Gepubliceerd op: maandag 11 oktober 2021

EI 287: Frans Kuipers – zonder titel

 

Blauw is het witte paard
waarop men naar hier kwam gevlogen.

Dubbeldroef en blijblinkend de ogen
waarin Al zich komt baden.

De wolk is mijn rots, zoveel is zeker,
de taal mijn materiaal,
mijn voornaamste onderwerp de verklinkklaring
en vermedeklinkklaring van mijn Dagelijkse Droom.

 

Tot zover vanmorgen, toen preekte de merel
en kwam de rivier in trilzilverornaat voorbij.

Nu preekt de stilte
van de sterrenzee achter de patrijspoortjes
en moet men eerlijk bekennen

Ik, wormenwoord, ben, klemwoord,
de getuige die niet kan verklaren,
zo begint en zo eindigt het verhaal van mijn leven
en zo begint en zo eindigt mijn gedicht vandaag.

 

Als aan het begin van een gedicht een wit paard komt aangevlogen, zou er zomaar sprake kunnen zijn van Pegasus, het mythologische, gevleugelde paard van de dichters. Dat het witte paard hier blauw genoemd wordt, is opmerkelijk, want is het paard dan zowel wit als blauw, of gaat het hier niet zozeer om kleuren, maar meer om de symboliek? Wit is de kleur van de onschuld, misschien ook van het begin dat nog blanco is. Blauw kan verwijzen naar ‘blue’, droevig. Er is ook een associatie mogelijk met der Blaue Reiter, die staat voor een mysterieuze boodschapper, al gaat het dan om de ruiter zelf die blauw is. Met ‘hier’ kan een plek bedoeld worden waar de ik in het gedicht zich bevindt, maar dat kan ook goed het gedicht zelf zijn.

In de tweede strofe klinkt een echo van het blauwe, witte paard: het witte paard is schitterend en past bij ‘blijblinkend’, het blauwe bij ‘dubbeldroef’. Van wie de ogen zijn, is niet helemaal duidelijk: van het paard, van ‘men’, of van de ik? ‘Al’ betekent alles en lijkt hier gepersonifieerd. Ogen zijn de toeschouwers, de getuigen van alles. Ook bij de dichter komt alles binnen.

In de derde strofe beschrijft de ik zijn materiaal. De wolk past mooi bij de lucht waarin het paard kwam aangevlogen en is voor de ik ‘mijn rots’. Een rots biedt houvast, verwijst wellicht ook nog naar de mythologische berg Olympus, waar inspiratie gehaald kan worden. Wolken drijven over, veranderen van vorm, hangen boven in de lucht en hebben mooi overzicht. De taal is het materiaal waarmee de dichter werkt en daarmee zet hij zijn Dagelijkse Droom om in klinkers en medeklinkers. Door de hoofdletters krijgen in elk geval de medeklinkers hier extra nadruk, maar ook het begrip zelf. De woorden ‘verklinkklaring’ en ‘vermedeklinkklaring’ zijn door de dichter verzonnen, het eerste doet denken aan ‘klinkklare’ dat ‘pure’ of ‘zuivere’ betekent, maar vaak gebruikt wordt in combinatie met ‘onzin’, waardoor de regel ook iets ironisch krijgt.

Tussen het eerste deel van het gedicht en het tweede deel zitten wat meer witregels dan tussen de verschillende strofen. Aan het begin van het tweede deel wordt een pas op de plaats gemaakt: ‘Tot zover vanmorgen.’ Kennelijk beschrijft het eerste deel de ochtend. Er volgt nog een korte samenvatting: ‘toen preekte de merel / en kwam de rivier in trilzilverornaat voorbij.’ Als je die samenvatting naast het eerste deel legt, kun je je afvragen of het inderdaad het eerste deel is dat hier wordt samengevat. Toch worden in het eerste deel wel de inspiratiebron en het materiaal van de dichter genoemd. De stroom van mogelijkheden kan als een rivier worden voorgesteld. Het ‘trilzilverornaat’ van de rivier past ook bij het blijblinkende oog waarin Al komt baden. Is de dichter net als de merel aan het kwinkeleren?

In de vijfde strofe gaat het over nu, in tegenstelling tot de ochtend. Waar de ochtend vol beloftes was, is het nu de stilte die preekt. De ‘rivier in trilzilverornaat’ is nu een stille ‘sterrenzee achter de patrijspoortjes’ geworden. Net als in de tweede regel van het gedicht komt ook hier een ‘men’ voor, alsof de ik wat afstand neemt van zichzelf en de hele situatie.

In de slotstrofe volgt een bekentenis: ‘Ik, wormwoord, ben’. De ik bekent zijn eigen existentie en noemt zichzelf ‘wormwoord’. Waar in het eerste deel de merel preekte, de ik nog zijn Dagelijkse Droom in letters wilde vangen, is de ik nu een wormwoord geworden, eerder de prooi van de merel. De worm kruipt, het liefst onder de aarde, en vormt daarin een tegenstelling met het schitterende witte paard dat aan het begin kwam aanvliegen en de wolken uit de derde strofe. Komt nu de ware aard van de ik boven?

Een ‘klemwoord’ is een krachtig woord, een woord dat met klem gesproken wordt. Wat er overblijft, is dat de ik er is, bestaat. Meer is er niet. Alles komt binnen bij de ik, maar de ik is een getuige die niet kan verklaren, misschien ook niet meer verklinkklaren en vermedeklinkklaren. Zo is het begin en einde van het leven, zo begint en eindigt ook het gedicht: eerst vol schitterende beloften om daarna zonder verklaring te eindigen onder de grond, als worm, al dan niet gevat in woorden.

 

Frans Kuipers De lach van de sfinx

 

Frans Kuipers

de Lach van de Sfinx

Uitgeverij Atlas Contact

ISBN 9789025470579

 

 

Over de auteur

Dietske Geerlings

- schrijft behalve poëzie, verhalen en romans ook essays over het werk van andere auteurs. Daarnaast is zij docent Nederlands op een middelbare school in Zutphen.