Gepubliceerd op: donderdag 14 oktober 2021

Delphine Lecompte – Sleutels

 

Mijn grootmoeder had twee soorten sleutels: de sleutels van haar sleutelbos waar ze ’s avonds dwangmatig alle kamers mee afsloot; en de sleutels van kasten, deuren, en huizen die niet meer bestonden. Die laatste soort sleutels zaten in een hoge zwarte doos met een triomfantelijke pauw geschilderd op de voorkant. Ik hield van beide soorten sleutels, maar ik hield niet van mijn grootmoeder wanneer ze zich gedroeg als schichtige neurotische ernstige zwaar bedroefde cipier. Sleutels waren vroeger veel mooier dan nu: kloek, glanzend, krullerig, frivool, plakkerig, pervers, omineus, dubbelzinnig. Elk interessant sprookje bevatte een sleutel, en er waren honderden gezegden en spreuken waarin sleutels voorkwamen. En ook in rondedansen en poortspelen, en rijmpjes en kinderliedjes zwaaide de sleutel de plak. ‘Witte zwanen, zwarte zwanen/ Wie gaat er mee naar Engeland varen?/ Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken…’

De art nouveau kleerkast van mijn grootouders had een prachtige sleutel die ik eens twee dagen rond mijn nek heb gedragen, tot mijn grootvader tijdens een copieuze broodmaaltijd met Turks brood en Franse schimmelkazen de sleutel in het oog kreeg, bijna stikte, zichzelf het Heimlich maneuver toediende met zijn lompe eikenhouten troon aan het hoofd van de tafel, mij een pandoering gaf en me naar mijn slaapkamer stuurde zonder sleutel en zonder Turks brood.
De enige lelijke sleutel in het huis van mijn grootouders in De Panne was de sleutel van de strandcabine. Maar dat gaf niet, integendeel: die lelijke ordinaire sleutel paste bij de kale primitieve hut waar ik eigenlijk niet graag vertoefde. De strandcabine associeerde ik met de zomer, en de zomer was van de toeristen. En van de woeste verwilderde baldadige wetteloze neefjes uit Leuven die me treiterden en op me pisten en knepen in mijn billen en die knipten in de oren van mijn liefelijke heilige kwijlende clowneske boxerhond Fredo.

Op een dag vond ik op straat een sleutel van een hotelkamer. Ik was enorm opgewonden door de vondst.
Ik toonde de sleutel aan mijn nichtje Alexandra en ik zei dat er een moord gebeurd was in de hotelkamer, en dat wij op zoek moesten gaan naar de moordenaar. Mijn plan om de moordenaar op te sporen was eenvoudig: we zouden aanbellen bij elk huis in De Panne, de sleutel tonen, en de moordenaar zou zichzelf verraden door ontzet achteruit te deinzen of flauw te vallen. Mijn nichtje lachte en zei: ‘Moordenaars vallen niet flauw.’ Ze had gelijk. We belden overal aan maar alle mensen reageerden gelijkaardig: kalm, vriendelijk, geamuseerd, betuttelend, plagerig, stoïcijns. Ook de moordenaar.
Zo geraakten we nergens. Ik liet de moordzaak los en borg de sleutel op in mijn doos met tropische vissen op het deksel en met als voornaamste inhoud de kaarten en brieven van mijn verre exotische moeder, maar ook met kroonkurken en condooms die ik had gevonden in een bunker en waarvan ik dacht dat het de kroonkurken en de condooms van een verzetsheld waren. Twee dagen later was de sleutel verdwenen, maar toen ik ’s avonds mijn grootvader welterusten ging zeggen in zijn schrijfkamer zag ik de sleutel liggen naast een Balinese afgod met slagtanden en demonische vleugels en platte voeten zoals die van de veelgeplaagde ezeldrijver. Mijn grootvader was de moordenaar! Echt verwonderd was ik niet. Ik wist hoe driftig en gepassioneerd hij was, en hoe stevig hij dronk. En ik wist dat hij veel minnaressen had, en de meesten waren getrouwd. Bovendien verzette hij zich tegen de crue kapitalistische bebouwing van de duinen, wat hem rijke machtige huiveringwekkende vijanden had opgeleverd. Met andere woorden: mijn grootvader had een moord gepleegd in een hotelkamer, maar het was hoogstwaarschijnlijk zelfverdediging geweest.

Mijn grootmoeder ondertussen bleef iedereen maar opsluiten, insluiten, en buitensluiten met haar steeds weelderigere dreigendere roestigere sleutelbos. Ze deed het nu ook overdag. Het was ziekelijk, beweerde mijn moeder aan de telefoon. En als het nog verder escaleerde dan zou mijn grootmoeder net als haar zus in een gesticht terechtkomen. Vreselijk! Ik wilde dit koste wat kost verhinderen, en dus vond ik er niets beter op dan het huis in De Panne in brand te steken. Maar ik had toen nog niet veel ervaring als pyromaan, en ik ging grandioos de mist in met mijn miezerige kranten en deerniswekkende luciferstokjes.
En nu? Sleutels?
Ik mis sleutels.
Sleutels zijn nu vaak zielloze kaarten of badges. En als er nog sleutels worden gemaakt dan zijn het platte liefdeloze uniforme grijze nuttige gebruiksvoorwerpen. Gelukkig zijn er nog de spreuken en de kinderliedjes. ‘Witte zwanen, zwarte zwanen/ Wie gaat er mee naar Engeland varen?/ Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken…’

Over de auteur

Delphine Lecompte