Gepubliceerd op: zondag 10 oktober 2021

Delphine Lecompte – Grote pijn, kleine verfomfaaide pandabeer van een sensatiekrant

 

De kamergenote die constant huilde met een pandabeer
Van een sensatiekrant tussen haar dijen geklemd heeft zelfmoord gepleegd
Gisteren ben ik naar haar begrafenis geweest
Er was een diavoorstelling met foto’s van zeilboten en graanvelden
Precies een reclamefilmpje voor dure smeuïge kaas, wie heeft daar wat aan?
Na de begrafenis heb ik ruziegemaakt met de voormalige vrachtwagenchauffeur
Hij bleef zitten in zijn zetel: stug, stoer, beschonken, spookachtig, onverbeterlijk
Ik wil hem niet veranderen, we keken naar een serie over Mexicaanse drugkartels
Het hoogtepunt van de serie was het woord ‘sicario’.

Zeg het drie keer na elkaar en er gebeurt niets, je leven is nog steeds een puinhoop
De kamergenote die constant huilde was saai en we lachten haar uit
De andere patiënten en ik
Maar ook de voormalige vrachtwagenchauffeur die op bezoek kwam spotte
Met haar, deed haar verkrampte waggel na en noemde haar een kwezel
Hij is nochtans niet wreed en hij heeft ook enkele psychiatrische opnames meegemaakt
Haar bedeesdheid maakte woest, nee haar onderdanigheid, haar kruiperigheid
Maar ze was ingoed en net voor ze zelfmoord pleegde had ze nog een printer gekocht
Vertelden haar buren me, dat vonden ze absurd, onbegrijpelijk
Ik begrijp de printer, het kruiperige heb ik eens toen ze sliep uit haar proberen te schudden.

Zo werkt dat niet
De zus voelde zich schuldig, de pastoor voelde niets
Zijn stoppelbaard en zijn armzalige kleren maakten me razend
Toen hij zonder gewaad binnenkwam dacht ik dat hij een klusjesman was
Jezus ja, Jezus had het zo gewild
Niemand kan nu nog weten wat Jezus had gewild
Na de begrafenis dacht ik: ik moet een gedicht schrijven
Over een ruimhartige sneeuwruimer en een kannibalistische luchtballonvaarder
Die broers zijn en ruziemaken over de kopieerwinkel van hun vader zaliger.

Nee een pyjamawinkel, nee een wekkerwinkel, een molen, een manege,
Een goktempel, een hondenschool, een schietkraam, een lunapark,
Een schommelstoelfabriek, maar het werd niets
Ik schreef geen gedicht, ik bleef genieten van de woestijn
En van de Indiaanse vrouw met gordeldierachtige hyperpigmentatie in haar gezicht
Maar vooral van het woord ‘sicario’, de voormalige vrachtwagenchauffeur was nors
En zwijgzaam, na de serie over Mexicaanse drugkartels
Zagen we een man op de televisie die middeleeuwse stront uit Riga en Jeruzalem
Bestudeerde, ik kreeg een onbedaarlijke puberale lachbui
De voormalige vrachtwagenchauffeur bleef stoïsch dronken, nobel apathisch.

Toen noemde ik hem een worm, alsof er geen betere scheldwoorden bestaan
De televisie had me dom en eenlettergrepig gemaakt
Uiteindelijk heb ik de beschimmelde huurwoning van de voormalige
Vrachtwagenchauffeur verlaten en ben ik naar het paleis van de oude kruisboogschutter gesneld
Hij heeft mijn kamergenote nooit ontmoet, de oude kruisboogschutter
Ik weet niet of hij zich wreed schertsend laatdunkend over haar zou hebben uitgelaten
De oude kruisboogschutter gaf me een banaan en we spraken
Over mijn korte episode in een opvangcentrum voor otters en zeevogels
Daarna ging ik slapen in zijn logeerkamer
Net voor ik in slaap viel dacht ik aan de verfomfaaide pandabeer van wijlen mijn kamergenote.

Had ik een nieuwe pandabeer voor haar moeten kopen?
Een groter en duurder exemplaar?
Het zou niets hebben uitgemaakt
Zoals mijn moeder het zo straf verwoordde: ‘Jij ijdel sentimenteel wicht,
Jouw vriendschap en bekommernis konden die zelfmoord niet verhinderen.’
Dat weet ik ook wel
Vandaag zal ik opnieuw geen gedicht schrijven over een ruimhartige sneeuwruimer
En een kannibalistische luchtballonvaarder die broers zijn
En ruziemaken over de pyjamawinkel van hun vader zaliger.

Ik zal eerst de zus vergeten, het gezicht van de zus
Vlug daarna zal de tronie van de pastoor vervagen, althans dat hoop ik
Het is nog heel vroeg, te vroeg om de voormalige vrachtwagenchauffeur op te bellen
Hij moet toch weten dat ik hem graag zie, hij noemt zichzelf een vastgeroest beest
Ik zie hem het liefst om 8u ’s ochtends wanneer zijn poriën de pilsjes
Van de avond voordien nog aan het verwerken zijn, en zijn geest
Ja zijn geest zweeft dan tussen gretige infantiele agressie en tedere behoeftige affectie
Hij is dan bang om alleen te zijn en gelig te sterven, lekkend, etterend,
Kortademig, met niemand aan zijn zijde die hem nog krediet wil geven.

Hij verliest mij, hij zal mij verliezen
hij zal zelfs zijn blonde gokverslaafde zoon verliezen
Een ex-postbode die werd geboren met een hazenlip
Maar nu rocksterachtig charismatisch is en zijn meisjes in elkaar timmert
Ik zit aan de keukentafel van de oude kruisboogschutter
En schrijf dit lamlendige gedicht, zal ik weer te hoogmoedig zijn om het te wissen?
Ik eet een bokaaltje zurkel, ik herinner me zurkel van toen ik
Rekken aanvulde in de droge voedingsafdeling van een sinistere supermarkt
In Sint Kruis, toeristen kwamen naar mij en vroegen: hoe kunnen we familieleden plagen?
Wat kunnen we ze geven uit België in de plaats van chocolade? Wat is walgelijk?

Het is nog steeds te vroeg om de voormalige vrachtwagenchauffeur op te bellen
Ik vergeet nooit dat zijn moeder een mat lethargisch analfabetisch schizofreen wrak was
En dat zijn vader de nederige meubelmaker elke dag leefde
Voor de dode zoon die wielerwedstrijden zou winnen
Maar werd omvergereden door een zwarte jeep, of een mosterdkleurige
En de zus van de vrachtwagenchauffeur schoot zichzelf een kogel door het hoofd
Maar als je drie keer na elkaar ‘sicario’ hoort dan wordt alles tijdelijk draaglijk.

Over de auteur

Delphine Lecompte