Gepubliceerd op: maandag 30 augustus 2021

EI 282: Mischa Andriessen – Noach

 

Dagen achtereen ging hij de verwinterde tuin in, bleef er tot de kou finaal bezit van
hem nam en hij verflauwd maar fier ten laatste terug zijn huis binnenkwam, de trap op
liep en in de kamer waar zij al zo lang sliep zich verstijfd voorzichtig naast haar te ruste
legde, heimelijk hoopte dat zijn ijzige lijf haar uit de wezenloze staat zou wekken.

Zo jong was zij – toen hij haar getroffen had – geweest, dat destijds zijn geluk
onafzienbaar leek, na verloop van jaren begon hij zich niettemin te realiseren dat zijn
aanwezigheid haar mogelijk eens te gewoon kon zijn, en anders, op zeker moment
bij haar misschien de nieuwsgierigheid won of de liefde die ze zo lang en zo
vanzelfsprekend ondervond nog wel passend was bij wat zij te geven had.

Nam ze een bad, sloot ze vanaf dan de deur, droogde zich nooit meer in zijn bijzijn af,
was al aangekleed en opgemaakt, elke dag weer, wanneer hij wakker werd, lag in
pyjama vroeg ’s avonds afgeschminkt in haar lakens gedraaid wanneer hij hun kamer
binnenkwam.

Hij had haar gesnapt, zou niet zeggen wat hij op basis van haar aanblik wist, verbeet
zich, verbad dat het niet zou duren, ze ooit de elasticiteit van zijn begrip zou zien en hij
dan zo in haar herinnering terugkwam als wie haar eens verleidde met zijn gebrek aan
nagedachten, zijn drang naar daad en zijn kordate kalmte.

Ze begreep dat hij voor een tweede keer veranderd was. In wezen tot een vroeger zelf
was teruggekeerd, wist dat zij al zoveel verder was, maar hem liefhad evenzeer, en bad
en bad dat zij hem nooit, op zijn minst niet nog meer, te kwetsen kwam, hield haar
huiver stil wanneer hij uit de winter in de tuin terug hun huis betrad, vernikkeld naast
haar lag, net als de koude hitte kende, wist dat na elke winter, elke lente, het zomer werd;
dan ook doorzag dat in de orde van de dingen niets nog als voorheen was, maar zoals
het hem betrachtte, luisterde hij naar de hoop die haar niet te verheimelijken ademen
steeds weer in de kamer bracht tot pal bij waar hij aldoor wachtte

 

(Het gedicht Noach is te vinden op blz. 91 van de bundel Het Drogsyndicaat. Er zijn in de bundel nog meer gedichten met de titel Noach. De hieronder besproken EI is niet aan deze Noachgedichten of aan de bundel als geheel gerelateerd maar is geanalyseerd als een autonoom gedicht.)

 

Het is alsof de dichter met zijn ellenlange, kundig gecomponeerde zinnen gelardeerd met een wirwar van neven- en onderschikkingen, modaliteiten en bepalingen de lezer op de proef stelt. Maar die beproeving zal blijken niet tevergeefs te zijn … Daarbij komt dat de titel van het gedicht – eerder nog de aanhef van een prozatekst – de lezer op het verkeerde been zet. In geen enkel opzicht verwijst de inhoud van het gedicht naar de oudtestamentische, door God uitverkoren arkenbouwer en – vaarder Noach. Ook niet in overdrachtelijke zin als Gods schipper die de zondvloed overleeft en het voortbestaan van de mensheid redt.
Wat we wel weten – zoals in de eerste alinea of strofe al duidelijk wordt – is dat Noach een man is wiens vrouw zich letterlijk en figuurlijk van hem heeft afgewend. Om haar in die kilte te ontdooien, dan wel te imponeren kiest hij voor onorthodox gedrag. Dagen vertoeft hij in de verwinterde tuin om vernikkeld, tot op het bot verkleumd de (com)passie van zijn vrouw te herwinnen. Maar zij reageert niet op hem, noch op zijn slachtofferrol. Zijn ijzige lijf vermag haar niet te wekken uit [haar] wezenloze staat.
In de tweede alinea keert Noach terug naar de tijd, waarin hij haar ooit als meisje won. Zijn geluk lijkt oneindig maar na jaren sluipt bij hem de gedachte binnen of haar leven met hem niet tot sleur is geworden. Paniek overvalt hem als hij zich realiseert dat zij weleens uit die sleur zou willen stappen. Hij beseft dat de kloof tussen wat hij haar aan liefde geeft lang niet meer overeenkomt met wat hij ervoor terugkrijgt. Was de liefde die ze zo lang en zo vanzelfsprekend ondervond nog wel passend bij wat zij te geven had?
In de 3e alinea illustreert de alwetende verteller met voorbeelden de wijze waarop Noach merkt dat hij haar langzaam kwijtraakt. Het zijn veelzeggende, pijnlijke signalen: een gesloten badkamerdeur, de constatering dat zij zich niet meer om – of uitkleedt in zijn bijzijn en ’s morgens vroeg al aangekleed en opgemaakt is voor hij wakker wordt. Noach en zijn vrouw zijn van elkaar vervreemd. Maar erger lijkt het stilzwijgen tussen beiden, hun beider onvermogen te spreken en te luisteren. Na drie alinea’s weten we dat de man de fysieke intimiteit van zijn vrouw node mist. Van de vrouw weten we echter nog weinig. Wat drijft haar tot dit gedrag? Is er iets ernstigs voorgevallen? Voelt zij zich eenzaam bij haar eigen man? Geven alinea 4 en 5 daarop antwoord?
Het lijkt erop dat in alinea 4 inderdaad een poging door Noach wordt ondernomen te begrijpen en te verklaren waarom zij beiden in die uitzichtloze situatie zijn beland. Hij begrijpt wat haar blikken hem zeggen maar vermant zich – wat hem veel moeite kost – noch daarover iets te zeggen, noch daarop toespelingen te maken. Hij hoopt dat zij ooit de elasticiteit van zijn begrip zou zien. Elasticiteit is een begrip dat het best vertaald kan worden met rekbaarheid waarmee zijn begrip, zijn empathie zich plooit naar haar zwijgen, haar onuitgesproken gevoelens van ontreddering. Of is het intense droefheid? Hij hoopt haar – met die elasticiteit – ten langen leste voor zich te herwinnen, zoals ooit, lang geleden.
De laatste alinea wijkt af van de overige alinea’s door haar lengte, open einde en perspectief. De dichter verwoordt hierin voor een groot deel de gedachten en gevoelens van de vrouw. Ook zij heeft hem lief maar haar liefdeskelk staat droog. Zij lijkt door een niet nader genoemd voorval murw te zijn geslagen. Heeft zij een schuldgevoel over iets onnoembaars? Zij zou wel willen maar kan niet meer. Toch beseft ze dat zij hem niet nog dieper mag kwetsen. De orde van de dingen is evenwel voorgoed verstoord maar ze weet ook – hem kennende – dat hij nooit zal opgeven en altijd naar haar niet te verheimelijken ademen zal luisteren als naar een eeuwig wachten …
Of de tekst nu meer poëzie of proza is: beide ademen het onvermogen uit tot liefde tussen man en vrouw. Wat daarbij opvalt, is een drievoudig contrast dat steeds in het gedicht opdoemt: man versus vrouw, buiten versus binnen en kou versus warmte. Samengebald in de tegenstelling: de man die buiten in de winterkou naar de warmte van zijn vrouw hunkert versus de vrouw die binnen in de behaaglijke warmte van de echtelijke sponde huivert voor zijn aanraking. Maar er is nog een contrast, een tegenstelling in de tijd: hoe het ooit was en hoe het nu is.
In die tijdsspanne speelt de vertraging een cruciale rol. Namelijk het betrachten van een eindeloos geduld van de man voor het in zichzelf gekeerde gedrag van zijn vrouw want: Hij had haar gesnapt, zou niet zeggen wat hij op basis van haar aanblik wist. Een aspect dat in het gedicht eveneens manifest wordt, is dat een kenmerk van liefde ook lijden is. Door de hele tekst is er een zweem van pijn en verdriet. Hoewel verschillend van inhoud, voelen beiden ten opzichte van elkaar mededogen. En zo herkennen we in dit gedicht drie pijlers van hun doorleefde liefde: pijn, mededogen en geduld.
Nu nog de titel. Waarom heet dit gedicht dan toch Noach? Allereerst omdat de gehele bundel een relaas in overdrachtelijke zin is van de lotgevallen van de Bijbelse Noach, zijn vrouw en hun drie zonen. En in dit specifieke gedicht verwijst de thematiek wellicht naar Noachs nimmer aflatende liefde voor God. Ook God lijkt zich van hem te hebben afgewend want de zondvloed verzwelgt al het leven op aarde en maanden lang dobbert de ark in verlaten stilte en duisternis op oneindig watervlak. Noach doorstaat de beproevingen, houdt vol totdat God zich opnieuw tot hem wendt. En dat beeld herkennen we tot op zekere hoogte in het voorliggende gedicht.
Hoe het ook zij: Andriessen schetst de lezer met Noach het beeld van een liefde die zich versmalt tot een door dicht struweel nauwelijks begaanbaar pad. Maar de door distel en doorn gehavende Noach volhardt in zijn verlangen om zijn – door het ongenoemde – diep geraakte vrouw met geduld te herwinnen.
Dit gedicht is dan ook een gedicht van de hoop: “In deze hoop is hij [i.e. Noach] gered. Als hij echter nu al zou zien waarop hij hoopt, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als hij hoopt op wat nog niet zichtbaar is, blijft hij in afwachting daarvan volharden.” (Romeinen 8, 24-25).

 

Andriessen Het drogsyndicaat

Mischa Andriessen

Het drogsyndicaat

Uitgeverij Querido

ISBN 9789021426068

Over de auteur

- studeerde na zijn onderwijzersopleiding Duits (M.O.) en Nederlands (doctoraal). Hij was onder meer schoolhoofd en vervolgens leraar Duits en Nederlands.