Gepubliceerd op: zondag 21 november 2021

Delphine Lecompte – Zee, seks en gemummificeerde boktorren

 

Op het strand word ik verleid door een necrofiele tegellegger
Ik laat me loom en gewillig verleiden
De zon en de geamputeerde zeesterren zijn prachtig
En ik ben verliefd op de rode bermuda’s van de gemene gekwelde duistere mollige peuters
Ik ben verliefd op de kleur rood, maar ook op de rare sponzen stof
Van hun broekjes, en op hun engelachtige plompheid die ze morgen zullen verliezen
De necrofiele tegellegger eet een wafel en spreekt daarna lamlendig en langdradig
Over de kooi van Faraday en over schorpioenvliegen die in staat zijn tot groepsverkrachtingen
Ik neem een handvol zand en denk aan mijn grootvader zaliger
Die eens in een boom klom om iets te bewijzen aan een blasfemische horlogemaker.

Maar ik ben vergeten wat hij wilde bewijzen, wijlen mijn grootmoeder
Jammerde schel en beschonken aan de basis van de boom met een Spaanstalig boek
Over slokdarmafwijkingen in haar handen en de horlogemaker zei tegen mij:
‘Ik kan je wurgen, ik kan je vergiftigen, ik kan je vierendelen, ik kan je verkopen
Aan een sadistische zadelmaker. Staar niet zo naar mijn harige buik!’
Ik bloosde, betrapt
Het was een indrukwekkende buik
Niet enkel de beharing was indrukwekkend, maar ook de omvang
En het narcistische vertoon, de trotse naaktheid, het vulgaire uitpuilen
Een week later betrad ik op een nacht de logeerkamer en toen heb ik gebeten in die buik
Maar mijn melktanden kregen geen grip op de bolle vorm en gladde textuur
En ontgoocheld droop ik af.

De necrofiele tegellegger neemt mijn hand
Hij zegt: ‘Je hand lijkt als twee druppels water op een doodgeboren honingdas.
Mag ik je in brand steken?’
‘Nee.’
We verlaten het strand en lopen naar het huis van de necrofiele tegellegger
Hij woont in de straat waar ik als veertienjarige mijn eerste en enige haiku heb geschreven
Mijn moeder moedigde me aan om een tweede en een derde en een vierde haiku
Te schrijven, maar puberaal tegendraads weigerde ik
En ze hield erover op en werd verliefd op een Roemeense gynaecoloog
Nu zitten we in de witte keuken, de necrofiele tegellegger eet wilde aardbeien
En ik drink een glas karnemelk, er staat een drakengezin op het glas:
Vader, moeder, drie kinderen, en een maraboe als huisdier.

De necrofiele tegellegger streelt mijn knie
Hij zegt vanuit het niets: ‘Mijn vader was ziekelijk,
Hij stal dwangmatig profetische teckels en marsepeinen trombones.
Mijn moeder was pinnig en zwijgzaam, ze noemde me Wasbeer Drek
En maakte me soms wakker ’s nachts om me af te ranselen
Met hakken, kleedjes en kostuumjuwelen uit haar glorietijd.
Voor mijn geboorte scheerde ze hoge toppen als de minnares van een gewichtige
Touwslager, ik heb geen broers of zussen.’
De necrofiele tegellegger penetreert me in de badkamer, een pissebed spartelt
Op de weegschaal, hij ligt op zijn rug.

Na de penetratie weegt de necrofiele tegellegger zichzelf
Hij vermorzelt de pissebed met zijn hiel
‘Driehonderd gram lichter dan gisteren, ha!
Kom mee naar mijn slaapkamer, ik wil je mijn verzameling
Gemummificeerde boktorren tonen. Je zal naar adem happen.’
Ik hap niet naar adem
De slaapkamer is donker en ik heb plots zin om zonder pottenkijkers
Een gezinszak pickleschips en twee liters sangria naar binnen te werken
En te kotsen in mijn douchecel en de zelfmoordlijn op te bellen
En de zelfmoordlijnmedewerker te behandelen als hypocriet uitschot.

Ik vraag aan de necrofiele tegellegger of ik naar huis mag gaan
‘Ja, maar eerst wil ik je hand nog eens bestuderen.’
Hij neemt mijn hand in de zijne en bestudeert haar
Hij zegt: ‘Je hand lijkt nog steeds als twee druppels water
Op een doodgeboren honingdas, het is schokkend en ontroerend.’
Ik verlaat het huis van de necrofiele tegellegger en kijk naar het voetpad
Ik hoop een hele reeks gekantelde insecten tegen te komen
Die ik dan kan redden, maar ik zie slechts een zieltogende kraanmachinist
Op het voetpad liggen en voor hem kan ik niets betekenen.

Thuis maak ik een familiezak pickleschips soldaat
En daarna drink ik twee liters sangria, zoals gepland
Ik kots in mijn douchecel en bel de zelfmoordlijn op
Ik zeg: ‘Ik ga me ophangen, Wasbeer Drek, maar jij bent
Uitsluitend geïnteresseerd in de vorm en de kleur van mijn tepels, hypocriete bastaard!’
Ik verbreek de verbinding en denk aan het drakengezin op het glas
In de witte keuken van de necrofiele tegellegger
De maraboe als huisdier was een verrassende toets.

Ik kruip uit mijn douchecel en schrijf eindelijk mijn tweede haiku
En een derde en een vierde, daarna probeer ik
Mijn hand die als twee druppels water op een doodgeboren honingdas lijkt
Te amputeren met een figuurzaag uit het gekkenhuis van Knokke
Maar het is te lastig en ik ben te dronken
Ik val in slaap en droom dat ik een flemerige kooivechter vermoord
Met confetti en geraspte wortelen.

Over de auteur

Delphine Lecompte