, tenminste dat dacht ik, maar jaren later kwam ik erachter dat het woord dat ze me die dag had ingefluisterd niet navel maar zweep betekende. Zweep en navel liggen ver uit elkaar.

Ik herinnerde me een daguitstap met mijn grootvader: een rommelmarkt in het grimmige Duinkerke. Een zwarte man probeerde mijn grootvader een polshorloge en een pluchen schildpad aan te smeren, maar mijn grootvader deinsde achteruit en keek naar de man zoals mijn vader in de zoo naar een komodovaraan had gekeken: koud ontzag gevolgd door warme angst, enkel te remediëren met drank. In Duinkerke kreeg ik een witte beer met een groene tuinbroek en een Fischer Price locomotief waar ik te oud voor was, mijn grootvader at drie worstenbroodjes en dronk vijf pullen bier met een wrattige verlepte zigeunerachtige vrouw die zei dat ik op haar overleden nichtje leek: Cléophas.

Deze tekst zet het werk van Jean Brusselmans te weinig in de bloemetjes. Zal ik dor besluiten met zijn geboorte- en sterfdatum?
Nee.
Ik zal besluiten met het voornemen om zijn werk beter te leren kennen. Ik zal mijn telefoonscherm verbrijzelen en alle melancholische woonkamers en hartverscheurende velden van Jean Brusselmans bezoeken in de musea waar ze hangen en geen stof vergaren. Lente in het echt. Maar ook: het strand, de kannen, zijn stillevens, en zijn stille vrouw.
Jammer dat tante Katrien te ziek is om me te vergezellen.

Over de auteur

Delphine Lecompte