Gepubliceerd op: donderdag 7 oktober 2021

Delphine Lecompte – Tanden

 

Iedereen worstelt met zijn tanden. Of ik ben toch alleszins opgevoed door mensen die geobsedeerd waren door hun gebit. Mijn grootmoeder had een vals gebit (een tandprothese) dat ze liet rondslingeren als een attribuut in een spookhuis of in een stomme film. Slapstick. Mijn nichtje Alexandra en ik, we speelden soms poppenkast met de tandprothese van mijn grootmoeder. De tandprothese was uiteraard de boeman, de wolf, de duivel. Mijn forse charismatische driftige vraatzuchtige saterachtige grootvader had een prachtig gebit: grote witte tanden waarmee hij zonder gêne biefstukken en wulpse garnalenpelsters verslond. Ik zag hem nooit zijn tanden poetsen, maar hij deed altijd erg geheimzinnig en angstvallig over zijn badkamerrituelen. Wanneer hij de badkamer betrad moest iedereen het huis verlaten.

Eerst had ik melktanden. Dat was zalig. Vanaf ze ook maar een beetje los stonden bond ik een koord aan de bewuste tand en het andere eind van het koord bond ik aan de tak van een boom. Of aan een deurklink.
Toen de plataan in de tuin van De Panne eens vol melktanden hing en mijn moeder op bezoek kwam zei ze spottend en alwetend: ‘Strange Fruit…’ Ik wist niet wat ze bedoelde en rukte kwaad alle tanden van de takken. Mijn beste vriend Benedict bewaarde zijn uitgevallen melktanden in de plastieken schatkist van zijn wijze berustende prehistorische vreemd sierlijke gemarmerde waterschildpad. Maar ik ben nooit een bewaarder of een verzamelaar geweest. Ik probeerde mijn melktanden te verkopen aan de racistische fietsenmaker en aan de visboer van het Sloepenplein (die volgens mijn moeder als twee druppels water op Clint Eastwood leek), maar ze waren niet geïnteresseerd. Ze waren even verbijsterd toen ik de tanden in mijn handpalm tevoorschijn toverde, en lachten mij daarna hartelijk uit.
Net voor mijn Plechtige Communie (Heilig Vormsel) verloor ik mijn laatste melktand. Zonder ceremonie haalde ik hem uit mijn mond en wierp hem in de tuin van de jonge strenge lesbische buurvrouw die boeken schreef over gifplanten en kalkoenen. Dit was in Gent, ik woonde ondertussen bij mijn moeder en mijn sombere mompelende stiefvader. Enkele minuten later kreeg ik een openbaring: ik was op de wereld gezet om hoer te worden! Maar toen ik de volgende dag door Het Glazen Straatje liep joegen de kwade cassante bittere scherpe scheve verlepte hoeren me weg.

Echte definitieve tanden krijgen was een grote straf. Een kwelling. Mijn tanden voelden aan als vreemde voorwerpen. Ze namen teveel plaats in en ik was bang dat ze ’s nachts tijdens mijn slaap in mijn longen zouden terechtkomen. Dus probeerde ik wakker te blijven, maar hoezeer ik me ook voornam wakker te blijven altijd viel ik op een bepaald moment toch in slaap.
Ik snoepte graag en kreeg pijn aan mijn tanden: gaatjes, ook wel cariës genaamd. Ik moest met mijn moeder naar het beruchte sadistische tandartsenkoppel van de Citadellaan. De vrouwelijke arts was gemener dan de mannelijke arts: de vrouw genoot zichtbaar van mijn angst. Ik was hardleers en bleef snoepen, en dus werd het tandartsbezoek een wekelijks ritueel. Een steeds terugkerende nachtmerrie. De verdoving vond ik het ergst, omdat het een voorproevertje was van de dood. Al zal ik dat als kind (puber ondertussen) niet zo geformuleerd hebben. Van de boor leerde ik houden, vooral van het geluid: vriendelijke insecten op een half opgegeten confituurtaartje. Maar het tandartsenkoppel bleef ik wreed en degoutant en onbegrijpelijk vinden. Wie kiest nu voor zo’n beroep? Dan kan je beter meteen kinderen en andere sukkelaars ontvoeren, gegijzeld houden, en folteren. Zonder hypocriete dekmantel van fatsoen en medische handelingen. Er hingen foto’s van hun perfecte kinderen in de behandelmaker: twee meisjes met blonde vlechten. Dikke gezonde glanzende agressieve beestachtige vlechten. Hun mond was gesloten. En toch wist ik zeker dat ze een smetteloos ongeëvenaard oogverblindend oersterk gebit hadden. Ze waren reeds twintigers toen ik kind was. De oudste zou sterven door een blikseminslag in Cambodja of China. De jongste zou potten breken (of hoge ogen gooien) in het onderzoek naar epilepsie bij varkens. En dus ook bij mensen.

Uiteindelijk besloot ik om toch een beetje minder te snoepen, maar mijn tanden bleven een zware last om te dragen. Ik moest mijn uiterste best doen om geen hamer te nemen en ze uit mijn mond te kloppen. Maar dan zou mijn moeder me zenden naar een gesticht, zoals haar ouders gedaan hadden met de zus van mijn grootmoeder: Jacqueline, ook wel Tante Tikkie genaamd (naar ‘van lotje getikt zijn’, een bijnaam die mijn moeder had verzonnen). Mijn moeder was wreed, veel wreder dan de vrouwelijke tandarts. Maar ze was ook geestig en genereus, en dus bedekte iedereen haar wreedheden met de mantel der liefde. Iedereen behalve mijn nichtje Alexandra die mijn moeder vaak schopte en beet en die mijn moeder eens ‘ezelin’ noemde tijdens een strandwandeling waarna ze werd achtergelaten en verdwaalde, en de politie moest naar haar op zoek gaan en ze vonden haar pas om 11u ’s avonds, verkleumd in een bushokje in Koksijde.
Toen ik achttien was begon ik stomweg te skeeleren (een rage toen) en ik viel vrijwel meteen op mijn twee voorste tanden. Ze werden ontzenuwd en ze kregen een grauwe rotte onaantrekkelijke kleur. De tanden van een landloper. Wat kon het me schelen? Ik was toch al lelijk, met of zonder landlopertanden. En toch liet ik die twee voorste tanden uiteindelijk trekken en ik kocht enorm dure implantaten. Ik was veertig en een gevierde dichter (ha ha), het kon er vanaf.

Ik haat nog steeds mijn tanden. Ik kijk nog elke dag vol verlangen en met snel kloppend hart naar de hamer van de oude kruisboogschutter. Maar dan denk ik aan Chet Baker. Mijn vader vertelde me lang geleden een verhaal over die arme gekwelde drugverslaafde Chet Baker die zijn schulden niet kon betalen en een gangster brak zijn gebit zodat hij geen trompet meer zou kunnen spelen.
De gedachte aan Chet Baker houdt me tegen.

Over de auteur

Delphine Lecompte