Gepubliceerd op: zaterdag 27 november 2021

KP10: Frederik Schmidt Degener

 

Cloaca maxima

De nacht met lantarens,
geboomte en gracht;
de bruggen, het water
dat spiegelend wacht.
Kozijntjes en hekken,
gordijntjes verlicht;
de stoep en het venster,
en ’t lokkende wicht.
’t Is zomernachtstil. –
Geen ril in het water.
Te slaap gaat de buurt.
Het uur wordt steeds later.
Een glansje poetst zacht
de deur, en er buiten
de fiets die er wacht.
De ontucht gaat sluiten.
Eén ruitje alleen
kleurt flauwtjes het duister.
De gracht heeft geen stroom.
Het naakt heeft geen luister.
De vensters, de stoep
en het spiegelend dromen
en nog weer een gracht
en nog weer een brug
en het zwartsel van bomen.

 

Frederik Schmidt Degener is in zijn tijd een gezaghebbend en invloedrijk museumdirecteur, een erudiet kunsthistoricus en -in de marge- een precieus, niet onverdienstelijk dichter. Als directeur van het Rotterdamse Boymansmuseum en later van het hoofdstedelijke Rijksmuseum is hij prominent aanwezig in de vernieuwingsgolf die zich rond de voorlaatste eeuwwende openbaart in de inrichting van museale vertrekken en de presentatiepraktijk van kunstobjecten. Musea moesten plekken worden waar het grote publiek kan genieten van esthetisch gekwalificeerde kunstwerken. Weg met de rommelige, overvol ingerichte museumzalen. Het nieuwe museale evangelie moest voortaan orde en harmonie uitstralen; daarbij hoorde óók het tentoonstellen van topstukken uit internationale musea en private collecties in een ruimere en rustgevendere opstelling. Het Rijksmuseum moest de spiegel worden van het culturele erfgoed vàn en vóór het volk.

Ook als kunsthistoricus geniet Degener -die op het Rotterdams Erasmusgymnasium opvalt door zijn literaire sensibiliteit enerzijds en zijn introverte karakter anderzijds- veel aanzien. Zijn passie gaat daarbij uit naar de grote meesters Rembrandt, Jan Steen, Frans Hals en de gebroeders Van Eyck. Zijn monografieën, essays en publicaties in vaktijdschriften, waaronder de Gids, worden in wetenschappelijke kringen geroemd om hun kennisniveau en verfijnde stijl.

Frederik Schmidt Degener (1881 – 1941)

Frederik Schmidt Degener (1881 – 1941)

Wie hem ooit als mens geportretteerd hebben -niet met penseel maar met pen- zijn Johan Huizinga en Kees Fens, beiden behorend tot het 20ste eeuwse gilde van excellente portrettekenaars. In 1941 schrijft de historicus Huizinga, als hij in het Jaarboek der Nederlandse Letterkunde een memoriam aan Degener wijdt: “… hij was, ook in zijn verschijning, niet iemand dien men gauw zal vergeten: zijn eigenaardige kop met het sterk gewelfde voorhoofd onder het donkere haar, zijn levendige, sprekende oogen, zijn manier van glimlachen, van spreken, van gesticuleeren, – het waren alle elementen die, afzonderlijk en tezamen een type vormden, dat indruk maken moest, ook ondanks het feit, dat de drager ervan eer schuw en terughoudend dan opzichtig en opdringend was.”
Fens typeert Degener in de Volkskrant van 24 februari 2001 als “een zeer verzorgde man, met donker haar, zware donkere wenkbrauwen en een donkere snor. Een strenge man lijkt hij mij, een gezagdrager; hij staart voor zich uit, in welgevormde gedachten. Maar de ogen achter de brillenglazen lijken even te twinkelen. Rond de zware gedachten bewegen zich lichte binnendenksels, waaraan hij een licht plezier beleeft.”
Uit beide beschrijvingen blijkt dat Schmidt Degener een heer van distinctie moet zijn geweest, een man van statuur. Erudiet en toch bescheiden. Een mysterie ook. Nooit helemaal te doorgronden. Altijd op de achtergrond, nooit uit zich zelf uit de schaduw tredend. Zo ook zijn dichterschap. Hij verspreidde zijn poëzie bij voorkeur louter onder kennissen en als hij dan toch dichtwerk publiceerde, het liefst onder een pseudoniem. Vooral Degeners omvangrijke versdrama De Poort van Ishtar (1937) wordt door kenners geprezen.

Maar nu het gedicht. De titel verwijst in letterlijke zin naar één van de oudste in de Tiber uitmondende riolen van Rome. Een kanaal dat in de voorchristelijke tijd onder Traquinius Priscus wordt aangelegd en -aanvankelijk in de open lucht en later ondergronds– Romeinse fecaliën afvoert. Een titel die niet veel moois lijkt te beloven. Toch ademt het 25 versregels tellende gedicht vanaf de eerste versregel een gans andere sfeer uit dan de titel doet vermoeden.
Cloaca heeft nog een andere betekenis behalve riool. Uit de medische wetenschap is bekend dat de mens in zijn embryonale ontwikkelingsfase beschikt over een zogenaamde meerwaardige cloaca. Vanuit deze in kiem aanwezige opening of uitgang ontwikkelen zich urogenitale en rectale uitgangen. Het darmen- en nierstelsel kunnen beschouwd worden als afvoerkanalen van het menselijk lichaam. Tegelijkertijd wordt tussen de faeces- en urine-cloaca nieuw leven geboren. Degener besefte maar al te goed waar de mens vandaan kwam; dàt alleen al maakte hem wars van hoogmoed.

In dit gedicht met een opvallend sterke vorm- en syllabengebondenheid doen schets en sfeer denken aan een genretafereel: een in slaap sukkelend, midzomers stadje of stadskwartier bij nacht. Levenloze rijtjeshuizen keurig achter hek en haag. Donkere bomen roerloos in het maanlicht. Op bruggetjes en in steegjes geen enkel teken van leven. Zelfs het zwarte grachtwater -met her en der flauwe schijnsels van lantarens en lichtjes achter kleine raampjes- is stroomloos. Het frequent gebruik van herhalingen en verkleinwoorden draagt bij aan een serene stilte die lieflijk en onschuldig oogt.
Maar genretaferelen verhullen niet zelden een dubbele bodem. En in dit gedicht zijn het de saters die nooit slapen. Zij wagen zich op dit late uur buiten waar zij vanuit duistere portalen en portieken speuren naar een verlicht kozijn, bronstig loerend op een gewillig prooi, een lokkend wicht, dat hier een negatieve lading heeft: een onnozele deerne die nog net voor sluitingstijd een sater in het nachtelijk deemster probeert te lokken. Want ‘de ontucht gaat [zo] sluiten’.

De dichter voert de lezer bijna ongemerkt met korte, onschuldig lijkende frasen mee naar de ontucht achter gesloten deuren. Die ontucht werpt daarmee een smet op het vredige leven van braaf-keurige burgers. De samenleving heeft echter niet alleen, net als de mens, zijn noodzakelijke cloaca’s voor excrementen nodig, maar ook cloaca’s voor noodzakelijke afvoer en opvang van ejaculaties. En tegen die achtergrond krijgen de eerder aangehaalde woorden van Kees Fens “Rond de zware gedachten bewegen zich lichte binnendenksels, waaraan hij een licht plezier beleeft.” een betekenisvolle, naar ironie neigende inslag.

Over de auteur