Gepubliceerd op: donderdag 21 oktober 2021

Delphine Lecompte – Ik heb geen spijt

 

Toen ik vijftien was wilde ik constant de liefde bedrijven, zeg maar: neuken. Maar ik was te lelijk en te verlegen om op zoek te gaan naar seks met leeftijdsgenoten, en dus nam ik mijn toevlucht tot de Pakistaanse en Nigeriaanse mannen die gebatikte blouses, valse poncho’s, en monsterlijke T-shirts van Metallica en huilende wolven en kwade wanstaltige puisterige echtgenotes met deegrollen verkochten in kleine donkere winkeltjes aan de achterkant van de dijk. Na verloop van tijd had ik drie vaste sekspartners.

Van een van hen kende ik de naam: Bulu. Ik had niet gevraagd om die naam, maar hij wilde perse dat ik zijn naam zou kennen. Bulu was de beste minnaar van de drie, maar een onverdraaglijke zaag en flauwe plezante eens we het bed in de kelder hadden verlaten. Bulu was de enige die me niet onder druk zette om maskers en boeien te dragen en om te neuken met nog andere personen erbij. Soms gaf hij me een vriendelijk bedoelde opmerking over mijn oorschelpen, hij had iets met oren. Hij vroeg vaak of ik de zijne oké vond. Ik vond zijn oren oké, maar eigenlijk konden zijn oren me gestolen worden. Oren zijn nooit heel belangrijk geweest in mijn leven.
Bulu sabbelde graag op rabarberstengels, overal in zijn winkel lagen vieze week geworden stompjes, en hij gaf me altijd een bundel rabarberstengels mee als beloning na de seks. De seks was de beloning en ik dumpte de rabarberstengels in een container van een kreeftenrestaurant. Bulu vroeg nooit: ‘Wie zijn je ouders? Wat wil je later worden? Geloof je in God?’ Maar had hij het toch gevraagd dan zou ik hebben gelogen: ‘Mijn vader is een tandarts en mijn moeder is een misdaadschrijfster, ik wil later hoefsmid worden, en God… bah!’ Dat laatste zou de ergste leugen geweest zijn. Maar Bulu stelde me geen vragen, en ik was niet geïnteresseerd in zijn leven. We neukten in een bed in de kelder met tegen de muren opgestapelde synthesizerdozen. Ik beeldde me in dat er drugs zaten in die dozen, maar toen Bulu eens naar boven naar zijn winkel moest snellen om een klant een belachelijke hippieblouse aan te smeren opende ik de bovenste dozen en ze waren leeg. Ik had evenwel geen tijd om de onderste dozen te onderzoeken.

Bulu was zeer zorgvuldig en teder wanneer hij mijn vagina likte. En hij deed het zonder dat ik hem moest aansporen. Als vijftienjarige vond ik dat normaal of dacht ik dat het zo hoorde, maar ondertussen ken ik het ongeduld en de kortademigheid van andere sekspartners en nu weet ik dat Bulu een cunnilingusgodheid was en dat ik nooit meer dergelijk genot zal ervaren. Niet getreurd.
Ikzelf was redelijk passief in het bed in de kelder. Ik dacht ietwat arrogant: ‘Stomme oude man, ik ben vijftien, je mag al blij zijn dat je met je smerige knuisten en je groteske tong en je deerniswekkende inefficiënte piemel aan en in en op en rond me mag foefelen, roeren, schuren, en frunniken.’ Ik vroeg Bulu om geld, maar hij wilde me geen geld geven. ‘Geld maakt alles kapot,’ zei hij kinderlijk. Of sentimenteel. Van de andere twee groezelige klerenverkopers kreeg ik wel geld. Maar bij hen deed ik meer mijn best. Misschien omdat ik meer schrik had van hen, ze waren groter en barser en brutaler en directer dan Bulu. En ze eisten pijpbeurten. Met het geld kocht ik de meest stompzinnige dingen: een wichelroede (die ik nooit van plan was om te gebruiken), ‘The Mosquito Coast’ (dat ik nooit van plan was om te lezen), een opgezet kuiken (dat ik nooit van plan was om op mijn nachtkastje te zetten), een circusfiets (die ik nooit onopgemerkt de garage van mijn grootouders kon binnensmokkelen), en de plaat Wish You Were Here (omdat ik de hoes zo schokkend en bloedstollend mooi vond, maar ik zou de plaat pas beluisteren na mijn dertigste).

De vrouw van Bulu betrapte ons op een dag. Ze leek op een kermiswaarzegster. Ze maakte geen drama, ze was aardig en stoïcijns. Ze vroeg: ‘Wat is er gebeurd in je leven dat je dit moet doen?’ Ik ben nooit meer teruggekeerd naar de winkel en kelder van Bulu, maar ik had nog de andere twee sekspartners. Oef.
De Nigeriaanse klerenverkoper was prachtig maar huiveringwekkend snel (haast amfibisch) en gevaarlijk en opvliegend en onvoorspelbaar. Hij was bovendien pijnlijk groot geschapen en hij wilde steeds maar neven en andere familieleden uitnodigen om deel te nemen aan onze sekspartij. Uiteindelijk ging ik overstag, op een voorwaarde: het moest buiten gebeuren, in de duinen. We spraken af om middernacht. Om twintig voor middernacht glipte ik weg uit het huis van mijn grootouders. In de duinen werd ik opgewacht door de Nigeriaanse klerenverkoper en een kleine mollige man met een uitstekende verzorgde snor die zeker geen Nigeriaan was. Ik dacht dat er meer mannen zouden zijn, maar twee tegelijkertijd bleek al erg genoeg. Om 4u ’s nachts keerde ik bloedend en geschramd terug naar het huis van mijn grootouders. Op de woonkamertafel stond een fles sherry die nog bijna volledig vol was. Ik dronk de fles leeg en slikte per ongeluk twee tanden in, ik had niet door dat ze loszaten. Ik zei tegen God: ‘Je had kunnen tussenkomen, Meneertje! Je had me dit kunnen besparen, maar wegkijken is natuurlijk zoveel gemakkelijker. Je mag wel weten dat ik woedend ben op Jou.’ Daarna lachte ik maniakaal en nam ik een bad. Ik was niet echt woedend op God. Ik was vooral kwaad op mezelf. In de badkuip probeerde ik mijn grote teen te amputeren met een oestermes. Het lukte niet. Ik speelde even met het idee om mijn clitoris weg te snijden, maar eerlijk gezegd had ik geen idee van de precieze ligging van mijn clitoris. Na het voorval in de duinen had ik even genoeg van mannen en hun extremiteiten.

Ik wierp me op de bevreemdende film Arizona Dream, een knotsgekke wrange poëtische Amerikaanse roadmovie gemaakt door de slimme radicale kleurrijke ondoorgrondelijke inconsequente Serviër Emir Kusturica. Niets klopte aan die film: waarom visioenen over Eskimo’s? Waarom plots een schildpaddenplaag tijdens een hevig onweer? Waarom de wrede bitsigheid tussen moeder en dochter? Waarom een rol geven aan Jerry Lewis? Waarom zo weinig tekst voor Johnny Depp? Waarom liedjes over ambulances en corrupte televisiepriesters van Iggy Pop en hartverscheurende nostalgische accordeons van zigeuners? Waarom geen plot? Waarom wilde ik deze film tien keer per dag bekijken? Waarom ontroerde het gebrek aan sentimentalisme me zo? Ik weet het nog altijd niet. Het enige wat ik weet is dat er ruzie was tussen Iggy pop en de man van de zigeunermuziek en de accordeons (Goran Bregovic), en dat door hun verwerpelijke inhaligheid de soundtrack een aantal jaren niet te verkrijgen was. Een ramp! Mijn moeder zei: ‘Je zou beter Short Cuts van Robert Altman bekijken. Dat is een veel interessantere film.’ Ik zei: ‘Zwijg, trut, zwijg!’ Ze gooide een Italiaans kookboek naar mijn hoofd, de rug brak en ik lachte.
Maar ik lachte dof, en zeker niet maniakaal.

Over de auteur

Delphine Lecompte