Gepubliceerd op: zaterdag 23 oktober 2021

KP9: Hugo Claus

 

Las Hurdes

Wij kennen geen brood en geen vlees
Wij slapen op bladeren die mest worden voor ons stenen land

Onze huizen hebben geen ramen
En in ons dorp zijn 14 dwergen en 30 idioten

Het regent en onze dijken zijn niet dicht
Het regent niet Wij bidden en onze aarde blijft droog
Als onze huid
Als onze keel die zwelt en barst

Wie onze vader is is onze minnaar
En onze moeders sterven vroeg

Schaamte is ons deel
Schande ons voedsel
Onkruid staat in ons gezicht geplant

Wij kijken in uw camera Wij zijn tastbaar
En gelijk aan u die zegt: “Zij zijn Las Hurdes”.

 

Begin jaren ’50 van de vorige eeuw schrijft de in Brugge geboren Hugo Maurice Julien Claus -hij is dan begin twintig- zijn bundel Tancredo Infrasonic. In deze bundel is ook het hierboven weergegeven vers Las Hurdes opgenomen. Een rebelse Claus hekelt daarin -onder de huid van het gedicht- het wegkijken van de in zijn ogen bedorven instituties Kerk en Staat. Hij uit erin zijn opstandige houding en niet aflatende minachting voor de vigerende, maatschappelijke ordening. In dit vroege gedicht is tevens een motief zichtbaar dat in Claus’ bijna oneindige reeks publicaties met regelmaat de kop opsteekt: incest of bloedschande.

Claus schrijft het gedicht na het zien van een in 1932 door de Franse, marxistisch georiënteerde cineast Luis Bruñuel (1900 -1983) gemaakte documentaire Terre sans pain. Een korte, aanvankelijk stomme film over de schrijnende armoede op het Spaanse platteland van enkele jaren ná de Rifoorlog (1920 – 1926) en enkele jaren vóór de Spaanse burgeroorlog (1936 – 1939). De film schetst de miserabele leefomstandigheden van een kleine gemeenschap in het dorp Casares de las Hurdes, gelegen in de zuidwestelijke Spaanse regio Extremadura schurend aan de Portugese grens. De beelden wekken bij het publiek -met name onder communisten- veel woede op omdat het laat zien wat de uitwassen zijn van het door hen verfoeide kapitalisme.

Visualiseert de film met beelden en later met ingesproken tekst de erbarmelijke wederwaardigheden van de Hurdes, Claus doet dat met woorden. Hij beschrijft de lotgevallen van deze achtergebleven, aan haar lot overgelaten dorpsgemeenschap. Een leven dat zich kenmerkt door uitzichtloosheid, ledigheid en moreel verval. Het gedicht is een getuigenis van de degeneratie van de mens die schril en wrang afsteekt tegen de zelfingenomenheid van de heersende klassen.

Het gedicht begint in media res. Geen inleiding of omhaal maar direct een confrontatie met de naakte werkelijkheid. U, lezer, mag weten wie wij zijn. De veelvuldig gebruikte stijlfiguur parallellisme accentueert hun diepellendige omstandigheden. Hier lijkt sprake te zijn van een variant op Mattheus 8:20: “De vossen hebben hun holen, de vogels hun nesten maar deze mensenkinderen hebben nog geen steen om hun hoofd te laten rusten. De eerste versregel ‘wij kennen geen brood en geen vlees’ verwijst naar de steenakkers waarop niets groeit en naar de door hitte verdorde, kale graslanden.

De tweede strofe, opnieuw een distichon, is veelzeggend. In v3 lezen we: ‘Onze huizen hebben geen ramen’. Het is er waarschijnlijk altijd donker, eerder nog duister. Deze versregels moeten we dan ook vooral overdrachtelijk interpreteren. We zien niet wat er in die menselijke stinkholen passeert; wel de uiteindelijke gevolgen: ’14 dwergen en 30 idioten’. In de vierde strofe legt Claus uit wat hij daarmee bedoelt: inteelt en ontaarding, want ‘Wie onze vader is is onze minnaar / En onze moeders sterven vroeg’. Vaders verkrachten hun dochters en zij baren hun kinderen; moeders sterven jong omdat ze nog kind zijn. En kinderlichamen zijn niet gemaakt om te baren. En zij die geboren worden, lopen steeds meer kans op afwijkingen en vervormingen.

In de derde strofe – dit keer een kwatrijn – hanteert de dichter opnieuw parallellistisch taalgebruik waardoor het vers kenmerken krijgt van Bijbelse poëzie. In het Oude Testament wordt in onder meer Spreuken, de klaagzangen en het Hooglied veelvuldig gebruik gemaakt van parallellisme. Het is een verheven stijl die Claus in zijn gedicht vermoedelijk ironisch hanteert. Uit deze strofe blijkt dat ook de natuur het dorp vijandig is gezind. Er is òf langdurige droogte òf hevige wateroverlast. Zelfs God lijkt zich van de Hurdes te hebben afgewend want zeggen zij in v6 niet: ‘Wij bidden en onze aarde blijft droog’.

De vijfde strofe, een terzet, laat zien dat de dorpsbewoners weten dat zij bedorven zijn. Expliciet staat dat in v13: ‘Onkruid staat in ons gezicht geplant’. Toch voelen zij schaamte. Hun menselijke waardigheid is nog niet geheel verstikt. Met de versregel ‘Schande [ is ] ons voedsel’ bedoelt Claus de hoon en minachting -hun dagelijks voedsel- waarmee Las Hurdes bejegend worden.

De laatste strofe is een bevestiging van de rebellie die Claus in de voorlaatste strofe al min of meer ten toon spreidt. De onderliggende teneur van deze versregels is enerzijds een expliciete aanklacht tegen de heersende klasse ten opzichte van dit achtergebleven gebied en zijn vergeten bewoners. Claus beschouwt hen als: de vreemden, de verdoolden, de nooit gelanden, de ontwrichten. Kortom, als verstotenen, voor wie hij opkomt en met wie hij zich verbonden voelt. Woorden die hij eerder schreef in een gedicht als hommage aan óók een verworpeling, de naar un asile de fous verstoten, Franse dichter Antonin Artaud (1896 – 1948).

Anderzijds blijkt uit de slotregel -ondanks het besef van diepe schaamte en hun dagelijkse schimp en smaad- dat hun menselijke waardigheid nog niet geheel is gedoofd als zij de ogen niet als honden neerslaan maar deze fier richten op de camera en zeggen tegen ons: ‘Wij kijken in uw camera Wij zijn tastbaar / En gelijk aan u die zegt: “Zij zijn las Hurdes”.’

Een weerspannig, fraai geconstrueerd gedicht met een thema dat nog niets aan actualiteit verloren heeft.

Lees meer over Hugo Claus en engagement in het proefschrift van Sarah Beeks alsof het woord geen actie is

Over de auteur